Seneca en Cicero

Eindexamen 2026

 

versie 2 – november 2025

 

In dit document staan de eindexamenteksten voorzien van een vertaling en annotaties.

De hoofdstukken verschijnen in de loop van het schooljaar.

 

Inhoud

 

1      Inleiding. 2

1.1     Nuttige links. 3

1.2     Legenda. 4

2      Vertaling en annotaties. 5

2.1     Seneca. 5

2.1.1       Epistula 3. 5

2.1.2       Epistula 6. 16

2.1.3       Epistula 9. 26

2.1.4       Epistula 34. 51

2.1.5       Epistula 35. 56

2.1.6       Epistula 63 – nog niet beschikbaar. 63

2.2     Cicero. 64

2.2.1       Laelius De Amicitia. 64

2.2.2       Epistulae ad Atticum Liber 12 Epistula 14 – nog niet beschikbaar. 93

2.2.3       Epistulae ad familiares – 5.7 – nog niet beschikbaar. 94

2.2.4       Epistulae ad familiares – 16.4 – nog niet beschikbaar. 95

3      Bijlages. 96

3.1     Soorten bijzinnen. 96

 

 

 


 

1         Inleiding

 

In de volgende hoofdstukken vind je de examenteksten voorzien van een eigen vertaling en aantekeningen.

 

Hoe gebruik je deze aantekeningen?

·         In de Latijnse tekst staan bij de woorden de volgende aantekeningen:

o   naamval, getal, geslacht, of, bij werkwoorden tijd, wijze en vorm

o   congruentie-tekens geven aan of twee of meer woorden congrueren

o   participia zijn benoemd als ppa, ppp, pfa, gerundivum of gerundium

o   zinsdelen zijn benoemd als persoonsvorm, onderwerp, lijdend voorwerp (direct object) en meewerkend voorwerp (indirect object)

o   constructies zijn benoemd als ablabs, ACI of NCI

·         In de rechterkolom staat verdere uitleg.

·         In de voetnoten vind je extra informatie, verdieping of een discussie over een vertaling of grammaticaal aspect.

·         Omdat er bij deze schrijvers veel bijzinnen voorkomen is hier extra aandacht aan besteed.

o   De Latijnse tekst springt in om de geneste structuur van bijzinnen duidelijk te maken.

o   In een aparte kolom staat aangegeven of de zin een hoofdzin (onafhankelijke zin) is of een bijzin (afhankelijke zin).

o   Bij ingewikkelde structuren is die structuur uitgelegd in de rechterkolom.

o   Aan het eind van het document staat een overzicht van  mogelijke soorten bijzinnen. Elke soort heeft een nummer. In de rechterkolom is voor een bijzin aangegeven welke soort het betreft. Dit is gedaan door het nummer te vermelden tussen vierkante haken. Zo verwijst “[37]” naar een bijwoordelijke bijzin met cum en een coniunctivus.

 

De vertaling is van eigen hand. Een paar opmerkingen:

·         De vertaling is vergeleken met een aantal vertalingen die op het internet beschikbaar zijn. Deze zijn genoemd hieronder in de paragraaf “Nuttige links”.

·         Ze zijn ook vergeleken met de werkvertalingen uit de tekstboeken van Eisma en Hermaion. In een paar gevallen was er een wezenlijk verschil tussen de vertalingen of interpretatie van de grammaticale constructies. Die zijn dan in de aantekeningen of de voetnoten besproken.

·         Geprobeerd is steeds om correcte Nederlandse zinnen te maken. De vertaling is dus meer dan een werkvertaling, die een beetje krom mag zijn.

·         Als een vertaling vanwege eisen aan het Nederlands veel afwijkt van de letterlijke Latijnse verwoording is de letterlijke vertaling in de aantekeningen gegeven.


 

1.1        Nuttige links

·         Zoek je een verbogen of vervoegd woord? Of wil je controleren of je een naamval goed hebt bedacht, of een werkwoordvorm? Kijk dan in de Latin Dictionary. Hier vind je van elk woord de rijtjes.

 

·         Hier en daar annoteren we iets over hoe een grammaticaal onderwerp in het Nederlands heet. Dan verwijzen we soms naar de website van de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Hier vind je de grammatica van de Nederlandse taal, duidelijk uitgelegd en met veel voorbeelden.

 

·         Kijk ook een op deze Superlatijn site.

·          Ben Bijnsdorp heeft de brieven van Seneca vertaald en je vindt zijn vertaling op zijn site hier.

 

·         Een vertaling van de brieven van Seneca door Margeret Graver is in 2017 uitgegeven door The University of Chicago Press (ISBN 978-0-226-52843-4). Deze is niet op het internet verschenen.



 

·         Een Latijnse tekst en een Engelse vertaling, door William Armistead Falconer, van Laelius de Amicitia van Cicero vind je in de Loeb Classical Library hier en hier op de Perseus site. Of als pdf hier. Het is een uitgave uit 1923.

 

 

Een vertaling van Freeman (2018) vind je hier.

 

·         Een Latijnse tekst van de brief  aan Atticus (12.14 uit 45 v. Chr) en een Engelse vertaling van Evelyn Shuckburgh staat op de Perseus website, hier. Je kunt op die pagina overschakelen tussen de Latijnse en Engelse tekst. En hier in het Gutenberg archief vind je een zij aan zij versie met links het Latijn en rechts de vertaling van E. O. Windstedt uit 1918.

 


 

1.2        Legenda

Hier is de uitleg van de afkortingen die in de annotaties zijn gebruikt.

 

naamwoorden

 

1, 2, 3, 4, 5

nominativus, genitivus, dativus, accusativus en ablativus

s, p

singularis (enkelvoud), pluralis (meervoud)

●, ●●, ●●●

congruentie met een of meerdere andere woorden die hetzelfde aantal stippen hebben

f, m, n

femininum (vrouwelijk), masculinum (mannelijk), neutrum (onzijdig)

 

 

werkwoorden

 

 

indi, coni

indicativus, coniunctivus

 

pr, impf, fut

praesens, imperfectum, futurum

 

pf, pqpf, fex

perfectum, plusquamperfectum, futurum exactum

 

act, pas

actief, passief

 

ppa, ppp, pfa

participium praesentis activi (tegenwoordig deelwoord), participium perfecti passivi (verleden deelwoord), participium futuri activi

 

gdium, gdivum

gerundium, gerundivum

 

inf, imp

infinitvus, imperativus

 

 

 

 

woordsoort en zinsbouw

 

BW, VW, VZ

bijwoord, voegwoord, voorzetsel

{ … }

woordgroep

pv, ond, lijd, mew

persoonsvorm, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp

predn

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)

 

 

constructies

 

ACI, NCI

accussativus cum infinitivo, nominativus cum infinitivo

AA

ablativus absolutus (“ablabs”)

 

 

 

 


 

2         Vertaling en annotaties

2.1        Seneca

2.1.1         Epistula 3

 

1

Epistulas ad me perferendas tradidisti, ut scribis, amico tuo;

 

Je hebt brieven gegeven die aan mij overhandigd moeten worden, zoals je schrijft, aan jouw vriend;

 

 

 

 

 

Epistulas4pf  lijd ad me4s perferendasgdivum  tradidistipf pv,

hoofdzin

 

 

 

ad me

ad hoort bij me, niet bij perferendas

 

 

me

bij perferendas (om aan mij over te dragen); niet bij tradidisti (“aan mij gegeven”)

 

 

perferendas

gerundivum bijvoeglijk gebruikt bij epistulas; dus geen gerundivum van verplichting

 

ut scribispr pv,

bijzin

ut + indicativus; zo’n kort tussenzinnetje heet een parenthese  [92]

 

 

ut

zoals

 

amico3s ●● mew tuo●●;

hoofdzin vervolg

 

 

 

amico

meewerkend voorwerp (indirect object): de brieven zijn dus aan de vriend gegeven die ze vervolgens aan Seneca moet brengen

 

 

 

 

 

deinde admones me, ne omnia cum eo ad te pertinentia communicem, quia non soleas ne ipse quidem id facere;

 

vervolgens waarschuw je mij, om niet alles dat op jou betrekking heeft met hem te bespreken, omdat je zelf dat ook niet gewoon bent te doen;

 

 

 

 

 

deinde admonesindi pr pv me4s lijd,

hoofdzin

 

 

ne omnia4p  lijd cum eo5s ad te pertinentiappa  communicemconi pv,

bijzin 1

finale bijwoordelijke bijzin met een coniunctivus, hier een verbod (ne) [54]

 

 

pertinentia

< pertinens, ppa van pertinēo (pertinēre), betrekking hebben op;

 

 

cum eo

onderbreekt de woordgroep “omnia ad te pertinentia”; daardoor komen eo en te dichtbij elkaar te staan: met hem aan jou

 

quia non soleasconi pv ne ipseond quidem id4s facereinf;

bijzin 2

bij bijzin 1; 

 

soleas

coniunctivus obliquus: de mening van een ander, in dit geval van Lucilius[1]

 

 

facere

aanvullingsinfinitivus bij soleas

 

 

id

object bij facere

 

 

non … ne quidem

een dubbele ontkenning; ne … quidem heeft als eigenschap dat het de eerste ontkenning (non) niet “opheft”. Dus maar één keer “niet”vertalen[2].

Omdat er al ipse (zelf) staat, levert ne … quidem (zelfs niet) in het Nederlands geen fraaie zin op; daarom met ook vertaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ita in eadem epistula illum et dixisti amicum et negasti.

 

zo heb je in een en dezelfde brief hem zowel een vriend genoemd als gezegd dat hij dat niet is;

 

 

 

 

 

ita in eadem epistula5s  illum4s lijd et dixistipf pv amicum4s et negastipf pv.

2 hoofdzinnen

twee samengetrokken hoofdzinnen nevengeschikt verbonden door et…et

 

 

et … et …

nevenschikkend

 

 

illum dixisti amicum

Je kunt deze woordgroep op twee manieren lezen:

·     dixisti met een dubbele accusativus: iets/iemand noemen als; dico heeft dan twee objecten (illum, amicum); illum is het lijdend voorwerp (eerste object) en amicum het het tweede object; in het Nederlands noemen we dat een tweeplaatsig werkwoord: hem een vriend noemen

·     als een ACI[3]: […] illum4s ACI et dixistipf pv amicum4s predn [esseACI]
Je denkt er dan esse bij en illum esse is de ACI. Amicum is het naamwoordelijk deel van het gezegde (predicaatsnomen) bij esse: je zei dat hij een vriend was.

De vertaling hierboven kiest voor de eerste opvatting.

 

 

negasti

= negavisti

·     Als je dixisti als tweeplaatsig werkwoord hebt vertaald (zie hierboven), kunnen we we negasti (jij hebt ontkend) in het Nederlands niet goed vertalen met vriend als lijdend voorwerp; we kunnen dus niet een vergelijkbare samentrekking verwoorden; dus we hebben wat meer woorden nodig: (en) gezegd dat hij dat niet is

·     Als je de woordgroep bij dixisti als ACI leest, gaat het iets anders in de vertaling van negasti, want dan kun je diezelfde ACI gebruiken: én je ontkent dat [hij een vriend was].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Itaque si proprio illo verbo quasi publico usus es et sic illum amicum vocasti quomodo omnes candidatos “bonos viros” dicimus, quomodo obvios, si nomen non succurrit, “dominos” salutamus, hac abierit.

 

Dus als jij dit bijzondere woord gebruikt hebt in de algemene betekenis en hem op dezelfde manier een vriend hebt genoemd, zoals wij alle verkiezingskandidaten “goede mannen” noemen, zoals we mensen die we tegenkomen met “heren!” begroeten, wanneer ons hun naam niet te binnen schiet, laat dan maar zitten.

 

 

 

 

 

 

 

De hele zin is een voorwaardelijke zin (als-danzin) [157].

·     De conclusie (“dan”) staat achteraan: hac abierit.

·     Er zijn twee voorwaarden (als-delen): bijzin 1 (itaque …) en bijzin 2 (et sic …).

·     De tweede voorwaarde heeft twee bijwoordelijke bijzinnen (beginnend met quomodo).

·     Dit zijn vergelijkende zinnen (quomodo = zoals)

·     De tweede vergelijking (bijzin 4) is, samen met bijzin 5, weer een voorwaardelijke zin. Bijzin 4 is de conclusie (“dan”-deel) en bijzin 5 de voorwaarde (als-deel).

 

Itaque si (proprio5s illo5s verbo5s) quasi publico5s (usus es)pf pv

bijzin 1

Eerste voorwaardelijke bijzin. De hoofdzin (“hac abierit”) staat helemaal achteraan.

 

 

usus es

usus es < utor; utor + ablativus = gebruiken; met een dubbele ablativus betekent het iets gebruiken als, maar in deze reeks ablativi geen dubbele ablativus zien.

Utor is een deponens, dus de vorm usus es is jij hebt gebruikt en niet “jij bent gebruikt”.

 

 

quasi

vergelijkt proprio illo verbo, dit bijzondere woord, met publico, een algemeen [woord]

 

 

proprio

< proprius, eigen (= van jezelf), bijzonder; bedoeld is hier niet dat Lucilius een eigen opvatting had van het woord “vriend”, maar dat het woord een bijzondere betekenis had bij de stoïcijnen.

 

 

publico

< publicus, algemeen bekend, openbaar; dus tegenover de bijzondere waarde die de stoïcijnen aan het woord vriend hechtten, staat het “gewone” woord vriend in z’n losse manier van gebruiken.

 

et sic illum amicum vocasti,

bijzin 2

Tweede voorwaardelijke bijzin, nevengeschikt aan bijzin 1. Denk er weer “si” bij: et si sic ….

 

 

sic

luidt het quomodo in van bijzinnen 3 en 4: zo … zoals …

 

 

vocasti

= vocavisti; < voco; hier met dubbele accusativus: iemand iets noemen

 

quomodo (omnes4p candidatos4p) (“bonos4p viros4p) dicimusindi pr pv,

bijzin 3

Bijzin bij bijzin 2; bijwoordelijke vergelijkende bijzin (quomodo vertaald als zoals) [90]

 

 

quomodo

zoals; in het Nederlands een voegwoord

 

 

dicimus

met dubbele accusativus: iemand iets noemen

 

 

bonos viros

goede mannen = eervolle mannen

Hier wordt bedoeld dat ze “goed” worden genoemd, of ze dat nu in werkelijkheid wel of niet zijn.

 

quomodo obvios4p ,

bijzin 4

Bijzin bij bijzin 2, nevengeschikt aan bijzin 3 maar zonder voegwoord; bijwoordelijke vergelijkende bijzin (quomodo vertaald als zoals) [90];

Deze bijzin 4 is op zichzelf een voorwaardelijke zin, samen met bijzin 5. Bijzin 4 is dan de conclusie en bijzin 5 de voorwaarde. De twee zinnen vormen een realis van het heden [143].

Stijlfiguren: anafora, asyndeton

 

 

obvios

< obvius; tegemoet komend; hier zelfstandig gebruikt toegemoetkomenden = mensen die ons tegemoet komen = menssen die we tegenkomen

 

si nomen1s ond non succurritpr pv,

bijzin 5

Bijzin van bijzin 4; voorwaardelijke bijzin: de voorwaarde van bijzin 4.

 

“dominos”4p  salutamuspr pv,

bijzin 4 vervolg

 

 

 

dominos

< dominus; hier bedoeld als de aanspreektitel “meneer”.

 

 

salutamus

< saluto, groeten; hier met twee accusativi begroeten als/met

 

hac abieritconi pv.

hoofdzin

Aan het einde dan de hoofdzin. Grammaticaal een voorwaardelijke zin (als-dan zin), een realis van het heden [157]. Dit is dan de conclusie (dan-gedeelte). De twee vooropgeplaatste bijzinnen 1 en 2 zijn de als-delen.

 

 

hac

langs deze weg, op deze manier; bijwoord;

 

 

abierit

< abeo (abire), weggaan; hier in een uitdrukking; letterlijk “laat het langs deze weg weggaan”. Of andersom gezegd: ik ga er verder niet op in = laat maar zitten

Je zou het ook met “zo zij het” kunnen verwoorden en dat is aardig omdat die vertaling ook een coniunctivus gebruikt (zij).

Overigens kan abierit grammaticaal ook een futurum zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

2

Sed si aliquem amicum existimas cui non tantundem credis quantum tibi, vehementer erras et non satis nosti vim verae amicitiae.

 

Maar als je iemand als vriend beoordeelt aan wie je niet zoveel vertrouwen schenkt als aan jezelf, vergis je je hevig en ken je onvoldoende de kracht van echte vriendschap.

 

 

 

 

 

Sed

hoofdzin 1

Voorwaardelijke zin; hier het begin van de conclusie; realis van het heden, met zowel in de conclusie als in de voorwaarde een indicativus praesentis [143]

 

si aliquem4s lijd amicum4s existimaspr pv

bijzin 1

de voorwaarde van de voorwaardelijke zin

 

 

amicum

2e object bij existimas, beschouwen als

 

cui3s non tantundem credispr pv quantum tibi3s,

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij amicum ([1] variant [15])

 

 

 

credo (credere) + dat, geloven, vertrouwen (= vertrouwen schenken aan, niet: vertrouwen op), toevertrouwen aan

 

vehementer erraspr pv et

hoofdzin 1 vervolg

 

 

non satis nostipf pv vim4s lijd verae2s  amicitiae.

hoofdzin 2

tweede hoofdzin door et nevenschikkend verbonden aan de eerste

 

 

nosti

= novisti < nosco (noscere), leren kennen; novisti = jij hebt leren kennen = je kent

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tu vero omnia cum amico delibera, sed de ipso prius: post amicitiam credendum est, ante amicitiam iudicandum.

 

Je moet werkelijk alles met je vriend overleggen, maar eerst overleggen over hemzelf: na het aangaan van de vriendschap moet er vertrouwd worden, voor het aangaan beoordeeld.

 

 

 

 

 

Tu veroBW omnia4p lijd cum amico5s deliberaimp pv,

hoofdzin 1

 

 

 

delibera

< delibero (deliberare), overleggen

imperativus; in het Nederlands kunnen we geen imperativus (overleg!) combineren met een onderwerp (jij), dus dan kun je vertalen met moeten.

 

sed de ipso5s priusBW:

hoofdzin 2

nevengeschikt aan de eerste door sed; verkort door het niet herhalen van delibera

 

 

prius

bijwoord: [overleg] eerst [over hemzelf]

 

post amicitiam4s f credendumgdivum n  est,

hoofdzin 3

 

 

 

credendum est

gerundivum van verplichting; credendum is onzijdig (daarom zeker niet bij amicitiam proberen te trekken), dus onpersoonlijk gebruikt: men moet … of er moet …

 

 

post/ante amicitiam

na/voor de vriendschap = na/voor het afsluiten van een vriendschap

 

ante amicitiam4s f iudicandumgdivum n.

hoofdzin 4

verkort door het niet herhalen van est; geen voegwoord: asyndeton

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Isti vero praepostero officia permiscent qui, contra praecepta Theophrasti, cum amaverunt iudicant, et non amant cum iudicaverunt.

 

Zij die, tegen de voorschriften van Theophrastus in, iemand beoordelen wanneer ze hem zijn gaan mogen, en niet iemand mogen wanneer ze hem beoordeeld hebben, halen hun plichten werkelijk op een onjuiste manier door elkaar.

 

 

 

 

 

Isti1p ond veroBW praeposteroBW officia4p lijd permiscentpr pv

hoofdzin

 

 

 

praepostero

bijwoord; normaal is het praepostere, maar Seneca gebruikt praepostero

 

qui1p ond, contra praecepta4s Theophrasti2s

bijzin 1

betrekkelijke bijzin bij isti ([1] variant [13])

grammaticaal is het zinsdeel met contra geen aparte bijzin, ook al staat het tussen komma’s

 

cum amaveruntindi pf  pv

bijzin  2

temporele bijwoordelijke bijzin bij bijzin 1; cum heeft hier een indicativus bij zich en is dus temporeel (wanneer) [35]

 

iudicantpr pv, et

bijzin 1 vervolg

 

 

non amantpr pv

bijzin 3

verkorte bijzin (qui is niet herhaald), nevengeschikt aan bijzin 1

 

cum iudicaveruntindi pf pv.

bijzin 4

bij bijzin 3; net als bijzin 2 een temporele bijwoordelijke bijzin [35]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Diu cogita an tibi in amicitiam aliquis recipiendus sit.

 

Denk er lang over na of je met iemand vriendschap moet sluiten.

 

 

 

 

 

DiuBW cogitaimp pv

hoofdzin

 

 

 

cogito

is zowel intransitief (denken) als transitief (iets overdenken); met een afhankelijke vraag is het transitief gebruikt

 

an tibi3s in amicitiam4s aliquisond recipiendus sitconi pv.

bijzin

afhankelijk vraag ingeleid met an (of); niet weglaatbare bijzin die fungeert als lijdend voorwerp van de hoofdzin; gebruikt altijd een coniunctivus [110]

 

 

recipiendus sit

gerundivum van verplichting

 

 

(an) tibi … sit

letterlijk staat er: (of) door jou iemand in vriendschap moet worden ontvangen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cum placuerit fieri, toto illum pectore admitte; tam audaciter cum illo loquere quam tecum.

 

Nadat je hebt besloten dat het gebeurt, laat hem toe met heel je hart; spreek zo vrijmoedig met hem als met jezelf.

 

 

 

 

 

Cum placueritconi pf pv fieriACI,

bijzin

bijwoordelijke bijzin van oorzaak [37]; maar er is ook een volgordelijk en dus temporeel verband (“eerst dit, dan dat”)

 

 

[cum] placuerit

< placēo (placēre), behagen, als er mihi of tibi bij staat, wordt dat mij/jou bevalt = ik/jij besluit; hier kun je tibi erbij denken

Je kunt de vorm placuerit op twee manieren lezen:

·     als indicativus futuri exacti – jij zult hebben besloten; dan is cum + indicativus wanneer[4]

·     als coniunctivus perfecti – dat jij hebt besloten; dan is cum + coniunctivus nadat[5]

In de vertaling hierboven is placuerit op de tweede manier gelezen[6]. Qua inhoud is het meer dan een pure temporele bijzin. Er is ook een causaal verband[7].

 

 

fieri

een infinitivus: gebeuren, worden; is deel van een onvolledige ACI waar de “A” is weggelaten

De bedoeling is natuurlijk dat besloten is dat iemand je vriend kan worden. Dus je kunt er eumACI amicum4s fieriACI van maken (dat hij je vriend wordt). Of je laat het ook open. Alleen moet je er in het Nederlands danwel een paar extra woorden aan toevoegen: dat dat gebeurt.

 

toto illum4s lijd pectore5s  admitteimp pv;

hoofdzin 1

 

 

 

pectore

ablativus instrumenti (met)

 

tam audaciterBW cum illo5s loquereimp quam tecum.

hoofdzin 2

 

 

 

tam … quam …

zo … als …

 

 

loquere

< loquor, spreken; een deponens. Hier de imperativus (spreek!) die, omdat het een deponens is, een passieve imperativus is, maar wél actief vertaald wordt. Verwarrend is dat zo’n passieve imperativus dezelfde vorm heeft als een actieve infinitivus (wat het dus hier niet kan zijn omdat loquor een deponens is…).

 

 

 

 

 

 

 

 

3

Tu quidem ita vive ut nihil tibi committas nisi quod committere etiam inimico tuo possis;

 

Jíj moet zo leven, dat je jezelf niets toevertrouwt behalve wat je ook aan je vijand kan toevertrouwen.

 

 

 

 

 

Tu quidem ita viveimp

hoofdzin

 

 

 

quidem

na een persoonlijk voornaamwoord is quidem meestal benadrukkend; dan niet vertalen en “jij” benadrukken door een accent (jíj) of iets als zeker toevoegen: jij zeker

 

 

ita

in combinatie met de ut-bijzin heeft ita hier een beperkende betekenis: “leef alleen maar zo, dat …”

 

 

tu vive

In het Nederlands laat een gebiedende wijs zich lastig met “jij” verbinden; dan maar met moeten vertalen.

 

ut nihil4s lijd tibi3s committasconi pv nisi

bijzin 1

consecutieve bijzin [77]

 

 

committas

< committo (commitere), toevertrouwen; de vertaling met toevertrouwen is naar mijn bescheiden mening onduidelijk. Zie voetnoot [8] voor een discussie.

Een alternatieve vertaling zou zijn: “[…] dat je jezelf niet inlaat met iets [behalve met iets wat je ook aan je vijand kunt toevertrouwen.]

 

 

nisi

behalve;

·     vergelijkt hier twee zaken: aan de ene kant nihil en aan de andere kant de hele bijzin “quod …”; lees het als “niets behalve dit”, waarbij de quod-zin in de plaats komt van “dit”

·     nisi is daarmee deel van de hoofdzin en leidt niet de bijzin in (nisi = tenzij)[9]

 

quodlijd committereinf etiam inimico3s tuo3s possisconi pr pv;

bijzin 2 (bij 1)

Merk allereerst op dat er geen komma geplaatst is tussen nisi en quod. Quod leidt echter wel een bijzin in. Dat is een

definiërende betrekkelijke bijzin met quod ([24], [3]); het antecedent is ingesloten, en quod definiëert en nuanceert een weggelaten “iets" nader: niets behalve iets dat ; in de bijzin is quod het lijdend voorwerp (variant [16])

De bijzin functioneert als tweede lijdend voorwerp in de vergelijking met nisi. Je zou de bijzin kunnen vervangen door “dit”: “niets behalve dit”. [112]

 

 

committere

aanvullingsinfinitivus

 

 

possis

een coniunctivus

·     Hermaion verklaart deze coniunctivus als de indicatie dat het hier om een definiërende bijzin gaat (zoals we dat ook hierboven hebben beschreven).

·     Eisma ziet er een potentialis in[10]. Daarmee ziet Eisma de bijzin meer in de hoek van een voorwaarde (“alleen vertrouwen als …”; zie voetnoot 9).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sed quia interveniunt quaedam quae consuetudo fecit arcana, cum amico omnes curas, omnes cogitationes tuas misce.

 

Maar aangezien er sommige dingen zich voordoen die uit gewoonte in het verborgene gebeuren, moet je met je vriend alle zorgen, alle overdenkingen delen.

 

 

 

 

 

sed

hoofdzin

 

 

quia interveniuntpr pv quaedamond

bijzin 1

bijwoordelijke bijzin met een indicativus; wordt dus als feit geponeerd [61]

 

 

interveniunt

< intervenio (intervenire), ertussen komen, tussen beide komen, en, zoals hier, overdrachtelijk, opduiken

 

 

quaedam

< quidam, iets, een of ander, onbepaald vnw

 

quae4p n lijd consuetudoond fecitpf pv arcana4p n,

bijzin 2 bij 1

bijzin met een perfectum; de regel is hier dat als de hoofdzin een algemene waarheid aangeeft, de bijzin vaak een perfectum gebruikt om een soort volgordelijkheid in de tijd (“voortijdigheid”) te suggereren[11];

 

 

consuetudo

is het onderwerp; letterlijk: de gewoonte heeft die geheim gemaakt; wij zeggen dat natuurlijk niet zo; je kunt het onpersoonlijk maken en van consuetudo een bijwoord maken: die gewoonlijk in de verborgenheid gebeuren

 

 

fecit

de vraag of je het echt als verleden tijd moet vertalen; in het Nederlands zeggen we dat denk ik niet zo

 

 

arcana

tweede object bij fecit; facio + dubbele accusativus =  iets maken als; let op: is meervoud en congrueert dus met quae: geheime dingen

 

cum amico3s (omnes curas, omnes cogitationes tuas)4p lijd misceimp pv.

hoofdzin vervolg

 

 

omnes, omnes

anafora

 

 

misce

imperativus; hier ook weer beter met moeten te vertalen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fidelem si putaveris, facies;

nam quidam fallere docuerunt dum timent falli, et illi ius peccandi suspicando fecerunt.

 

Als jij hem voor een betrouwbaar iemand zult hebben gehouden, zal je hem zo maken;

want sommigen hebben anderen geleerd te bedriegen, omdat ze bang zijn bedrogen te worden, en die geven door hun wantrouwen hen het recht om te zondigen.

 

 

 

 

 

Fidelem4s si putaverisfex pv,

bijzin

vooropgeplaatste bijwoordelijke bijzin als voorwaarde van een voorwaardelijke zin; de voorwaarde gebruikt een futurum exactum en dat geeft aan dat deze voortijdig is (aan de voorwaarde moet geheel voldaan zijn, voordat de conclusie optreedt)

 

 

fidelem

< fidelis, betrouwbaar; bijv. nw., verzelfstandigd: een betrouwbaar persoon

 

 

putaveris

futurum exactum; jij zult hebben gehouden voor; om dat ook zo te vertalen komt wat geforceerd over in het Nederlands. Wij zijn in het Nederlands niet zo precies met de tijden.

Putaveris kan wat de vorm betreft ook een coniunctivus perfecti zijn, maar dat past niet in een voorwaardelijke zin.

 

faciesfut pv;

hoofdzin

samen met de bijzin een voorwaardelijke zin; hier de conclusie; realis van de toekomst met indicativi in voorwaarde en conclusie [150]

 

 

facies

jij zult maken; het idee is “dan zul je hem ook tot een betrouwbaar persoon maken

 

namVW quidam1p ond fallereinf docueruntpf pv

hoofdzin a

door nam aan de vorige zin gekoppeld

 

 

docuerunt

< doceo (docēre), leren (=onderwijzen), tonen, uitzetten

Er mist een lijdend voorwerp in deze, en de volgende zin. Dat kunt je het beste in de vertaling aanvullen. Als je het weglaat (“hebben geleerd te bedriegen”), krijg je in het Nederlands namelijk het probleem dat er waarschijnlijk gelezen wordt dat ze zélf hebben geleerd te bedriegen. Als je het aanvult kun je dat algemeen doen (“anderen”) of specifiek (“hun vrienden”).

 

 

quidam

onb. vnw.

 

 

fallere

aanvullingsinfinitivus

 

dumVW timentindi pr pv falliinf pas ,

bijzin

temporele bijzin; dum is met een indicativus temporeel (terwijl, zolang) of verklarend omdat; hier past dat laatste beter[12] [67]

 

 

falli

aanvullingsinfinitivus; passief: bedrogen te worden

 

et illi1p ond ius4s n lijd peccandi2s gdium suspicandogdium feceruntpf pv.

hoofdzin b

nevengeschikt door et

 

ius fecerunt

< ius facere, het recht geven

 

 

ius peccandi

het recht om te zondigen; zondigen = gerundium (zelfstandig gebruikt werkwoord) in de genitivus (van = om te)

 

 

suspicando

door te wantrouwen; gerundium in de ablativus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quid est, quare ego ulla verba coram amico meo retraham? Quid est, quare me coram illo non putem solum?

 

Waarom zou ik enig woord achterhouden in het bijzijn van mijn vriend? Waarom zou ik bij hem niet denken dat ik in mijn eentje ben?

 

 

 

 

 

Quid1s n ond estpv

hoofdzin 1

Vragende hoofdzin; directe vraag

 

 

quid est quare …

wat is, waarom … ? = waarom …? 

 

 

quid

vrag. vnw.

 

quareBW egoond ulla verba4p  lijd coram amico5s ●● meo●● retrahamconi pv?

bijzin 1

Afhankelijke vraag als bijzin van de directe vraag; zo’n afhankelijke vraag gebruikt altijd een coniunctivus[13]; de bijzin fungeert als het naamwoordelijk deel van het gezegde van de hoofdzin [130]

 

 

verba

meervoud (woorden), maar wij zeggen zoiets in het Nederlands, zeker in combinatie met enig, in het enkelvoud

 

 

quare

waarom; adverbium correlativum

 

 

coram

heeft een ablativus bij zich

 

Quid1s n ond estpv

hoofdzin 2

Vragende hoofdzin; directe vraag

 

quareBW meACI coram illo5s non putemconi pv solum4s?

bijzin 2

zie hierboven bij bijzin 1

 

 

putem

Je kunt er op twee manieren naar kijken:

·     puto = denken; en dan meACI solum (esseACI) als ACI: denken dat ik (alleen) ben
Als je het zo ziet, is solum naamwoordelijk deel van het gezegde.

·     puto + dubbele accusativus = iets/iemand beschouwen als: mijzelf beschouwen als alleen

 

 

 

 

 

 

 

 

4

Quidam quae tantum amicis committenda sunt obviis narrant, et in quaslibet aures quidquid illos urit exonerant; quidam rursus etiam carissimorum conscientiam reformidant et, si possent, ne sibi quidem credituri interius premunt omne secretum.

 

Sommigen vertellen aan iedereen die ze tegen komen wat alleen aan vrienden toevertrouwd moet worden, en dumpen in welk oor dan ook alles wat hen dwars zit; anderen weer deinzen terug voor het medeweten van hun meest dierbaren en zijn, als het mogelijk zou zijn, niet eens van plan zichzelf te vertrouwen en verbergen elk geheim te diep.

 

 

 

 

 

Quidam1p ond

hoofdzin a

 

 

quae1p ond tantumBW amicis3p mew committenda1p gdivum suntpv

bijzin

betrekkelijke bijzin als lijdendvoorwerpszin; ingesloten antecedent: (sommigen vertellen) die dingen, die …= (sommigen vertellen) wat [112]

 

 

committenda

gerundivum van verplichting

 

obviis3p mew narrantpr pv,

hoofdzin vervolg

 

 

 

obviis

< obvius, tegemoet komend; bijvoeglijk naamwoord zelfstandig gebruikt: mensen die ze tegenkomen; iets vrijer vertaald (en zoals we dat in het Nederlands zeggen): iedereen die ze tegenkomen

 

et in quaslibet aures4p f 

hoofdzin b

nevengeschikt aan het eerste deel

 

quidquid4s ond illos4p lijd uritpr pv

bijzin

betrekkelijke bijzin als lijdendvoorwerpszin [11]

 

 

quidquid

quidquid = al(les) wat

In het Nederlands behoort “al(les)” bij de hoofdzin (exonerant) en “wat” is het betrekkelijk voornaamwoord van de bijzin.

 

exonerantpr pv;

hoofdzin  vervolg

 

 

 

exonerant

< exonero (exonerare), ontlasten; in combinatie met oren is dumpen wel een aardige vertaling; als je per se Nederlands wil schrijven, is het erg zoeken naar woorden; letterlijk staat er: zij ontlasten/lossen alles [wat …] in welke oren dan ook  

 

quidam1p ond rursusBW etiamBW carissimorum2p conscientiam4s lijd reformidantpr pv et,

hoofdzin a

 

 

quidam

sommigen; een tweede “sommigen” verwoorden we in het Nederlands met “anderen

 

 

carissimorum

< carissimus, superlativus; bijvoeglijk naamwoord zelfstandig gebruikt: zij die zeer dierbaar zijn

 

 

conscientiam

medeweten; letterlijk dus: dat je iets weet van een ander; in dit geval dat je zeer dierbaren iets van jou weten

 

si possentconi impf pv,

bijzin

korte bijzin; samen met de hoofdzin die volgt een voorwaardelijke zin (als … dan …); hier meer een tussenzinnetje dan een volwaardige voorwaardelijke zin. De coniunctivus duidt op een irrealis (“tegen-feitelijk”). Het imperfectum duidt op een irrealis in het heden.

 

(ne sibi3s quidem credituri1p pfa) interiusBW premuntpr pv omne secretum4s n lijd.

hoofdzin b

nevengeschikt

 

credituri

< crediturus, pfa van credo (credere), vertrouwen: zullende vertrouwen, of: van plan zijnde te vertrouwen; congrueert als nominativus meervoud met het onderwerp (zij) van het werkwoord;

credo (credere) heeft een dativus bij zich (hier: sibi)

 

 

ne … credituri

zichzelf niet eens van plan zijnde te vertrouwen = die niet eens van plan zijn zichzelf te vertrouwen = die zichzelf niet eens zouden vertrouwen; het gebruik van zouden is een puur Nederlands ding

 

 

interius

bijwoord, comparativus: “nogal van binnen”, inniger, “te innig

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Neutrum faciendum est; utrumque enim vitium est, et omnibus credere et nulli, sed alterum honestius dixerim vitium, alterum tutius.

 

Geen van tweeën moet gedaan worden; elk van beide immers is een fout, zowel iedereen geloven als niemand, maar ik zou kunnen zeggen dat de ene een eerzamer fout is en de andere een veiliger.

 

 

 

 

 

Neutrum4s n ond faciendumgdivum estpv;

hoofdzin a

korte hoofdzin

 

 

faciendum est

gerundivum van verplichting; merk op dat het een onzijdige vorm heeft vanwege neutrum

 

utrumque1s n ond enimBW vitium1s predn estpv,

hoofdzin b

 

 

 

utrumque

< utrimque, elk van twee, beide; -que is hier dus niet “en

 

 

vitium

naamw. deel van het gezegde

 

et omnibus3p credereinf et nulli3s,

bijstelling

bij utrumque

 

 

credere

infinitivus; het werkwoord is hier als zelfs. nw. gebruikt (“nominaal”) en als onderwerp (“iedereen geloven is een fout”); credo regeert een dativus

 

sed alterumACI honestius4s n  dixerimconi pf pv vitium4s n  predn, alterumACI tutius4s n .

hoofdzin c

Hoofdzin met twee ACI’s waarvan esse is weggelaten: laat ik zeggen, dat de ene … is en de ander … is

 

 

vitium

naamwoordelijk deel van het gezegde (esse); bij beide ACI’s

 

 

honestius, tutius

beide comparativi onzijdig, van de bijv. nw. honestus en tutus; congruerend met vitium, dus ook deel van het naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

honestius

< honestus, eerzaam, niet: eerlijk

 

 

dixerim

perfectum coniunctivus in een hoofdzin: coniunctivus potentialis van het heden[14]: ik zou kunnen zeggen

 

 

 

 

 

 

 

 

5

Sic utrosque reprehendas, et eos qui semper inquieti sunt, et eos qui semper quiescunt.

 

Zo moet je beide soorten mensen afkeuren, zowel hen die altijd onrustig zijn, als hen die altijd rustig zijn,

 

 

 

 

 

Sic utrosque4p lijd reprehendasconi pv,

hoofdzin

met een coniunctivus adhortativus en een dubbele, nevengeschikte (et … et …) bijstelling (bij utrosque)

 

 

utrosque

< utrumque, beide (van twee); loopt vooruit of de twee keer eos; pas als je bijzinnen leest die bij eos staan, weet je dat het over mensen gaat, meer specifiek: groepen mensen;

als utrosque over groepen mensen gaat, vertaal je beide en niet beiden;

utrosque is een meervoud omdat het zich richt naar eos[15]

 

et eos4p

bijstelling

bijstelling[16] bij utrosque

 

quiond semper inquietipredn suntpv,

bijzin 1

betrekkelijke bijzin met uitgedrukt antecedent bij de eerste eos; qui is het onderwerp van de bijzin ([1] variant [13])

 

et eos4p

bijstelling vervolg

 

 

quiond semper quiescuntpv.

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij de tweede eos ([1] variant [13])

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nam illa tumultu gaudens non est industria sed exagitatae mentis concursatio, et haec non est quies quae motum omnem molestiam iudicat, sed dissolutio et languor.

 

Want die eerstgenoemde soort, die van gekrakeel houdt, dat is geen ijverige inspanning maar het rondrennen van een opgejaagde geest, en die laatstgenoemde soort, die elke beweging als moeite kwalificeert, dat is geen rust maar slapheid en luiheid.

 

 

 

 

 

Nam illa1s f  tumultu5s m gaudensppa  non estpv industria1s f  predn sed exagitataeppp ●● mentis2s ●● concursatio1s f predn,

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen (… et …)

Deze zin beschrijft abstracte zaken met eigenschappen van personen (personificatie). In het Nederlands ben je misschien geneigd, vanwege gaudens, om de zin echt persoonlijk te maken: “Iemand die houdt van gekrakeel is niet ijverig maar heeft een onrustige geest …”. Maar dat staat er niet: de qualificaties (industria, concursatio, quies, …) zijn zelfstandige naamwoorden, geen bijvoeglijke naamwoorden. En ze zijn het onderwerp van de zin.

 

 

gaudens

ppa van gaudeo, zich verheugen; gaudeo + ablativus = zich verheugen over; bij niet levende zaken kun je houden van gebruiken, zoals in “een boom houdt van licht”

 

 

illa, haec (verderop)

< ille en hic

ille = dat, en hic = dit; “dat” is “ver weg” en “dit” is “dichtbij”; vandaar dat ille staat voor “het eerstgenoemde” en hic voor “het laatstgenoemde”.

 

 

illa

het grammaticaal onderwerp: illa est = het eerstgenoemde is

Illa verwijst inhoudelijk terug naar de eerste eos, een mannelijk meervoud. In het Latijn richt illa zich, zoals je ziet, echter naar industria, een vrouwelijk woord in het enkelvoud. In het Nederlands kan dat niet en moet je het meervoud overnemen van eos. En dat vereist dan een andere vertaling van industria en concursatio.

Letterlijk, met een enkelvoud en zich richtend naar industria en concursatio: “Want dat eerstegenoemde dat zich verheugt over gekrakeel, is geen ijverige inspanning maar […].

Hierboven is de letterlijke vertaling opgeschreven.

Beter aansluitend in het Nederlands bij eos (hen): “Want die eerste groep, die van gekrakeel houdt, is niet ijverig bezig, maar rent rond met een opgejaagde geest.

 

 

industria, concursatio

naamwoordelijk deel van het gezegde

 

et haec1s f  ond non estpv quies predn

hoofdzin

tweede deel van de hoofdzin

 

 

haec

Zie de uitleg hierboven bij illa.

Letterlijk: “en het laatstgenoemnde, dat elke beweging als moeite kwalificeert, is geen rust maar slapheid en luiheid”.

Beter aansluitend bij het tweede eos: “en die tweede groep, die elke beweging als moeite kwalilficeert, laat geen rust zien, maar slapheid en luiheid.

 

 

quies

naamwoordelijk deel van het gezegde

 

quae1s f ond motum4s  lijd omnem molestiam4s iudicatpr pv,

bijzin

betrekkelijke bijzin met antecedent haec ([1] variant [13])

 

 

iudicat

indicativus, dus de uitspraak wordt als een algemene waarheid geponeerd; met een dubbele accusativus: iets beoordelen als

 

sed dissolutio1s f et languor1s m.

dissolutio, languor

naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

languor

merk op dat haec (vrouwelijk) zich richt naar het eerste woord van de twee, dissolutio (ook vrouwelijk) en niet naar het tweede, languor (mannelijk)

 

 

 

 

 

 

 

 

6

Itaque hoc quod apud Pomponium legi animo mandabitur: 'quidam adeo in latebras refugerunt ut putent in turbido esse quidquid in luce est'.

 

Dus houd dit in gedachten, wat ik bij Pomponius heb gelezen: “Sommigen zijn zozeer in hun schuilplaatsen gevlucht, dat ze denken dat alles, wat in het licht is, in onrust is.

 

 

 

 

 

ItaqueBW hoc4s n ond

hoofdzin

 

 

 

hoc

verwijst vooruit naar het citaat van Pompenius

 

quod4s n lijd apud Pomponium4s legipf indi pv

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met uitgedrukt antecedent (hoc, quod = “dit, dat …”); quod is lijdend voorwerp in de bijzin ([1] variant [16])

 

animo3s mandabiturindi fut pas pv :

hoofdzin vervolg

 

 

 

mandabitur

een indicativus, futurum en passief: zal toevertrouwd worden [aan de geest]

In het Nederlands klinkt dat vreemd, een toekomende tijd op deze plek. Wij willen een gebiedende wijs zien, of iets met moeten. In het Latijn had je hier misschien wel een coniunctivus adhortativus verwacht.

 

 

animo mandabitur

animo mando = aan de geest toevertrouwen = inprenten

Als je toch iets met geest (animus) wilt vertalen, kun je in gedachten houden gebruiken

 

'quidam1p ond adeoBW in latebras4p refugeruntpf pv

hoofdzin vervolg

Dit deel van de hoofdzin is in de directe rede en is een bijstelling bij het eerdere hoc. Je zou kunnen vertalen: “Hou dit in gedachten, namelijk ‘sommigen vluchtten in hun schuilplaatsen ….’”. Maar houd wel de directe rede in stand. Dus zeg niet: “Hou dit in gedachten, namelijk dat sommigen in hun schuilplaatsen vluchtten …”.

 

 

adeo … ut …

zozeer … dat …

 

ut putentconi pv in turbido5s esseACI

bijzin 1

bijwoordelijke, consecutieve bijzin (van gevolg, zodat)

 

 

turbido

< turbidum, onrust; turbido is hier een zelfstandig naamwoord, niet een vorm van het bijvoeglijke naamwoord turbidus.

·     Hermaion[17] interpreteert esse als koppelwerkwoord; dan betekent de zin dat die dingen die je in het licht ziet onrustig zijn; in turbido is naamwoordelijk deel van het gezegde; de vertaling hierboven volgt deze interpretatie

·     Eisma interpreteert esse als zelfstandig werkwoord (zijn = bestaan) en vertaalt in turbido als “in het donker[18]; dan vertaal je “dat in het donker is (=bestaat) alles wat in het licht is (=bestaat)”.

 

 

esse

de “I” van een ACI; geen aanvullingsinfinitivus bij putent; de “A” wordt gevormd wordt door de bijzin met quidquid[19].

 

quidquidond in luce5s estpv'.

bijzin 2

bij bijzin 1; de zin is de subjectsaccusativus van die ACI [140]

 

 

quidquid

… al, wat …; in het Nederlands hoort “al” bij de hoofdzin (hier bij bijzin 1) en “wat” leidt de bijzin in (hier bijzin 2).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inter se ista miscenda sunt: et quiescenti agendum et agenti quiescendum est.

 

Deze zaken moeten gecombineerd worden: er moet zowel door een rustige mensen gehandeld worden als door bezige mensen gerust worden.

 

 

 

 

 

Inter se ista4p n  ond miscenda suntpv:

hoofdzin

hoofdzin met een gerundivum van verplichting

 

 

inter se miscenda

moeten onderling gemengd worden = moeten gecombineerd worden

 

 

illa

verwijst terug naar het voorgaande, maar in het voorgaande staat geen duidelijk grammaticaal antecedent

 

et quiescenti3s ppa agendumgdivum et agenti3s ppa quiescendumgdivum estpv.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen

 

quiescenti

< quiescens, “de rustende”; dativus auctoris (zie hieronder)

Het is een kwestie van interpretatie of je het werkwoord met rusten of met zich rustig gedragen vertaalt.

De vrijheid is in de bovenstaande vertaling genomen om de bedoeling met een meervoud te verwoorden.

 

 

agenti

< agens, “de handelende”; dativus auctoris (zie ook hieronder)

De vrijheid is in de bovenstaande vertaling genomen om de bedoeling met een meervoud te verwoorden.

 

 

agendum, quiesendum

-um: onpersoonlijk: er moet gehandeld/gerust worden; door wie staat in de dativus auctoris. Gerundivum van verplichting.

Je kunt passief vertalen (“er moet gehandeld worden door diegene die zich rustig gedraagt”), of actief (“hij die zich rustig gedraagt moet handelen”).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cum rerum natura delibera: illa dicet tibi et diem fecisse se et noctem. Vale.

 

Ga bij de natuur te rade: zij zal je zeggen dat zij zowel de dag als de nacht heeft gemaakt. Gegroet.

 

 

 

 

 

CumVZ rerum2p natura5s f deliberaimp pv:

hoofdzin

met een imperativus

 

 

cum natura

cum is hier het voorzetsel: met de natuur. Dus natura is geen nominativus of onderwerp.

 

 

cum … delibera

delibero cum = overleggen met; dus er staat letterlijk: overleg met de natuur; dat kun je zo vertalen, dan respecteer je de stijlfiguur (personificatie); of je vertaalt het iets minder expliciet: raadpleeg de natuur; of, als variant waar je toch een voorzetsel gebruikt: ga bij de natuur te rade

 

 

natura rerum

de natuur der dingen = de natuur

 

illa1s f ond dicetfut pv tibi3s mew et diem4s fecisseACI seACI et noctem4s.

hoofdzin

met een ACI

 

diem, noctem

objecten bij fecisse

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

2.1.2         Epistula 6

 

 

 

 

 

6.1

Intellego, Lucili, non emendari me tantum sed transfigurari; nec hoc promitto iam aut spero, nihil in me superesse quod mutandum sit.

 

Ik begrijp, Lucilius, dat ik niet alleen beter word, maar zelfs anders; en toch beloof ik je het volgende niet langer, of verwacht ik, dat er niets in mij over is dat veranderd moet worden.

 

 

 

 

1

Intellegopv, Luciliv, non emendariACI meACI tantum sed transfigurariACI;

hoofdzin 1

Hoofdzin met twee ACI’s met passieve infinitivi

 

 

Lucilli

Van een woord op -us is de vocativus normaal gesproken -ĕ: dominus, dominĕ. Maar bij woorden op -ǐus is de vocativus -ī.

 

 

non tantum … sed

niet alleen … maar; in het Nederlandse moeten we er “ook” er aan vastplakken

 

 

emendari

passieve infinitivus, verbeterd worden, (moreel) beter worden; hier dat laatste

 

 

transfigurari

passieve infinitivus, veranderd worden; een beetje losser vertaald: anders worden, een ander mens worden

 

nec hoc4s n lijd promittopv iam aut speropv, nihilACI in me4s superesseACI.

hoofdzin 2/3

Twee hoofdzinnen want twee persoonsvormen (promitto, spero). Maar ze delen de eropvolgende ACI (nihil superesse).

De ACI wordt als indirecte rede beschouwd.

 

 

nec

en niet; na een bevestigende zin zoals hier: maar niet, toch niet

 

 

hoc

verwijst vooruit naar de ACI (nihil … superesse); je kan het als voorlopig lijdend voorwerp zien

 

 

iam

met een ontkenning (hier: nec): niet langer, niet meer

 

 

nihil …

er staat er een komma voor nihil maar er begint geen bijzin; de ACI is deel van de hoofdzin, al vertalen wij de ACI natuurlijk wel als een bijzin; de ACI is in appositie met hoc

 

 

nihil

In het Latijn een zelfst. nw. (onzijdig; niet verbuigbaar; alleen nominativus en accusativus). In het Nederlands wordt “niets” als onbepaald voornaamwoord beschouwd.

 

quod1s n mutandumgdivum sitpv

bijzin

definiërence betrekkelijke bijzin bij de ACI; zo’n bijzin gebruikt een coniunctivus die dan als indicativus wordt vertaald [24]

Maar het is ook een bijzin van een ACI en een ACI wordt als indirecte rede beschouwd. Bijzinnen in de indirecte rede gebruiken altijd in een coniunctivus, die ook niet vertaald wordt [12]

 

 

quod

betrekkelijk vnw met nihil als antecedent; dus niet vragend om een indirecte vraag in te leiden (direct: “Wat moet veranderd worden?”)

 

 

[quod mutandum] sit

(wat veranderd) moet worden; “moet” volgt uit het gerundivum, niet omdat sit een coniunctivus is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quidni multa habeam quae debeant colligi, quae extenuari, quae attolli?

 

Waarom kan ik niet veel eigenschappen hebben die bijeengebracht moeten worden, die afgezwakt, die versterkt moeten worden?

 

 

 

 

 

Quidni multa4p n lijd habeamconi pv

hoofdzin

directe vraag met een coniunctivus potentialis (kunnen)

 

 

quidni

waarom niet; regeert een coniunctivus potentialis

 

 

multa

< multus, veel; verzelfstandigd: veel dingen/zaken

 

quaeond debeantconi pv colligiinf,

bijzin (3x)

drie specificerende betrekkelijke bijzinnen [24]

Daarom al zouden de bijzinnen een coniunctivus gebruiken. Maar het zijn ook bijzinnen bij een hoofdzin die zelf een coniunctivus gebruikt (attractie). En dan gebruikt de bijzin ook een coniunctivus.

 

 

debeant

wordt in de volgende bijzinnen niet herhaald

 

quaeond extenuariinf,

quae … (3x)

tricolon, anafora, asyndeton

 

quaeond attolliinf?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Et hoc ipsum argumentum est in melius translati animi, quod vitia sua quae adhuc ignorabat videt; quibusdam aegris gratulatio fit cum ipsi aegros se esse senserunt.

 

En het volgende is juist het bewijs van een geest die in iets beters veranderd is, namelijk dat die zijn eigen gebreken ziet die hij tot dan toe niet kende; een gelukwens komt sommige zieken toe, wanneer zij zelf gemerkt hebben dat zij ziek waren.

 

 

 

 

 

Et hoc1s n  ond ipsum argumentum1s predn estpv in melius4s n translati2s ppp  animi2s ,

hoofdzin

 

 

in melius

in melius, in iets beters; melius =  comparativus van bonus, accusativus onzijdig en dan zelfstandig gebruikt; voorzetselbepaling bij translati

 

 

translati

< translatus, ppp van transfero (transferre)

 

 

animi

bij argumentum

 

quodVW vitia4p n  lijd sua

bijzin 1

bijzin als onderwerpszin in appositie bij hoc [135]; de bijzin kun je als “vervanging” gebruiken voor hoc

 

 

quod

verklarend: namelijk dat, gezien het feit dat

Je kunt de zin ook vertalen met “[En] het feit dat een geest zijn eigen gebreken ziet, is een bewijs van …

Merk op dat quod geen onderwerp of lijdend voorwerp is van de bijzin. De bijzin is geen betrekkelijke bijzin.

 

quae4p n lijd adhuc ignorabatpv

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij vitia; met indicativus ([1] variant [16])

 

 

quae

antecent is vitia

 

videtindi pv;

bijzin 1 vervolg

 

 

 

videt

onderwerp slaat terug op animi

 

quibusdam aegris3p  gratulatioond fitindi pv

hoofdzin

 

 

 

fit

< facio (facere), maken, doen; de passieve vorm: het/hij/zij wordt gedaan/gemaakt

 

 

gratulatio fit

letterlijk: dankzegging wordt gedaan = dank komt toe

 

cum ipsiond aegros4p predn seACI esseACI senseruntindi pf pv.

bijzin

temporele bijwoordelijke bijzin met cum en indicativus [35 ]

 

 

cum

het voegwoord; met een indicativus: temporeel (wanneer) of iteratief (telkens wanneer)

 

 

se esse

ACI bij een werkwoord van zintuigelijke waarneming (senserunt)

 

 

aegros

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) bij se esse; het richt zich dan naar het onderwerp (se); dat staat in een ACI in de accusativus, dus vandaar dat aegros ook accusativus is.

 

 

 

 

 

 

 

 

6.2

Cuperem itaque tecum communicare tam subitam mutationem mei; tunc amicitiae nostrae certiorem fiduciam habere coepissem, illius verae quam non spes, non timor, non utilitatis suae cura divellit, illius cum qua homines moriuntur, pro qua moriuntur.

 

Ik had dus met jou willen spreken over mijn zo plotselinge verandering; dan zou ik een zekerder vertrouwen in onze vriendschap hebben kunnen krijgen, in zo’n echte die noch door hoop, nog door vrees, noch door eigenbelang verscheurd wordt, in zo een met welke mensen sterven, waarvóór ze sterven.

 

 

 

 

 

Cuperemconi impf pv itaque te5scum communicareinf tamBW subitam4s  mutationem4s f  mei2s;

hoofdzin

coniunctivus met een imperfectum in de hoofdzin: irrealis in het heden (zou, had)

 

 

communicare

aanvullingsinfinitivus

 

 

mutationem

object bij communicare (de verandering bespreken)

 

 

mei

genitivus van het bezittelijk voornaamwoord meus, mijn; genitivus obiectivus (net als in amor patris2s = de liefde voor de vader): de verandering “voor” mij = de verandering die mij overkomt;  we vertalen het simpelweg wel gewoon met mijn verandering

 

 

tam

bij subitam

 

tunc amicitiae2s  nostrae certiorem●● fiduciam4s ●● habereinf coepissemconi pqpf pv, illius verae

hoofdzin

gekoppeld met tunc aan de vorige hoofdzin; dan zou ik …; coepissem: irrealis van het heden

 

 

coepissem

< coepisse (infinitivus van het perfectum), begonnen te zijn;

[tunc] coepissem = [dan] zou ik begonnen zijn;

coepisse is “beginnen maar nog niet eindigen”

 

 

[fiduciam] habere coepissem

ik zou begonnen te zijn vertrouwen te hebben; dus hij heeft geen vertrouwen, want hij zou alleen maar beginnen vertrouwen te krijgen; maar hij is zelfs nog niet begonnen (coniunctivus irrealis); en dat laatste komt in de vertaling tot uitdrukking in “hebben kunnen krijgen

 

 

amicitae, illius verae

amicitiae is een genitivus vanwege fiducia (vertrouwen in);

dat geldt ook voor illius verae: [vertrouwen in] zo’n echte

 

 

illius verae

bijstelling bij amicitiae

 

 

fiduciam

object bij habere: vertrouwen te hebben; dus fiduciam habere is geen ACI, fiduciam is niet het onderwerp van habere.

 

quam4s f lijd non spesond, non timorond, non utilitatis2s ●● suae●● curaond divellitpr pv,

bijzin

betrekkelijke bijzin bij illius

 

quam

slaat terug op amicitiae, dus niet op fiduciam

Niet in verwarring raken omdat fidiciam en quam allebei een accusativus vrouwelijk zijn. Quam is in de bijzin een accusativus omdat het lijdend voorwerp is, maar dat wil niet zeggen dat het “congrueert” met fiduciam als “lijdend voorwerp” (object is het juiste woord) bij habere.

 

 

… spes, … timor, … cura

drie onderwerpen in een opsomming; tricolon

 

 

non, non, non

anafora, asyndeton

 

 

utilitatis suae cura

bezorgheid om zijn eigen voordeel = eigenbelang; genitivus obiectivus

 

 

quam [non] spes devellit

die de hoop [niet] verscheurt

In het Nederlands is het in zo’n formulering niet duidelijk wat het onderwerp en wat het lijdend voorwerp is (wat verscheurt wat?). Dat los je op door de zin in het Nederlands passief te maken.

 

illius2s 

hoofdzin vervolg

een tweede bijstelling bij amicitiae

 

 

ilius …, illius …

asyndeton

 

cumVZ qua5s f hominesond moriunturpr pv,

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij het tweede illius [17]

 

 

cum qua

cum is voorzetsel, qua is het betrekkelijk vnw van de bijzin: met dewelke = waarmee; qua slaat via illius terug op amicitae, vandaar de vrouwelijke vorm

 

pro qua5s f moriunturond.

bijzin 3

tweede betrekkelijke bijzin bij het tweede illius [17]

 

 

pro qua

qua is weer het betrekkelijk vnw van de bijzin: voor dewelke = waarvoor; qua slaat ook weer via illius terug op amicitae

 

 

 

 

 

 

 

 

6.3

Multos tibi dabo qui non amico sed amicitia caruerint: hoc non potest accidere cum animos in societatem honesta cupiendi par voluntas trahit. Quidni non possit? sciunt enim ipsos omnia habere communia, et quidem magis adversa.

 

ik kan je velen noemen die geen vriend hebben ontbeerd maar vriendschap; dat kan niet gebeuren wanneer een gelijke intentie mensen samenbrengt om eerzame dingen te wensen. Waarom kan dat niet? Ze weten immers dat juist zij alles gemeenschappelijk hebben, ook zeker de meer ongunstige zaken.

 

 

 

 

 

Multos4p m lijd tibi3s mew dabofut pv

hoofdzin

 

 

 

multos

< multi (velen) < multus, veel; multos dabo = ik zal veel mensen geven = ik zal veel namen van mensen geven = ik zal velen noemen; metonymia (concretum pro abstracto)

 

 

dabo

futurum: ik zal [je] geven; maar om het echt met “zullen” te vertalen, klinkt niet goed; met “kunnen” klinkt beter; misschien is de strekking zoiets als “ik zal je nog wel eens bij gelegenheid de namen noemen van hen die …”.

 

quiond non amico5s sed amicitia5s caruerintconi pf pv:

bijzin

betrekkelijke definiërende bijzin; daarom een een coniunctivus [25]

Zo’n definiërende bijzin herken je omdat het antecedent “ongedefinieerd” is. Multos, velen: ja, wie dan? Er zijn zoveel mensen… Nee, mensen die …

 

 

amico, amicitia

ablativus vanwege careo, missen

 

hoc4s n ond non potestpr pv accidereinf

hoofdzin

aansluiting met de vorige hoofdzin door hoc, dat

 

 

accidere

aanvullingsinfinitief

 

cumVW animos4p lijd (in societatem4s honesta4p n cupiendi2s gdium) par voluntasond  trahitpr pv.

bijzin

voegwoord cum met indicativus[20] [38]

 

voluntas

wil, verlangen, maar ook bedoeling, intentie; is een nominativus en het onderwerp

 

 

par

is een bijvoeglijk naamwoord; congrueert met voluntas

 

 

cupiendi

gerundium  constructie: [in societatem honesta] cupiendi  = [in een verbond] van [eervolle zaken] te wensen = […] om[…]  te wensen[21] 

Cupiendi hoort bij societatem (een verbond “met het doel” iets eervols te doen), niet bij animos (“mensen die iets eervols willen doen”).

 

 

honesta

object bij cupiendi

 

 

letterlijk

Letterlijk staat er: “wanneer een gelijke wil geesten trekt in een verbond om …

Dat moeten we in het Nederlands natuurlijk anders zeggen, bijvoorbeeld: “wanneer een gelijke intentie (=voluntas) mensen (=animos) samenbrengt (samen = societatem) om …

En dan: honesta cupiendi is letterlijk: “om eerzame zaken te willen”. Dat kun je vlotter zeggen met bijvoorbeeld: “het moreel goede na te streven[22]

 

Quidni non possitconi pv?

hoofdzin

met een coniunctivus deliberativus of potentialis[23]; de vertaling : waarom kan dit niet …?

 

sciuntpr pv enim ipsosACI omnia4p n  habereACI communia, etBW quidemBW magisBW adversa.

hoofdzin

met een ACI (zij weten dat …)

 

omnia

object bij habere

 

 

communia

predicatief vertalen: dus niet “dat zij alle gemeenschappelijke zaken hebben”, maar dat zij alle zaken gemeenschappelijk hebben

 

 

quidem

verklarend: namelijk

 

 

magis adversa

net als et en quidem is magis ook een bijwoord;

Je kunt magis op twee manieren verbinden

·     alleen bij adversa[24]: en zeker de meer ongunstige zaken
In dit geval lees je adversa als het bijvoeglijk naamwoord (adversus, ongunstig) is, en niet het zelfstandig naamwoord (adversum, tegenslag)[25]; als je het zo leest, moet je omnia weer bij adversa lezen. Je mag adversa natuurlijk wel met het zelfstandig naamwoord vertalen (ongunstige zaken = tegenslag), want dat loopt wat beter.

·     bij de hele zin: en wel het meest tegenspoed
Dan betrek je magis op habere communia[26].

 

 

et … adversa

bijstelling bij omnia[27]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Concipere animo non potes quantum momenti afferre mihi singulos dies videam.

 

Je kunt niet begrijpen hoeveel vooruitgang ik iedere dag mij zie brengen.

 

 

 

 

 

Concipereinf animo5s non potesindi pr pv

hoofdzin

 

 

 

concipere animo

met je verstand begrijpen = begrijpen

 

(quantum momenti2s) afferreACI mihi3s singulos4p  dies4p  ACI videamconi pv.

bijzin

Betrekkelijke bijzin met ingesloten antecendent (quantum momenti) dat object is van een ACI (adferre dies).

Hieronder staat de structuur uitgelegd. Je hoeft dat niet per se te begrijpen om de zin te kunnen vertalen omdat de Nederlandse volgorde, afgezien van de ACI, de Latijnse redelijk volgt.

Structuur

·     De kern van de bijzin is videam adferrreACI diesACI: “ik zie dat de dagen […] brengen”.

·     Quantum hoort niet bij videam, maar is object bij de ACI.

·     Je ziet dus niet “hoeveel”, je ziet “de dagen”. En de dagen brengen “quantum momenti”: “hoeveel vooruitgang ik zie de dagen brengen

·     Quantum is het relativum dat de bijzin aan de hoofdzin koppelt. Maar er staat geen antecedent in de hoofdzin; het is een bijzin met ingesloten antecedent.

·     Je kan het antecedent naar de hoofdzin brengt en dan wordt het iets als: “Je kunt de mate van voortgang niet begrijpen die ik iedere dag mij zie brengen.

·     De kern van de zin is overigens geen vraag[28] maar een mededeling of, dat past beter in de context, een uitroep: Hoeveel vooruitgang brengt elke dag mij! Iets vlotter geformuleerd in het Nederlands: Wat een vooruitgang brengt elke dag mij!

·     In een ACI geformuleerd, met video, maar nog wel als een zelfstandige zin, wordt het dan: “Video tantum momenti […] dies”: Ik zie dat elke dag mij zoveel vooruitgang brengt.

·     Nu is deze zin vervolgens afhankelijk gemaakt van concipere non potes (je kunt niet begrijpen, hoeveel …).

 

 

quantum

hier een zelfstandig naamwoord (hoe groot, hoeveel), hier als relativum gebruikt

 

 

dies adferre mihi

de dagen brengen mij

 

 

videam

coniunctivus obliquus vanwege de indirecte rede (die een gevolg is van de ACI).

 

 

 

 

 

 

 

 

6.4

'Mitte' inquis 'et nobis ista quae tam efficacia expertus es.'

 

“Stuur ons”, zeg je, “die zaken ook die jij als zo effectief ervaren hebt.”

 

 

 

 

 

'Mitteimp' inquispv 'etBW nobis3p mew ista4p n lijd

hoofdzin

directe rede

 

quae4p n lijd tam efficacia4p n expertus espv.'

bijzin

betrekkelijke bijzin met indicativus bij ista

 

 

expertus es

aangezien experior een deponens is, actief vertalen: jij hebt ervaren, en niet passief (“jij bent/was ervaren”)

 

 

efficacia

< efficax, efficacis, effectief; niet van efficacia, -ae, effectiviteit; predicatief vertalen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ego vero omnia in te cupio transfundere, et in hoc aliquid gaudeo discere, ut doceam; nec me ulla res delectabit, licet sit eximia et salutaris, quam mihi uni sciturus sum.

 

Ik wil echt al die zaken op jou overdragen, en hierin vind ik vreugde om (zelf) iets te leren, namelijk om (het weer een ander) te leren; en geen enkel ding, dat ik voor mij alleen te weten ga komen, zal mij boeien, ook al is het buitengewoon heilzaam.

 

 

 

 

 

Egoond vero omnia4p n lijd in te4s cupiopv transfundereinf,

hoofdzin 1

 

 

 

transfundere

aanvullingsinfinitivus

 

et in hoc5s n aliquid4s n gaudeopv discereinf,

hoofdzin 2

 

 

 

in hoc

in dit = om deze reden

 

 

aliquid

object bij discere

 

 

discere

aanvullingsinfinitivus

 

ut doceamconi pv;

bijzin

bijwoordelijke bijzin van doel met in de hoofdzin een correlatief (in hoc)[29] [52]

 

nec me4s lijd ulla res1s f  ond delectabitfut pv,

hoofdzin

 

 

licet sitconi pv eximia et salutaris,

bijzin 1

bijwoordelijke bijzin van toegeving (concessief) met coniunctivus [80]

 

 

eximia et salutaris

letterlijk te vertalen als twee losstaande eigenschappen: buitengewoon en heilzaam; maar op basis van de context en de betekenis van de woorden kun je ze ook interpreteren als één eigenschap: buitengewoon heilzaam

 

quam4s f lijd mihi3s  mew uni scituruspfa sumpv.

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij res [1, variant 16]

 

 

uni

de dativus van unus, alleen; mihi uni = voor mij alleen

 

 

sciturus sum

pfa; een pfa vertaal je vaak met van plan zijn om; dat kan hier, maar de letterlijk betekenis is ik ben zullende te weten, en dat kan hier ook prima.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Si cum hac exceptione detur sapientia, ut illam inclusam teneam nec enuntiem, reiciam: nullius boni sine socio iucunda possessio est.

 

Als wijsheid (mij) gegeven zou worden met dit voorbehoud, namelijk dat ik die (in mijzelf) opgesloten houd en niet uitspreek, zou ik die weigeren: het bezit van iets goeds is niet aangenaam zonder een maatje.

 

 

 

 

 

Si cumVZ hac exceptione5s f  deturconi pr pas pv sapientia1s f ond,

bijzin 1 “als”

voorwaardelijke zin van algemene aard met een potentialis van het heden met praesens coniunctivus [145]

Dit is de voorwaarde van de zin; werkwoord in de coniunctivus; coniunctivus in zowel hoofdzin als bijzin; vertalen met “zou”

 

 

cum exceptione

Door de woorden “met dit voorbehoud […] dat” wordt de inhoud van de voorwaarde van deze si-zin doorgeschoven naar de ut-bijzin.

 

ut illam4s f lijd inclusamppp 4s f teneamconi pr pv nec enuntiemconi pr pv,

bijzin 2

bij de voorwaarde (bijzin 1) – finale bijwoordelijke bijzin: de wijsheid wordt gegeven om voor zichzelf gehouden te worden

 

 

illam

vrouwelijk vanwege exceptione

 

 

inclusam

< inclusus, ppp van includo (includere), opsluiten; niet bijvoeglijk, want waarbij dan? niet bij illam want dat is een voornaamwoord en geen zelfstandig naamwoord; hier predicatief gebruikt: “ik houd die (als) opgesloten”;

vrouwelijk vanwege exceptione

 

 

nec

en niet; er staat niet nec … nec (noch … noch), en je kan ook niet noch vertalen

 

reiciamconi pr pv:

hoofdzin – “dan”

de conclusie van de voorwaardelijke zin

 

 

reiciam

grammaticaal kan dit zowel een futurum als een coniunctivus zijn; maar de gebruikte constructie in deze voorwaardelijk zin (“algemeen minder levendig”) is met zowel een coniunctivus in de hoofd- als bijzin.

 

nullius boni2s  sine socio5s iucunda●● predn possessioond ●● estpv.

hoofdzin

 

 

 

nullius boni […]

niets goeds [is aangenaam]; het Nederlands loopt wat vlotter als je de ontkenning naar iucunda verplaatst: iets goed […] is niet aangenaam

 

 

iucunda

predicatief: het bezit is [niet] aangenaam; de niet “het aangename bezit

 

 

 

 

 

 

 

 

6.5

Mittam itaque ipsos tibi libros, et ne multum operae impendas dum passim profutura sectaris, imponam notas, ut ad ipsa protinus quae probo et miror accedas.

 

Ik zal je dus de boeken zelf sturen, en opdat je niet veel moeite besteedt terwijl je overal jaagt op de nuttige zaken, zal ik aantekeningen plaatsen, zodat je meteen tot die zaken toegang hebt die ik goed vind en bewonder.

 

 

 

 

 

Mittamfut pv itaque ipsos tibi3s mew libros4p lijd, et

hoofdzin a

Hoofdzin met twee nevengeschikte delen verbonden door et.

 

 

mittam

kan een futurum of een coniunctivus zijn; met een ik-vorm ontlopen de betekenissen “ik zal” (futurum) en “laat ik” (coniunctivus adhortativus) elkaar nauwelijks. Gezien de context – Lucilius moet met de boeken aan de slag – is kennelijk het futurum bedoeld: Seneca zal de boeken echt sturen.

 

ne multum4s n lijd operae2s impendasconi pv

bijzin 1

vooropgeplaatste bijwoordelijke bijzin, ontkennend en finaal, bij het tweede gedeelte van de zin (imponam …) [54]

 

 

operae

< opera; genitivus partitivus: multum operae = “veel van werk” = veel werk

 

 

impendas

coniunctivus; een futurum zou impendes zijn

 

dum passim profutura4p n lijd sectarisindi pr pas pv  ,

bijzin 2

bij bijzin 1; zuiver temporele bijzin in de indicativus met dum (zolang)  [48]

 

 

profutura sectaris

Seneca bedoelt “terwijl je in de boeken zelf op zoek moet gaan naar de nuttige passages”

 

 

sectaris

< sector (sectari), een deponens

 

imponamfut pv notas4p lijd,

hoofdzin b

 

 

ut ad ipsa4p n protinusBW accedasconi pv

bijzin

consecutieve bijwoordelijke bijzin met ut (zodat) [70]

 

 

ipsa

slaat terug op profutura en daarom onzijdig meervoud

 

quae4p n lijd proboindi pr pv et mirorindi pr pv.

bijzin

betrekkelijke bijzin bij ipsa [1, variant 16]

Eigenlijk twee bijzinnen: “quae probo et quae mirror”. De tweede is verkort door het betrekkelijk voornaamwoord weg te laten.

 

 

mirror

een deponens

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plus tamen tibi et viva vox et convictus quam oratio proderit; in rem praesentem venias oportet, primum quia homines amplius oculis quam auribus credunt, deinde quia longum iter est per praecepta, breve et efficax per exempla.

 

Meer toch zal voor jou een echt gesprek en een hapje eten nuttig zijn dan deze redevoering; je moet naar de plek waar het gebeurt komen, allereerst omdat mensen meer hun ogen geloven dan hun oren, en dan ook omdat de weg via de regels een lange is, (maar) kort en doelmatig via voorbeelden.

 

 

 

 

 

PlusBW tamen tibi3s mew et (viva vox1s f  ond) et convictus1s ond quamBW oratio1s proderitfut pv;

hoofdzin

 

 

plus

kan de comparativus zijn van het zelfstandig naamwoord multum of de comparativus van het bijwoord multum; hier het laatste

 

 

viva vox

“een levend woord/gesprek” = een gesprek met een levend mens = een persoonlijk/echt gesprek; personificatie

 

 

quam

quam + comparativus = dan; quam is hier een bijwoord, geen betrekkelijk voornaamwoord

 

 

proderit

= prod-erit; van prodsum (prodesse), nuttig zijn; niet van prodeo (=prod-eo, tevoorschijn komen, vervoegd als eo, gaan); en ook niet van prodo (prodere), tevoorschijn halen, verraden

 

in rem4s praesentem veniasconi pv

bijzin 

vooropgeplaatste onderwerpszin

·     […] venias opertet is strikt genomen een combinatie van hoofdzin (opertet) en bijzin ([…] venias); er zijn immers twee persoonsvormen;

·     in het Nederlands maken we van “het behoort dat je komt” één hoofdzin van met een aanvullingsinfinitief: je behoort te komen = je moet komen

·     de vorm van de bijzin is een onderwerpszin; de hele bijzin fungeert als het onderwerp van oportet “dat-jij-komt behoort”. [121]

 

 

in rem praesentem

een uitdrukking: naar de plek (=rem) die “huidig” (=praesentem) is = naar de plek waar het gebeurt

praesentem < praesens = bijv. nw.

 

oportetindi pr pv,

hoofdzin

oportet vertalen we in het Nederlands onpersoonlijk: het behoort [dat];

 

primumBW quia homines1p ond amplius oculis3p quam auribus3p creduntindi pv,

bijzin 1

causale bijwoordelijke bijzin bij oportet met een indicativus (een feit, althans volgens de schrijver) [121]

 

 

oculis, auribus

de dativi worden geregeerd door credunt

 

deinde quia longum1s n iter1s n ond estpv per praecepta4p n,

bijzin 2a

tweede causale bijzin die uit twee delen bestaat; hier het eerste deel

 

longum

het lijkt misschien een accusativus en lijdend voorwerp, maar het is een predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) en daarom, net als iter, een nominativus

 

 

praecepta

accusativus vanwege per

 

breve1s n et efficax1s n per exempla4p n.

bijzin 2b

verkorte bijzin door weglating van de persoonsvorm

 

 

longum, breve, efficax

Hier zie je mooi de verschillende mogelijkheden om een bijvoeglijk naamwoord te verbuigen; het ijn alle drie nominativi enkelvoud congruerend met iter (nominativus enkelvoud onzijdig):

·     longum < longus/-a/-um: groep 1-2

·     breve < brevis: groep 3 met 2 uitgangen

·     efficax: groep 3 met 1 uitgang

 

 

 

 

 

 

 

 

6.6

Zenonem Cleanthes non expressisset, si tantummodo audisset: vitae eius interfuit, secreta perspexit, observavit illum, an ex formula sua viveret.

 

Cleanthes zou geen tweede Zeno hebben kunnen zijn als hij slechts naar hem geluisterd had: hij nam deel aan zijn leven, doorgrondde zijn innigste gedachten, nam hem waar, of hij volgens zijn eigen voorschrift leefde. 

 

 

 

 

 

Zenonem4s lijd Cleanthes1s ond non expressissetconi pqpf pv,

hoofdzin “dan”

Voorwaardelijke zin en dit is de conclusie. Het is een irrealis in het verleden omdat een plusquamperfectum is gebruikt. Vertalen  met zou hebben kunnen. [147]

 

 

expressisset

< exprimo, uitdrukken, weergeven, imiteren; gewoon “weergeven” of “imiteren” is te plat; “in Zeno’s voetstappen treden” of “een tweede Zeno zijn” geeft het beter weer.

 

si tantummodo audissetconi pqpf pv:

bijzin “als”

Voorwaardelijke zin en dit is de voorwaarde; ook met een plusquamperfectum.

 

vitae3s eius interfuitpf pv,

hoofdzin a

een opsomming van drie korte zinnetjes; in het Nederlands zouden ze één hoofdzin vormen met 3 nevengeschikte delen;

 

 

eius

zijn = Zeno

 

 

interfuit

onderwerp (hij) is Cleanthes; intersum regeert een dativus

 

secreta4p n perspexitpf pv,

hoofdzin b

 

 

observavitpf pv illum4s lijd,

hoofdzin c

 

 

 

illum

hem = Zeno

 

an ex formula5s  sua viveretconi impf pv.

bijzin

bij het derde deel; een indirecte vraag in de indirecte rede[30]; de bijzin is in appositie met illum [114]; als illum niet in de hoofdzin had gestaan, had de bijzin als lijdend voorwerp gefungeerd omdat je ‘m door een (verzonnen) lijdend voorwerp kan vervangen: “hij observeerde zijn levenswijze”.

·     Het werkwoord observo (observare), waarnemen, is een verbum sententiendi en wat er waargenomen wordt, is dan in het Latijn (niet in het Nederlands!) indirecte rede.

·     Dat het een vraag is, volgt meer uit de interpretatie van de woorden dan uit de woorden zelf[31]. Observeren is immers niet vragen. Ook in het Nederlands moet je eigenlijk wat toevoegen om de vraag in te leiden, bijvoorbeeld: “Hij observeerde hem en vroeg zich af, of hij volgens zijn eigen regels leefde.

 

 

an

in een enkelvoudige afhankelijke vraag: of niet; er wordt dan een bevestigend antwoord verwacht (haud scio, an erres = ik weet niet of je je niet vergist = ik denk dat je je vergist); maar in deze zin klinkt “niet” vreemd: “(hij vroeg zich af) of hij niet volgens zijn eigen regels leefde”. We zullen in het Nederlands het woord “niet” weg moet laten, of juist “wel” gebruiken: an viveret […] = of hij wel leefde […]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Platon et Aristoteles et omnis in diversum itura sapientium turba plus ex moribus quam ex verbis Socratis traxit;

 

Plato en Aristoteles en elke groep filosofen die in verschillende richtingen zouden gaan, ontleenden meer uit de gedragingen dan uit de woorden van Socrates.

 

 

 

 

 

Platonond et Aristotelesond et omnis in diversum4s iturapfa  sapientium2p turba1s f  ond plus ex moribus5p quam ex verbis5p Socratis2s traxitpf pv;

hoofdzin

een hoofdzin met drie onderwerpen gescheiden door et (polysyndeton)

 

omnis

bij turba: elke groep

 

 

sapientium turba

een groep van filosofen = een groep filosofen

 

 

itura

< iturus, pfa van eo (ire), gaan = te zullen gaan; attributief bij turba: een groep die is te zullen gaan; omdat een pfa qua tijd relatief maar natijdig is aan de persoonsvorm, is het wel een toekomende tijd maar, door het perfectum van traxit, in het verleden: een groep die was te zullen gaan = een groep die zou gaan

 

 

in diversum

bepaling bij itura

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Metrodorum et Hermarchum et Polyaenum magnos viros non schola Epicuri sed contubernium fecit.

 

Methrodorus en Hermarchus en Polyaenum werden niet tot grote mannen gemaakt door het onderwijs van Epicurus maar door (met hem) samen te leven.

 

 

 

 

 

Metrodorumlijd et Hermarchumlijd et Polyaenumlijd magnos viros4p m  non (schola1s ond Epicuri2s sed contubernium1s ond) fecitpf pv.

hoofdzin

een hoofdzin met drie lijdend voorwerpen gescheiden door et (polysyndeton) en één onderwerp (non schola … contubernium)

 

 

fecit

actief; de zin loopt wat beter in het Nederlands en je respecteert dan ook de Latijnse vorm met de opsomming aan het begin, als je ‘m omzet naar passief

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nec in hoc te accerso tantum, ut proficias, sed ut prosis; plurimum enim alter alteri conferemus.

 

Ik haal je hiernaartoe niet alleen zodat jij je kan verbeteren, maar (ook) om (zelf) nuttig te zijn: wij zullen elkaar immers veel te bieden hebben.

 

 

 

 

 

Nec in hoc4s n te4s lijd accersopr pv tantumBW,

hoofdzin

De zinsconstructie hier is “niet alleen (= nec tantum) om …, maar (= sed) (ook) om …”.

 

 

in hoc

hoc op zich kan hierheen betekenen en dan is het een bijwoord; met “in” ervoor is het weer gewoon een aanwijzend voornaamwoord en moet je bijvoorbeeld “locum” erbij denken: naar deze plek = naar hier = hierheen

 

 

accerso

= accesso, ontbieden

 

ut proficiasconi pv,

bijzin 1

finale bijwoordelijke bijzin: ut = opdat, om te [52]

De zin loopt iets beter als je zodat vertaalt; maar het blijft wel een bijzin van doel en daarom is kan toegevoegd

 

sed ut prosisconi pv;

bijzin 2

finale bijwoordelijke bijzin [52]

 

 

prosis

< prosum (proesse), nuttig zijn

 

plurimum4s n lijd enim alterond alteri3s conferemusfut pr..

hoofdzin

 

 

 

plurimum

zeer veel; in het Latijn een zelfstandig naamwoord, in het Nederlands een onbepaald hoofdtelwoord

 

 

alteri

confero heeft een dativus = aanbieden aan, besteden aan

 

 

feremus

let op: futurum; het praesens is ferimus

 

 

alter alteri

de een aan de ander; als combinatie “elkaar” wordt het kennelijk als meervoud opgevat gezien de 1e persoon meervoud (wij) van conferemus; “alter alteri conferet” had ook gekund: de een zal bijdragen aan de ander; voor de vertaling maakt dat verder niets uit

 

 

 

 

 

 

 

 

6.7

Interim quoniam diurnam tibi mercedulam debeo, quid me hodie apud Hecatonem delectaverit dicam.

 

Aangezien ik je intussen je dagelijkse bijdrage verschuldigd ben, zal ik je vertellen wat mij vandaag bij Hecaton plezierde.

 

 

 

 

 

Interim quoniam diurnam tibi3s mew mercedulam4s  lijd debeopr pv,

bijzin 1

vooropgestelde causale bijzin met quoniam [66]

De hoofdzin is het enkele woordje dicam aan het einde van de zin.

 

quid1s n ond me4s lijd hodie apud Hecatonem4s delectaveritconi pf pv

bijzin 2

Tweede bijzin. Lijdend voorwerpzin  met een indirecte vraag bij dicam: “ik zal je zeggen wat …”. [110]

·     Ook deze bijzin is vooropgesteld.

·     Deze wat-zin vormt het lijdend voorwerp voor dicam.

·     De directe vraag zou zijn: “Wat heeft mij vandaag vermaakt?”

·     Een indirecte vraag is altijd ook meteen indirecte rede.

 

dicamfut.pv.

hoofdzin

hele korte hoofdzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Quaeris' inquit 'quid profecerim? amicus esse mihi coepi.' Multum profecit: numquam erit solus. Scito esse hunc amicum omnibus. Vale.

 

“Je vraagt”, zegt hij, “welke voortgang ik heb gemaakt. Ik ben begonnen om een vriend voor mijzelf te zijn.” Veel voortgang heeft hij gemaakt: nooit zal hij alleen zijn. Weet dat hij een vriend is voor iedereen. Vaarwel.

 

 

 

 

 

'[…]' inquitpf pv […]'

hoofdzin kern

hoofdzin met directe rede (DR): hij zegt: […]

 

Quaerispr pv […]

DR: hoofdzin 1

deel van de hoofdzin met de directe rede

 

quid4s n lijd profecerimpf coni pv?

DR: bijzin

lijdend voorwerpzin met een indirecte vraag [110]

De coniunctivus wordt gebruikt vanwege de indirecte vraag.

Direct: “Wat heb ik tot stand gebracht?”

 

 

quid

lijdend voorwerp van profecerim; als je proficio met “vorderingen maken” vertaalt, kan daar in het Nederlands geen lijdend voorwerp bij; dan moet je quid attributief vertalen; als je met “tot stand brengen” vertaalt, kan je quid wel als lijdend voorwerp vertalen: wat ik tot stand gebracht heb

 

amicus1s esseinf mihi3s mew coepipf pv’.

DR: hoofdzin 2

 

 

 

amicus esse

geen ACI (amicus is nominativus) of NCI (amicus esse is geen onderwerp van coepi)

 

 

esse

aanvullingsinfinitivus bij coepi

 

 

amicus

predicatief bij esse en fungeert ook als onderwerp/bijstelling bij coepi: “ik ben begonnen als een vriend [voor mezelf] te zijn[32]

 

Multum4s n lijd profecitpf pv:

hoofdzin

Terug naar de woorden van Seneca zelf. Hij = Hecaton

 

 

multum

lijdend voorwerp; in het Nederlands wordt het een bijvoeglijk naamwoord[33] bij voortgang

 

numquam eritfut pv solus1s predn.

hoofdzin

 

 

 

solus

bijvoeglijk naamwooord als predicaatsnomen

 

Scitoimp esseACI huncACI amicum4s  omnibus3p mew.

hoofdzin

 

 

 

scito

gebiedende wijs meervoud

 

 

esse hunc

een ACI: weet dat hij is; wat is hij? antwoord: een vriend

 

 

amicum

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)

 

Vale.

hoofdzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

2.1.3         Epistula 9

 

 

 

 

 

9.3

Hoc inter nos et illos interest: noster sapiens vincit quidem incommodum omne sed sentit, illorum ne sentit quidem.

 

Dit is het verschil tussen ons en hen: onze wijze overwint weliswaar elk ongemak, maar hij voelt het (wel); een van hen voelt het zelfs niet.

 

 

 

 

 

Hoc1s n ond inter nos4p et illos4p interestpv:

hoofdzin

 

 

noster sapiens1s  ond vincitpr pv quidem incommodum4s n ●● omne●● sed sentitpr pv, illorum ne sentitpv quidem.

hoofdzin

bestaat uit twee nevengeschikte delen met twee persoonsvormen (vincit, sentit) in het eerste deel, en één persoonsvorm (sentit) in het tweede deel;

opsomming zonder voegwoorden: asyndeton

 

 

illorum

bedoeld is sapiens illorum, een wijze van hen, in tegenstelling tot noster sapiens, onze wijze

 

 

ne … quidem

zelfs niet, helemaal niet; als je in het Nederlands de versterking zelfs of helemaal toevoegt, klopt de logica van de zin niet meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Illud nobis et illis commune est, sapientem se ipso esse contentum.

 

Het volgende delen wij en die anderen, dat de wijze aan zichzelf genoeg heeft.

 

 

 

 

 

Illud1s n ond nobis5p et illis5p commune1s n estpv, sapientemACI se5s ipso5s esseACI contentum4s.

hoofdzin

Eenvoudige structuur van de hoofdzin (“Dit is gemeenschappelijk.”), maar wel met een appositie er aan toegevoegd in de vorm van een ACI (sapientem … contentum).

·     Een ACI is geen bijzin, maar er had in het Latijn best een bijzin kunnen staan, bijvoorbeeld: “illud .. est, quod sapiens se ipso contentus est”

·     De komma voor sapientem betekent dus niet, zoals zo vaak, dat er een bijzin begint.

 

 

sapientem … contentum

Een bijstelling bij illud

 

 

contentum

< contentus, tevreden; bijvoeglijk naamwoord; +ablativus = met

·     contentus kan ook “genoeg hebben aan” betekenen, en dat is hier de filosofische betekenis; in het Nederlands hebben we voor “genoeg hebben aan jezelf“ het woord zelfgenoegzaam

·     contentum is predicatief: de wijze is zelfgenoegzaam (aan zichzelf)

·     contentum is hier niet het ppp van het deponens contineor (zich beperken tot); dan zou esse contentum (los van de woordvolgorde) te hebben beperkt (tot zichzelf) betekenen en een verleden tijd past niet in de context

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sed tamen et amicum habere vult et vicinum et contubernalem, quamvis sibi ipse sufficiat.

 

Maar toch wil hij en een vriend hebben, en een buurman en een maatje, ook al heeft hij genoeg aan zichzelf.

 

 

 

 

 

Sed tamen et amicum4s lijd habereinf vultpr pv et vicinum4s lijd et contubernalem4s lijd,

hoofdzin

 

 

 

et … et … et …

polysyndeton

 

quamvisVW sibi3s mew ipse1s ond sufficiatconi pv.

bijzin

concessieve bijwoordelijke bijzin met quamvis (ofschoon) [79]

 

 

 

 

 

 

 

 

9.4

Vide quam sit se contentus: aliquando sui parte contentus est.

 

Kijk hoezeer hij aan zichzelf genoeg heeft: soms heeft hij genoeg aan een deel van hemzelf.

 

 

 

 

 

Videimp

hoofdzin

met een imperativus

 

quamBW sitconi se5s contentus1s predn:

bijzin

een indirecte vraag in de vorm van een uitroep: quam = hoezeer [110]; direct zou het zijn: “Hoezeer heeft hij genoeg aan zichzelf!” = Wat is hij zelfgenoegzaam!

De bijzin fungeert als lijdend voorwerp voor de hoofdzin.

 

 

quam

een bijwoord, en niet het vrouwelijk betrekkelijk voornaamwoord in een accusativus (die, dat)

 

aliquando sui2s parte5s contentus1s predn estpv.

hoofdzin

 

 

 

sui

< suus, zijn, een bezittelijk voornaamwoord; het bezittelijk voornaamwoord wordt in de genitivus gebruikt als persoonlijk voornaamwoord: “zijn (eigen) [deel]” betekent dan “[een deel] van hem(zelf)”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Si illi manum aut morbus aut hostis exciderit, si quis oculum vel oculos casus excusserit, reliquiae illi suae satisfacient et erit imminuto corpore et amputato tam laetus quam integro fuit;

 

Als ofwel een ziekte ofwel een vijand hem een hand afhakt, als een of ander ongeval een oog, of (beide) ogen uitrukt, zal voor hem wat hij overhoudt voldoende zijn en zal hij met zijn   aangetaste en verminkte lichaam zo blij zijn als hij met zijn ongeschonden lichaam was.

 

 

 

 

 

Si illi3s mew manum4s lijd aut morbus1s ond aut hostis1s ond excideritfex,

bijzin 1 - “als”

Vooropgeplaatste voorwaarde van een voorwaardelijke zin. Er komt in de volgende bijzin nog een voorwaarde (excusserit) en dan de conclusie die ook uit twee delen bestaat (satisfacient, fuit).

Je kunt de “als-dan”-structuur van de zin waarschijnlijk vertalen zonder die structuur helemaal te analyseren, zoals dat hieronder gebeurt, omdat in het Nederlands de structuur precies hetzelfde is als in het Latijn.

·     Beide delen, de voorwaarde en de conclusie, gebruiken een indicativus, in de voorwaarde een futurum exactum en in de conclusie een gewoon futurum. [150]

·     In de voorwaarde zouden de werkwoordsvormen grammaticaal ook een coniunctivus kunnen zijn. In de conclusie zijn het futuri. Maar de combinatie coniunctivus in de voorwaarde en futurum in de conclusie komt niet voor.

·     In het Nederlands gebruiken we de toekomstige tijd alleen in de conclusie: “als een vijand hem een hand afgehakt zal hebben” > als een vijand hem een hand afhakt

 

si quis ond oculum4s lijd vel oculos4s lijd casus1s m  excusseritfex,

bijzin 2 - “als”

tweede voorwaarde

 

 

si … si …

opsomming zonder voegwoorden en met hetzelfde woord: asyndeton en anafora

 

 

quis

= aliquis; bijvoeglijk gebruikt bij casus: een of andere ongeval

 

reliquiae1p f  ond illi3s suae satisfacientindi fut pv

hoofdzin – “dan”

de eerste conclusie van de voorwaardelijke zin

 

 

reliquae suae

meervoud: “zijn overblijfselen”, maar dat klinkt alsof de wijze overleden is. Dan kun je er een bijzinnetje van maken: “… , wat …”. Dan kun je er ook voor kiezen om een enkelvoud te vertalen, wat in het Nederlands immers de betekenis van een meervoud heeft.

 

 

satisfacient

< satisfacio (satisfacere): heeft een dativus bij zich (hier: illi)

 

et eritindi fut imminuto corpore5s  et amputato tam laetus

hoofdzin – “dan”

tweede conclusie

·     Hier heeft deze conclusie twee nevengeschikte delen (et … et …) waarbij in het tweede deel de persoonsvorm (erit) niet herhaald is.

·     Dat tweede deel heeft een bijzin van vergelijking (quam …). De tam- en quam-delen vormen een vergelijking (zo … als …)[34].

 

quamBW integro5s fuitpf;

bijzin

bijwoordelijke bijzin van vergelijking (beperkend; met een indicativus); bij het tweede deel (tam laetus) van de vorige hoofdzin [90 ]

 

 

tam … quam …

zo … als … ; (tam)quam is hier een bijwoord; gebruikt in een vergelijking (zoals; hier gesplitst: zo … als …)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sed quae sibi desunt non desiderat, non deesse mavult.

 

maar hij mist (de ledematen) die hem ontbreken niet, hij wil (toch) liever dat ze niet ontbreken.

 

 

 

 

 

sed

hoofdzin 1

eerste van twee hoofdzinnen; sed, maar, koppelt deze, eerste hoofdzin aan de vorige zin

 

quaeond sibi3s mew desuntpr pv

bijzin

betrekkelijke bijzin met weggelaten antecedent (quae = ea, quae = die dingen, die) [1, variant 16]

 

non desideratpr pv,

hoofdzin 1 vervolg

 

 

non deesseACI mavultpr pv.

hoofdzin 2

hoofdzin met verkorte ACI (de “A” ontbreekt)

Het is geen aanvullingsinfinitivus want het onderwerp van mavult (“de wijze”) is niet de handelende persoon van deesse. De wijze wil niet ontbreken, de wijze wil liever niet dat er ledematen ontbreken.

 

 

 

 

 

 

 

 

9.5

Ita sapiens se contentus est, non ut velit esse sine amico sed ut possit;

 

De wijze is op die manier zelfgenoegzaam, dat hij niet zonder vriend wil zijn, maar dat wel kan zijn;

 

 

 

 

 

Ita sapiensond se5s contentus1s estpv, non

hoofdzin

een hoofdzin met twee nevengeschikte bijzinnen

 

 

non … sed …

Bedenk dat non niet bij de bijzin hoort, maar, samen met sed, bij de hoofdzin.

·     Een ontkennende bijzin – die heel wat anders betekent dan wat er nu staat - zou ne in plaats van non hebben gebruikt: “met het doel niet zonder vrienden te kunnen zijn”.

 

ut velitconi pv esseinf sine amico5s

bijzin 1

finale bijwoordelijke bijzin; ut = opdat = met het doel [51]

 

 

esse

aanvullingsinfinitief

 

sed

hoofdzin vervolg

 

 

ut possitconi pv;

bijzin 2

verkorte bijzin: “esse sine amico” is niet herhaald [51]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

et hoc quod dico 'possit' tale est: amissum aequo animo fert.

 

en dat, wat ik “hij kan” noem, is van deze aard: het verlies (van een vriend) accepteert hij met een kalm gemoed.

 

 

 

 

 

et hoc1s n ond

hoofdzin

 

 

quod dicopr pv 'possit'4s n lijd

bijzin

betrekkelijke bijzin met antecedent [1, variant 16]

 

 

possit

is hier niet een werkwoordsvorm, maar fungeert als zelfstandig naamwoord en lijdend voorwerp.

 

tale1s n estpv:

hoofdzin vervolg

 

 

 

tale

< talis, een bijvoeglijk naamwoord in het Latijn[35], zodanig;

 

amissumppp 4s aequo animo5s  fertpv.

hoofdzin

 

 

 

amissum

= (amicum) amissum = de verloren vriend

Amissum dominant vertalen. Je draagt het verlies van een verloren vriend kalm, niet de verloren vriend zelf.

 

 

aequo animo ferre

met een kalm gemoed dragen = rustig opnemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sine amico quidem numquam erit: in sua potestate habet quam cito reparet.

 

Zonder vriend zal hij echter nooit zijn: het heeft het in eigen hand, hoe snel hij (er weer een) vindt.

 

 

 

 

 

Sine amico5s quidem numquam eritfut pv:

hoofdzin

 

 

in sua potestate5s  habetpr pv

hoofdzin

 

 

quamBW citoBW reparetconi pr pv.

bijzin

lijdendvoorwerpszin met een indirecte vraag [110]

De directe vraag zou zijn “Quam cito [novum amicum] reparo?” (“Hoe snel vind ik [een nieuwe vriend]?”)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quomodo si perdiderit Phidias statuam protinus alteram faciet, sic hic faciendarum amicitiarum artifex substituet alium in locum amissi.

 

Zoals, als Phidias een beeld stuk maakt, hij onmiddellijk een ander zal maken, zo stelt deze “kunstenaar van het vrienden maken” een ander in de plaats van de verloren vriend.

 

 

 

 

 

Quomodo

bijzin 1

vooropgeplaatste bijwoordelijke bijzin van vergelijking (beperkend) [90]

·     De hoofdzin heeft een begeleidend sic: quomodo … sic … = op welke manier …, zo (= op die manier) …

·     Deze bijzin vorm samen met bijzin 2 een voorwaardelijke zin. Dit is de conclusie en bijzin 2 (si …) is de voorwaarde.

·     Er wordt in deze voorwaardelijke zin een futurum exactum gebruikt in de voorwaarde (perdiderit) en een futurum in de conclusie (faciet). [150]

 

 

quomodo

bijwoord gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord

 

si perdideritfex Phidiasond statuam4s  lijd

bijzin 2

binnen bijzin 1

De bijzinnen 1 en 2 vormen samen een voorwaardelijk zin, met als conclusie bijzin 1 (quomodo) en als voorwaarde bijzin 2 (si).

 

 

komma’s

In het Nederlands verwacht je ook een komma achter statuam om de quomodo- van de si-zin te scheiden.

 

protinusBW alteram facietfut pv,

bijzin 1 vervolg

 

 

 

alteram

= alteram statuam

 

sic (hic●● faciendarumgdivum  amicitiarum2p  artifex1s ●●)ond substituetfut pv alium4s m lijd in locum4s amissippp 2s.

hoofdzin

De hoofdzin waar bijzin 1 deel van uitmaakt.

 

 

faciendarum amicitiarum

gerundivumconstructie; het gerundivum is bijvoeglijk bij amicorum: “van gemaakt moetende worden vrienden” = van het maken van vrienden

 

 

amissi

Zie ook hierboven bij amissum.

Hier kan het inhoudelijk wel een zelfstandig gebruikt ppp zijn: van de verlorene = van de verloren vriend

 

 

 

 

 

 

 

 

9.6

Quaeris quomodo amicum cito facturus sit?

 

Jij vraagt hoe men snel een vriend zal (kunnen) maken?

 

 

 

 

 

Quaerispr pv

hoofdzin

hoofdzin met een indirecte vraag

 

quomodo amicum4s citoBW facturuspfa sitconi pv?

bijzin

lijdendvoorwerpszin met een indirecte vraag [110]

 

 

quomodo

hoe; bijwoord gebruikt als relativum in indirecte vraag

 

 

amicum

object bij facturus

 

 

facturus sit

Waarom een coniunctivus hier?

·     Misschien zou in de directe rede geen coniunctivus zijn gebruikt: “Quomodo amicum cito faciet?” (“Hoe zal men snel een vriend maken?”). In de bijzin hier wordt dan toch een coniuntivus gebruikt omdat het een afhankelijke vraag is[36].

·     Als de directe rede wel een coniunctivus zou hebben gebruikt, zou dat een coniunctivus potentialis zijn geweest: “Quomodo amicum cito facturus sit?” (“Hoe zal men snel een vriend kunnen maken?”)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dicam, si illud mihi tecum convenerit, ut statim tibi solvam quod debeo et quantum ad hanc epistulam paria faciamus.

 

Ik zal (het je) zeggen, als ik het volgende met je afspreek, namelijk dat ik (daarmee) meteen jou betaal wat ik verschuldigd ben en we wat betreft deze brief de schuld vereffenen.

 

 

 

 

 

Dicamfut pv,

hoofdzin “dan”

Specifieke voorwaardelijke zin met hier als hoofdzin de conclusie. Een realis van de toekomst. [150]: futurum in de hoofdzin en futurum exacti in de bijzin.

 

si illud4s ond mihi3s mew te5scum conveneritfex pv,

bijzin 1 “als”

Voorwaarde van de voorwaardelijke zin.

De verleden tijd kun je gewoon vertalen: “als ik het volgende met je afgesproken heb, …” Maar in het Nederlands klinkt dat niet vlot en we zijn in het Nederlands niet zo precies in de tijden. Dus beter is dan: “als ik het volgende met je afspreek…

 

 

illud

wordt uitgewerkt in de ut-zin (bijzin 2)

 

 

[…] mihi tecum convenerit […]

convenerit < convenio; vertaal convenio als tot stand komen; dan past er in het Nederlands een meewerkend voorwerp, onderwerp (illud) én een bepaling (tecum) bij: [als dit] voor mij met jou tot standgekomen is [namelijk dat …]

 

ut statim tibi3s solvamconi pr pv

bijzin 2

consecutieve bijzin als onderwerpszin in appositie bij illud in bijzin 1; dat betekent dat “ut … solvam …” een bijstelling (appositie) is bij illud; illud is onderwerp, dus de hele bijzin fungeert ook als onderwerp [73]

 

 

statim

als onmiddellijk gevolg = meteen

 

quod debeoindi pv

bijzin 3

feitelijke betrekkelijke bijzin bij bijzin 2 [3 variant 16] en lijdendvoorwerpzin van bijzin 2 [112]; het antecedent is weggelaten, maar je kunt in bijzin 2 “dat” erbij denken; “dat” zou dan het lijdend voorwerp zijn; alleen, het woordje “dat” staat er niet en daarmee fungeert de bijzin als het lijdend voorwerp; quod vertaal je met wat

 

et quantumBW ad hanc epistulam4s  paria4p n faciamusconi pr pv.

bijzin 2 vervolg

nevengeschikt tweede deel van bijzin 2 (ut… solvam et … faciamus)

 

 

paria faciamus

paria facio, letterlijk: “gelijke zaken maken”; de rekening vereffenen

 

 

quantum ad …

voor zover het … betreft

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hecaton ait, 'ego tibi monstrabo amatorium sine medicamento, sine herba, sine ullius veneficae carmine: si vis amari, ama'.

 

Hecaton zegt: “Ik zal je een liefdesmiddeltje laten zien zonder medicijn, zonder kruid, zonder een spreuk van enige tovenares: ‘Bemin, als je bemind wil worden.’”

 

 

 

 

 

Hecatonond aitpv,

hoofdzin

hoofdzin met daarin de directe rede (DR):  ‘ego … ama’

 

'ego1s ond tibi3s mew monstrabofut amatorium4s lijd sine medicamento5s, sine herba5s, sine ullius veneficae2s carmine5s:

hoofdzin 1 DR “dan”

een hoofdzin met zowel een onderwerp (subject), lijdend voorwerp (object) en meewerkend voorwerp (indirect object)

 

 

sine, sine, sine

anafora, polysyndeton

Het derde deel is uitgebreider en sterker: climax

 

 

veneficae

< venefica, tovenares

 

si visindi pv amariinf pas,

bijzin DR “als”

de voorwaarde van de voorwaardelijke zin “si …, ama”

Je kunt amo het best met beminnen vertalen, in plaats van houden van.

 

amaimp'.

hoofdzin 2 DR

tweede hoofdzin; een generieke voorwaardelijke bijzin met een imperatvus in de hoofdzin (een variant op een indicativus in de hoofdzin), en een indicativus in de als-bijzin. Het is een voorwaardelijke zin met geen bijzondere aanname over de voorwaarde, een “algemene waarheid” (in de ogen van de schrijver uiteraard).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Habet autem non tantum usus amicitiae veteris et certae magnam voluptatem sed etiam initium et comparatio novae.

 

Verder leidt niet alleen de beoefening van een oude en betrouwbare vriendschap, maar ook het begin en het krijgen van een nieuwe (vriendschap) tot een groot genoegen.

 

 

 

 

 

Habetindi pr pv autem non tantum usus1s ond amicitiae2s f  veteris et certae magnam●● voluptatem4s ●● lijd sed etiam initium1s ond et comparatio1s ond novae2s .

hoofdzin

De persoonsvorm en het onderwerp staan op bijzondere plekken:  de persoonsvorm aan het begin en het onderwerp halverwege[37].

 

 

habet

Het is in het Nederlands even zoeken naar een vertaling van habeo die zowel bij de vertaling van voluptatem als bij die van initium past.

 

 

usus habet

let op: het woordenboek geeft “usum4s habeo” als  ervaring hebben. Maar die combinatie wordt niet in deze zin gebruikt. Er staat immers usus1s.

 

 

initium et comparatio

Hier wordt onderscheid gemaakt tussen het aangaan (“beginnen”) van een nieuwe vriendschap en het daadwerkelijk verkrijgen (comparatio) van een nieuwe vriend. Dat blijkt uit de volgende zin.

 

 

 

 

 

 

 

 

9.7

Quod interest inter metentem agricolam et serentem, hoc inter eum qui amicum paravit et qui parat.

 

Wat het verschil is tussen de boer die oogst en de boer die zaait, dat is het verschil tussen diegene die vriend heeft gesloten en diegene die vriendschap sluit.

 

 

 

 

 

Quod1s n ond interestpv inter metentemppa  agricolam4s m  et serentemppa ,

bijzin

Vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin. Het antecedent (hoc) komt nog, en wel in de hoofdzin (hoc … ).  [1]

Je vertaalt dus “Wat het verschil is […]” en niet “Wat is het verschil […] want dan maak je er een vraag van.

 

 

metentem, serentem

ppa’s: een maaiende [boer], een zaaiende [boer]

 

hoc1s n ond inter eum4s

hoofdzin

In deze hoofdzin is de persoonsvorm (interest) die al in de bijzin stond, niet herhaald.

 

quiond amicumlijd paravitpf pv et quiond paratindi pv.

bijzin (2x)

twee nevengeschikte betrekkelijke bijzinnen (qui … et qui …) bij het antecedent eum in de hoofdzin [1]

 

 

amicum paravit

een vriend heeft gemaakt = vriendschap heeft gesloten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Attalus philosophus dicere solebat iucundius esse amicum facere quam habere, 'quomodo artifici iucundius pingere est quam pinxisse'.

 

De filosoof Attalus was gewoon te zeggen dat het maken van een vriend aangenamer is dan het hebben (van een vriend), “zoals het schildereb voor een kunstenaar aangenamer is dan het hebben geschilderd”.

 

 

 

 

 

Attalus ond philosophus dicereinf solebatpv iucundius4s n esseACI (amicum4s facere quam habere)ACI

hoofdzin

Een hoofdzin met een vlechtwerk van werkwoordconstructies.

·     Dicere is een aanvullingsinfinitivus bij solebat.

·     Iucundius esse facere/habere is een ACI van de indirecte rede bij dicere. Zie ook de voetnoot voor een uitleg[38].

·     Het zinsdeel quomodo … pinxisse” is een bijzin bij facere/habere.

 

 

philosophus

bijstelling bij Attalus

 

 

dicere

aanvullingsinfinitivus bij solebat: hij was gewoon te zeggen[39]

 

 

iucundius

aangenamer; bijvoeglijk naamwoord; comparativus accusativus onzijdig van iucundus, aangenaam; naamwoordelijk deel van het gezegde (predicaatsnomen) bij esse

 

 

amicum

object bij facere/habere

 

'quomodo artifici3s mew iucundius1s n pingereinf estpv quam pinxisseinf'.

bijzin

bijwoordelijke bijzin van vergelijking met een indicativus (zoals) [90]

 

 

quomodo

Voor een opmerking over het gebruik van de aanhalingstekens, zie de voetnoot [40].

 

 

pingere/pinxisse

De infinitivi zijn hier als zelfstandige naamwoorden gebruikt[41].

 

 

[…] quam […]

[aangenamer te schilderen] dan [geschilderd te hebben]

Dit is een vergelijking maar er is geen sprake van een bijzin. Quam (dan) is een bijwoord van vergelijking en als nevenschikkend voegwoord gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Illa in opere suo occupata sollicitudo ingens oblectamentum habet in ipsa occupatione: non aeque delectatur qui ab opere perfecto removit manum.

 

Die toewijding die gelegd wordt in iemands eigen werk, geeft juist door dat bezig zijn zelf een enorm genoegen: hij die zijn hand afneemt van het voltooide werk, geniet niet op dezelfde manier.

 

 

 

 

 

(Illa in opere5s ●● suo●● occupata  sollicitudo1s f  ond) ingens4s n ●●● oblectamentum4s n ●●● lijd habetpr pv in ipsa●●●● occupatione5s f ●●●●:

hoofdzin

 

 

 

sollicitudo

zorg (=het zorgen voor), bezorgdheid (voor iets) en ook zorgzaamheid; dat laatste is het hier.

 

 

occupata [in]

< occupatus [in], bezig zijn met; een bijvoeglijk naamwoord, afgeleid van het ppp van occupo (occupare, bezetten)

 

 

occupata sollicitudo

de bezige zorgzaamheid”; er staat dus letterlijk dat de zorgzaamheid bezig is, en wel met z’n eigen werk; het is zoeken naar woorden om dat in goed Nederlands te verwoorden. Bedenk daarbij dat occupatus in de grond “in beslag genomen” betekent, dus een passieve connotatie heeft.

 

 

opere

ablativus vanwege “occupata in

 

 

ingens

niet bij sollicitudo maar bij oblectamentum

 

 

in ipsa occupatione

slaat terug op occupata; als je occupata vertaalt met “leggen”, dan zou je hier eigenlijk moeten vertalen “in het leggen zelf”.

 

 

habet

Het is wat zoeken naar woorden in het Nederlands om de bedoeling weer te geven. Letterlijk staat er, met weglating van een aantal woorden: “de zorgzaamheid heeft een geweldige genoegen in […]”.

 

non aeque delectaturpr pv

hoofdzin

een hoofdzin zonder een expliciet onderwerp; dat onderwerp wordt de bijzin;

In het Nederlands zien we toch wel graag een onderwerp: hij, of diegene. Maar we kunnen het in het Nederlands ook wel uit de hoofdzin weglaten als we de bijzin voorop plaatsen: “Wie […], geniet niet op dezelfde manier.

 

quiond ab opere5s n  perfecto removitpf pv manum4s lijd.

bijzin

betrekkelijke bijzin met als antecedent het onderwerp van de hoofdzin [1 variant 13]; onderwerpszin [119]

 

 

opere

< opus, operis, werk; niet van ops, opis, hulp

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Iam fructu artis suae fruitur: ipsa fruebatur arte cum pingeret.

 

Dan geniet hij van het resultaat van zijn kunstvaardigheid: hij genoot van de kunstvaardigheid zelf toen hij bezig was met schilderen.

 

 

 

 

 

Iam fructu5s artis3s  suae fruiturpr pv:

hoofdzin

 

 

 

iam

in een overgang: nu, dan

 

 

fruitus

< fruor (frui), genieten; een deponens; waar je van geniet, staat in de ablativus

 

 

interpunctie

De dubbele punt kan verwarrend werken. Volgens de Nederlandse regels had er gewoon een punt moeten staan, of een puntkomma.

 

ipsa fruebaturimpf pv arte5s

hoofdzin

 

 

cum pingeretconi impf pv.

bijzin

bijwoordelijke temporele bijzin met een coniunctivus (cum historicum: toen) [37]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fructuosior est adulescentia liberorum, sed infantia dulcior.

 

De volwassenheid van kinderen levert meer op, maar de kindertijd is aangenamer.

 

 

 

 

 

Fructuosior1s predn est adulescentia1s ond liberorum2p, sed infantia1s ond dulcior1s.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen; in het tweede deel is de persoonsvorm niet herhaald;

De zin is naar mijn bescheiden mening wat krom. In het Nederlands zou het in ieder geval beter zijn om te zeggen: “De volwassenheid van kinderen levert meer op dan de kindertijd, maar de kindertijd is aangenamer.

 

 

 

 

 

 

 

 

9.8

Nunc ad propositum revertamur. Sapiens etiam si contentus est se, tamen habere amicum vult, si nihil aliud, ut exerceat amicitiam, ne tam magna virtus iaceat, non ad hoc quod dicebat Epicurus in hac ipsa epistula, 'ut habeat qui sibi aegro assideat, succurrat in vincula coniecto vel inopi', sed ut habeat aliquem cui ipse aegro assideat, quem ipsum circumventum hostili custodia liberet.

 

Laten we nu terugkeren naar het onderwerp. Ook als de wijze aan zichzelf genoeg heeft, wil hij toch een vriend hebben, in ieder geval om de vriendschap te beoefenen, opdat een zo grote deugd niet verwaarloosd wordt, niet met het doel wat Epicurus in diezelfde brief noemde, “om iemand te hebben die hem terzijde staat als hij ziek is, hem helpt als hij in de boeien geslagen is of behoeftig is”, maar om iemand te hebben om zelf ter zijde te staan als die ziek is, die, zelf in gevaar gebracht door een vijandige gevangenschap, door hem bevrijd kan worden.

 

 

 

 

 

Nunc ad propositum revertamurconi pr pas.

hoofdzin

Hoofdzin met coniunctivus adhortativus.

 

Sapiensond etiam si contentus1s estpv se5s,

bijzin

vooropgeplaatste concessieve bijwoordelijke bijzin met etiam si (ook al) [81]

 

tamen habereinf amicum4s lijd vultpv,

hoofdzin deel A

De hoofdzin: de conclusie van de voorwaardelijke zin die met de voorwaarde hierboven begon

 

 

habere

aanvullingsinfinitivus

 

si nihil aliud,

parenthese

Een tussenopmerking (parenthese) op het niveau van de hoofdzin. Het is een vaste uitdrukking[42]. De ut-zin die volgt sluit dus aan bij vult: “hij wil het, om …

 

ut exerceatpv coni amicitiam4s lijd,

bijzin 1

Finale bijwoordelijke bijzin bij vult [51].

 

ne tam magna virtus1s f  ond iaceatpv coni,

bijzin 2

Tweede finale, nu ontkennende bijzijn bij vult [54].

 

 

ne

let op: ne vertaal je met “opdat niet”, niet met “niet opdat

 

 

virtus

is het onderwerp; de deugd “ligt” dus, oftewel wordt verwaarloosd.

 

non ad hoc4s n

hoofdzin deel B1

Een verkorte zin op hetzelfde niveau als de hoofdzin met vult. Er is geen persoonsvorm en je moet in gedachten “hij wil een vriend hebben” herhalen, maar dan ontkennend: “non vult habere amicum ad hoc, quod Epicurus …” (hij wil geen vriend hebben om deze reden, wat Epicurus …”). 

Verderop, bij “sed” komt dan een derde deel.

 

 

hoc

een accusativus vanwege ad: tot dit = tot dit doel

 

quod4s n lijd dicebatpv Epicurusond in hac ipsa epistula5s f ,

bijzin 3a

feitelijke betrekkelijke bijzin met bijzin 3: dat, wat [1 variant [16]]. Antecedent van quod is hoc.

 

 

 

 

 

'ut habeatpv

Directe Rede als bijstelling

Aan de aanhalingstekens die de uitgever heeft geplaatst, zie je dat “ut … inopi” directe rede is. Aan ut zie je dat het een bijzin is, maar wel een die uit die brief komt. Maar dan is de hoofdzin die in die brief stond hier weggelaten. In de brief zou iets hebben kunnen staan als:  “Sapiens amicum habere vult, ut habeat qui …”. (“De wijze wil een vriend hebben, opdat hij iemand heeft die …”).

De ut-zin is een bijstelling (appositie) bij hoc in bijzin 3 en een finale bijzin (opdat) in de brief van Epicurus ([51]).

 

qui1s ond sibi3s  aegro3s assideatconi pv,

bijzin DR 1

Een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent (qui) als lijdendvoorwerpzin bij habeat [112]. De hele bijzin (samen met de volgende bijzin) fungeert als lijdend voorwerp van habeat.

Er wordt een so wie so een coniunctief gebruikt omdat habeat een coniunctief is. Maar als er is had gestaan als “Habeo [aliquem], qui …” was er ook assideat gebruikt. De qui zin heeft dan een finaal aspect (coniunctivus finalis): “Ik heb iemand om aan het bed te zitten …” [20]

 

 

ut [aliquem] habeat

de bijzin functioneert dus als lijdend voorwerp van de “ut habeat” zin maar die zin heeft zelf géén lijdend voorwerp; in het Nederlands kunnen we dat lijdend voorwerp niet missen: “opdat hij iemand heeft, die …” Dat zou in het Latijn zijn: “ut aliquem habeat, qui …”

 

 

aegro assideat

aegro assideo is een uitdrukking: tijdens ziekte terzijde staan

 

 

aegro

dativus commodi; het meewerkend voorwerp (aan, voor) in overdrachtelijke zin, net zoals in het Nederlands “er voor iemand zijn”.

 

 

assideat, succurrat

beide werkwoorden regeren een dativus (dativus commodi) bij zich (hier sibi): bij iemand zitten, iemand helpen

 

 

aegro (2)

Aegro moet je predicatief vertalen. Wat betekent dat? Als sibi er niet had gestaan had je aegro (< aeger, ziek; een bijvoeglijk naamwoord) als verzelfstandigd bijvoeglijk naamwoord vertaald: “die bij een zieke zit”. Maar sibi staat er wel: “die bij hem zit”. Als je het alleen maar bij sibi zou trekken (“die bij hem als zieke zit”) lijkt het of hij echt ziek is. Maar dat is niet de bedoeling. Aegro zegt dus kennelijk wat meer over zowel hem (sibi) én het zitten (assideat). De bedoeling is dat hij bij hem zit als hij ziek is.

 

succurratconi pv in vincula4p n coniecto3s  ppp vel inopi3s ',

bijzin DR 2

Tweede bijzin; ook een betrekkelijke bijzin als lijdendvoorwerpzin bij habeat [112]. Qui en sibi zijn niet herhaald.

 

 

coniecto

Je kunt lezen sibi coniecto en dan is het ppp bijvoeglijk gebruikt bij het weggelaten sibi. En dan ook weer predicatief: als hij …

 

 

in vincula

bepaling bij coniecto: in de boeien geworpen

 

 

inopi

bijvoeglijk naamwoord; congrueert ook met sibi; ook weer predicatief

 

sed

hoofdzin deel B2

Grijpt terug op het tweede deel van de hoofdzin (B1: non ad hoc): “niet om deze reden (maar …)”. Dus nevengeschikt aan die zin. Ook hier moet je in gedachten “hij wil een vriend hebben” weer herhalen: “amicum habere non vult ad hoc [quod …], sed ut …” (hij wil geen vriend hebben om deze reden [wat …], maar [hij wil een vriend hebben] om …)

 

ut habeatpv aliquem4s lijd

bijzin bij B2

finale bijwoordelijke bijzin, nog steeds bij vult [51].

 

 

aliquem

merk op dat Seneca hier wél aliquem erbij heeft gezet

 

cui3s ipse1s ond aegro3s assideatconi pv,

bijzin 1

finale betrekkelijke bijzin (bij ut habeat aliquem); het relativum staat (vanwege assideat) in de dativus. [25 variant 15; 20]

 

quem4s  lijd ipsum circumventumppp   hostili5s ●● custodia5s f ●● liberetconi pv.

bijzin 2

tweede finale betrekkelijke bijzin (bij ut habeat aliquem). Nu is het relativum (quem) het lijdend voorwerp in de bijzin. [25 variant 16; 20]

 

 

hostili

hostili = ablativus (bijv. nw. verbogen volgens groep 3), congrueert met custodia

 

 

custodia

ablativus causae (door, vanwege); bij circumventum

 

 

liberet

< libero (liberare), bevrijden

 

 

quem / ipsum

om “die iemand” (quem), hijzelf (ipsum) en het onderwerp (custodia) goed uit elkaar te houden in het Nederlands, kun je de zin passief maken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qui se spectat et propter hoc ad amicitiam venit male cogitat.

 

Wie naar zichzelf kijkt en om die reden tot een vriendschap komt, denkt niet goed na.

 

 

 

 

 

Qui1s ond se spectatindi pv et propter hoc4s ad amicitiam4s venitindi pr pv

bijzin

Vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin als onderwerpszin van cogitat [119]. De bijzin heeft twee nevengeschikte delen (… et …).

 

 

hoc

slaat terug op qui se spectat

 

maleBW cogitatindi pv.

hoofdzin

 

 

 

cogitat

< cogito (cogitare), denken;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quemadmodum coepit, sic desinet: paravit amicum adversum vincla laturum opem; cum primum crepuerit catena, discedet.

 

Zoals hij begonnen is, zo zal hij eindigen: hij heeft zich een vriend verschaft om een hulpmiddel te zijn tegen de boeien; zodra de boeien gerinkeld zullen hebben, zal hij verdwijnen.

 

 

 

 

 

QuemadmodumBW coepitindi pf pv,

bijzin

vooropgeplaatste vergelijkende bijzin met een indicativus: zoals[49]

 

 

coepit

< coepi, begonnen te zijn (een perfectum vorm)

 

sic desinetindi fut pv:

hoofdzin

met een futurum

 

paravitpf pv amicum4s  lijd adversumVZ vincla4p n laturumpfa  opem4s;

hoofdzin

 

 

 

laturum

laterum = pfa van fero (ferre), brengen; bijvoeglijk bij amicum;

letterlijk: “[een] [hulp] zullende brengen [vriend]“: “een vriend die hulp zal brengen” = een vriend die hulp moet brengen

 

 

vincla

= vincula

 

 

opem

object bij laturum; opem < ops, macht, kracht, hulp;

opem ferre = hulp brengen = helpen

 

cum primum crepueritindi fex pv catena1s f ond,

bijzin

vooropgeplaatste bijwoordeljke bijzin [39]

 

 

catena

let op enkelvoud; als je met “keten” wil vertalen, kun je het enkelvoud respecteren; als je met “boei” wilt vertalen, zul je in het Nederlands wel een meervoud moeten gebruiken

 

 

crepuerit

let op: een futurum exactum (zal hebben)

 

discedetindi fut pv.

hoofdzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.9

Hae sunt amicitiae quas temporarias populus appellat; qui utilitatis causa assumptus est tamdiu placebit quamdiu utilis fuerit.

 

Dit zijn vriendschappen die men gewoonlijk tijdelijke noemt; wie aangenomen is vanwege zijn nut, zal zo lang bevallen als hij nuttig is.

 

 

 

 

 

Hae ond suntpv amicitiae1p f  predn

hoofdzin

 

 

 

amicitiae

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)

 

quas4p  lijd temporarias populus1s ond appellatindi pv;

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met indicativus en antecedent [1 variant [16]]

 

 

temporarias

predicatief; predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)

 

 

populus

het volk; je kan het zo vertalen (die het volk … noemt); of onpersoonlijk maken: die men … noemt

 

 

appellat

< appello (appellare), noemen

 

qui1s ond utilitatis2s causa assumptusppp estpv

bijzin

betrekkelijke bijzin als vooropgeplaatste onderwerpszin: de hele bijzin fungeert als onderwerp van placebit [119]

 

 

utilitatis

genitivus vanwege causa

 

tamdiu placebitfut pv

hoofdzin

met tamdiu als correlatief bij quamdiu in de bijzin

 

 

qui … placebit

placebit = hij zal bevallen; qui […] placebit = hij, die […], zal bevallen = wie[ …] zal bevallen

 

 

tamdiu … quamdiu …

zolang … (zolang) als …

 

quamdiu utilis1s  fueritfex pv.

bijzin

feitelijke vergelijkende bijwoordelijke bijzin met indicativus [90]

 

 

fuerit

futurum exactum: [zolang hij nuttig] geweest zal zijn; zo zeggen wij dat niet in het Nederlands; je kan nog zeggen “zolang hij nuttig zal zijn” (een praesens futurum), maar zelfs dat klinkt wat overdreven in het Nederlands; wij zeggen gewoon “zolang hij nuttig is” (een praesens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hac re florentes amicorum turba circumsedet, circa eversos solitudo est, et inde amici fugiunt ubi probantur; hac re ista tot nefaria exempla sunt aliorum metu relinquentium, aliorum metu prodentium.

 

Hierdoor omgeeft een groep vrienden hen die het goed gaat, rondom hen die ten gronde gericht zijn, is eenzaamheid, en vrienden vluchten daarvandaan waar ze op de proef worden gesteld; hierdoor zijn er zoveel slechte voorbeelden van sommigen die uit vrees (hun vriend) in de steek laten en van anderen die (hen) uit vrees verraden (hen).

 

 

 

 

 

Hac5s  re5s  florentesppa 4p lijd (amicorum2p turba1s ond) circumsedetindi pv, circa eversosppp lijd solitudo1s ond estpv,

hoofdzin 1 en 2

hoofdzin met twee nevengeschikte delen (circumsedet/est) zonder voegwoord (asyndeton)

 

 

florentes

< florens, ppa van floreo (florēre), bloeien, welvarend zijn; hier zelfstandig gebruikt: “florerende mensen” = mensen die het goed gaat; en dan als lijdend vorwerp in de zin.

 

 

amicorum

bij turba: een troep/groep vrienden (genitivus partitivus)

 

 

eversos

< eversus, ppp van everto (evertere), omgooien, verwoesten; hier overdrachtelijk: “verwoeste mensen” = mensen die het niet goed gaat; als je letterlijker wilt vertalen kun je zeggen: mensen die ten gronde gericht zijn

Zelfstandig gebruikt, net als florentes hiervoor.

 

et inde amici1s ond fugiuntindi pv

hoofdzin 3

gekoppeld met een voegwoord (et) aan de eerste twee hoofdzinnen

 

 

indi … ubi

kun je interpreteren als “van plaats”, en dan of letterlijk nemen als ergens waar (ubi) en daarvandaan (inde), of overdrachtelijk, d.w.z. uit een bepaalde situatie wegvluchten. Of je kunt de twee woorden interpreteren als “van tijd”: inde = vervolgens en ubi = zodra.

 

ubi probanturindi pv;

bijzin

betrekkelijke bijzin [1] als je letterlijk van plaats vertaalt (waar) of een temporele bijwoordelijke bijzin [39] als je overdrachtelijk (zodra) vertaalt

 

 

ubi

als je zodra vertaald hebt: het is dan niet alleen zuiver temporeel (wanneer = zodra = op het moment dat) maar ook het heeft ook een voorwaardelijke bijsmaak (wanneer = indien = in het geval dat)

 

hac5s  re5s  ista●● totBW nefaria●● exempla1p n ●● ond suntpv aliorum2p ●●● metu5s relinquentium2p ●●●, aliorum2p ●●● metu5s prodentium2p ●●●.

hoofdzin

het stuk aliorum … prodentium is erg bondig Latijn. In het Nederlands hebben we veel meer woorden nodig. Letterlijk staat er: “[voorbeelden] van sommigen uit vrees in de steek latende, van anderen uit vrees verradende”.

 

 

aliorum relinquentium

relinquentium < relinquens, ppa van relinquo, in de steek laten; “van sommigen in de steek latendende” = van sommigen die in de steek laten 

 

 

metu

ablativus causae

 

 

 

 

 

Necesse est initia inter se et exitus congruant: qui amicus esse coepit quia expedit et desinet quia expedit; placebit aliquod pretium contra amicitiam, si ullum in illa placet praeter ipsam.

 

Het moet zo zijn dat begin en eind op elkaar aansluiten: wie vriend begint te zijn omdat het nuttig is, zal ook ophouden omdat dat nuttig is; hem zal iets van waarde bevallen ten koste van de vriendschap, als hem in die vriendschap iets anders bevalt dan deze zelf.

 

 

 

 

 

Necesse estpv

hoofdzin

een onpersoonlijke uitdrukking: het is nodig (dat)

 

initia1p n ond inter se4p et exitus1p n ond congruantconi pv:

bijzin

consecutieve (“zodat”) bijwoordelijke bijzin[43]; normaal ingeleid met ut, maar dat is bij de uitdrukking necesse est vaak weggelaten [125]; De coniunctivus vertaal je niet. De hele bijzin fungeert als onderwerp van est: “dat begin en eind samenvallen is nodig

 

 

initia inter se exitus

letterlijk “de beginnen en de einden onder elkaar [vallen samen]”; in het Nederlands maken we er in ieder geval enkelvoud van. De strekking is zoiets als “de cirkel is rond”.

 

qui1s ond amicus1s predn esseinf coepitpv

hoofdzin

met twee nevenschikende delen (coepit, desinet)

 

 

qui

relatieve aansluiting

 

 

esse

esse: aanvullingsinfinitief bij coepit

 

 

amicus

predicaatsnomen bij esse (esse is een koppelwerkwoord en daarom is amicus een nominativus)

 

quia expeditindi pr pv

bijzin

feitelijke bijwoorden bijzin met quia en indicativus (omdat) [61]

 

et desinetindi fut pv

hoofdzin

tweede deel

 

quia expeditindi pr pv;

bijzin

feitelijke bijwoorden bijzin met quia en indicativus (omdat) [61]

 

placebitfut pv (aliquod pretium1s n ond) contra amicitiam4s,

hoofdzin

voorwaardelijke zin (realis); hier de conclusie, de voorwaarde staat in de si-zin; de voorwaarde gebruikt een praesens, de conclusie een futurum [155]

 

 

placebit

< placēo (placēre), behagen; niet van placo (placare), gunstig stemmen (daarvan is het futurum placabit)

 

 

pretium

geld, beloning, hier “een waardevolle zaak”; aliquod pretium = een of andere waardevolle zaak = iets waardevols

 

 

contra

tegen; hier kun je vertalen ten koste van

 

si ullum1s n ond in illa5s placetpr pv praeter ipsam4s.

bijzin

voorwaarde van de voorwaardelijke zin; in de zin is nogal wat weggelaten

Een Nederlandse “vertaling” die absoluut onduidelijk is maar wel net zo kort, zou de volgende kunnen zijn: “… als enige in haar voldoening geeft anders dan zijzelve.

 

 

ullum

lees: ullum pretium

< ullus, enige; niet met iets vertalen; de strekking is dat er enige waarde in de vriendschap zit, behalve de vriendschap zelf dan, en dat er buiten die vriendschap ook zomaar iets anders van waarde kan zijn dat kennelijk van méér waarde is.

 

 

illa

lees: illa amicitia, in die vriendschap; ablativus vanwege in

 

 

ipsam

lees: ipsam amicitiam, de vriendschap zelf; accusativus vanwege praeter

 

 

 

 

 

 

 

 

9.10

'In quid amicum paras?' Ut habeam pro quo mori possim, ut habeam quem in exsilium sequar, cuius me morti et opponam et impendam:

 

Waarvoor maak je vrienden? Om iemand te hebben voor wie ik kan sterven, om iemand te hebben die ik in zijn ballingschap kan volgen, tegenover wiens dood ik mijzelf én kan plaatsen én voor wie ik mij kan opofferen:

 

 

 

 

 

'In quid4s n amicum4s lijd parasindi pr pv?'

hoofdzin

directe rede; het is een algemene vraag, waarbij “je” “men” is, en niet Lucilius. Dat blijkt uit de algemeenheid van de “antwoorden”.

 

 

in

“in” naast de concrete betekenissen zoals op (“op de tafel”) en in (“in de kast”), ook de zin of bedoeling van iets weergeven;

in quid = “met het oog op wat/tot wat” = waarvoor, waarom

 

 

paras

< paro (parare), hier zich verschaffen, verwerven; wij gebruiken die woorden voor zaken, niet voor personen. Je krijgt vrienden (meervoud), je maakt een vriend (enkelvoud) of je maakt vrienden (meervoud). In maken zit meer het actieve van verwerven dan in krijgen. Omdat de Latijnse zin niet een bepaalde vriend bedoelt, maar algemeen is (“een vriend”), is het meervoud in de vertaling niet erg. Ook is het “je” in paras niet specifiek geadresseerd aan Lucilius.

 

Ut habeamconi pv

bijzin 1

een finale bijwoordelijke bijzin met ut [51];

Er is geen hoofdzin. Die moet je zelf invullen door de vraag als mededeling te herhalen: “Waarvoor maakt je vrienden? Ik maak vrienden zodat ik …”

Ook is amicum uit de vraag niet herhaald, dus lees “ut amicum habeam”, zodat ik een vriend heb

 

pro quo5s moriinf possimconi pv,

bijzin

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecendent binnen bijzin 1 ([3] variant [17]);

 

 

quo

< quis, wie, betrekkelijk voornaamwoord; het erbij te bedenken antecedent van quo is het weggelaten “amicum” in bijzin 1.

 

 

possim

een coniunctivus omdat habeam een coniunctivus is

Het finale aspect zit al in habeam. Was het een gewone hoofdzin ”Habeo pro quo … possim.”, dan was de bijzin een finale bijzin geweest. Zie ook hieronder bij de quem-bijzin

 

ut habeamconi pv

bijzin 2

een tweede finale bijzin met de “weggelaten hoofdzin” [51 ]

 

 

ut habeam

herhaling: anafora

 

quem4s lijd in exsilium4s sequarconi pv,

bijzin

betrekkelijke finale bijzin binnen bijzin 2 waarbij het betrekkelijke voornaamwoord het lijdend voorwerp in de bijzin is ([20] variant [16])

De coniunctivus van sequar is weer vanwege de coniunctivus in bijzin 2, maar ook als er daar geen coniunctivus had gestaan, was een coniunctivus gebruikt. Bijvoorbeeld: Amicum habeo, quem in exsilium sequar (Ik heb een vriend die ik in ballingschap moet/kan volgen). Twee redenen:

·     Uit het ongerijmde: er is geen reden om aan te nemen dat Seneca zo’n vriend heeft, die in ballingschap is en die Seneca gaat volgen. Het is dus geen feitelijke mededeling.

·     Ten tweede geeft de vorige bijzin expliciet door middel van het gebruik van posse (kunnen) een doel of mogelijkheid aan. Deze bijzin borduurt daarop voort.

 

 

quem

< quid, die, betrekkelijk voornaamwoord

 

cuius2s me4s morti3s et opponamconi pv et impendamconi pv:

bijzin

tweede betrekkelijke bijzin bij bijzin 2, dus nu zonder herhaling van ut habeam; hier is het betrekkelijk voornaamwoord cuius in de genitivus ([20] variant [14])

De bijzin bestaat uit twee nevengeschikte persoonsvormen.

 

 

cuius

een genitivus bij morti: wiens dood; morti is zelf een dativus

 

 

morti

dativus, zowel bij opponam als bij impendam; beide werkwoorden hebben een dativus bij zich in hun betekenis van respectievelijk tegenover stellen tegen en opofferen voor

 

 

opponam

reflexief door me: zich tegenoverstellen tegen + dativus; met “tegenover zijn dood stellen” wordt bedoeld zich als het ware tussen je vriend en de dood gaan staan, waardoor je hem voor de dood beschermt.

 

 

impendam

me impendam – jezelf opofferen; de betekenis van opponam wordt versterkt door impendam in de betekenis van opofferen; dus sterven voor je vriend, in plaats dat je vriend sterft.

Margeret Grever vertaalt: “… someone whose life I can save, even by laying down my own.

 

 

morti (2)

de dativus van morti moeten we in het Nederlands bij opponam anders vertalen dan bij impendam. “Tegenover wiens dood ik mij kan opstellen” gaat nog wel. Maar “voor wiens dood ik mij kan opofferen” zeggen we niet zo. Je offert je op voor iemand. Dus dan wordt het iets als voor wie ik mij kan opofferen, hoewel dat er dus niet zo staat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ista quam tu describis negotiatio est, non amicitia, quae ad commodum accedit, quae quid consecutura sit spectat.

 

die vriendschap die jij beschrijft is handel, geen vriendschap, die zich bezighoudt met voordeel, die dat voor ogen heeft wat hij kan bereiken.

 

 

 

 

 

ista1s f ond

hoofdzin

hoofdzin met twee nevengeschikte predicaten (naamwoordelijk deel van het gezegde): negatio en non amicitia

 

 

ista

geen nominativus onzijdig meervoud (“de dingen die”), zoals vaak het geval is, maar nominativus vrouwelijk enkelvoud; dat kun je zien aan est (enkelvoud) en quam (vrouwelijk); vul aan amicitia

 

quam4s f lijd tuond describisindi pr pv

bijzin

betrekkelijke bijzin bij ista (dat, wat …); het betrekkelijk voornaamwoord is het lijdend voorwerp [1] variant [16]

 

negotiatio1s f predn estpv, non amicitia1s f predn,

hoofdzin vervolg

 

 

 

negotiatio

predicaatsnomen

 

 

amicitia

ook predicaatsnomen

 

quae1s f ond ad commodum4s acceditindi pr pv,

bijzin 1

betrekkelijke bijzin, nu bij negotiatio (handel, die …); het betrekkelijk voornaamwoord is het onderwerp ([1] variant [13])

 

 

accedit

<accedo, naderen, maar ook werk zich bezighouden met (=ad);

 

quae1s f ond

bijzin 2

tweede bijzin; zelfde structuur als de eerste ([1] variant [13])

 

quid4s n ond consecutura1s f sitconi pv

bijzin

bijzin binnen bijzin 2; quid is het relativum en is onderwerp; de bijzin fungeert als lijdendvoorwerpszin bij quae spectat; het is een indirecte vraag bij spectat [110]. Onderwerp van sit is negotiatio (de handel).

Zie ook hieronder bij “sit”.

 

 

consecutura

< consecuturus, pfa van consequior (bereiken); vrouwelijk omdat het terugslaat op negotiatio.

Waarom een pfa?

Seneca wil kennelijk een coniunctief gebruiken (gezien sit) én een futurum (gezien het pfa). Er bestaat echter geen “coniunctivus futuri”, dus dan moet die in het Latijn omschreven worden door middel van een pfa + coniunctivus van esse.

Betekent ook dat je niet de gebruikelijke betekenis van een pfa, van plan te zijn, gebruikt, maar een gewone, neutrale futuur (zullen).

 

 

sit

een coniunctivus; waarom?

De directe vraag zou zijn

·     óf “Quid consecutura est?” (Wat is zij (= de handel) van plan te bereiken?”), dus met een indicativus

·     óf “Quid consecutura sit?” (Wat zal ze kunnen bereiken?”), dus met een coniunctivus (potentialis of dubitativus)

In beide gevallen zou de indirecte vraag een coniunctivus gebruiken (omdat indirecte vragen als indirecte rede worden beschouwd en daarom altijd een coniunctivus gebruiken).

Dus dan moet de context uitsluitsel geven. De indicativus is geen optie: het is geen feitelijke mededeling. De handel weet immers niet vooraf wat ze gaat bereiken.

 

spectatindi pr pv.

bijzin  2 vervolg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.11

Non dubie habet aliquid simile amicitiae affectus amantium; possis dicere illam esse insanam amicitiam. Numquid ergo quisquam amat lucri causa? numquid ambitionis aut gloriae? Ipse per se amor, omnium aliarum rerum neglegens, animos in cupiditatem formae non sine spe mutuae caritatis accendit. Quid ergo? ex honestiore causa coit turpis affectus?

 

 

Ongetwijfeld heeft de gemoedstoestand van geliefden enige gelijkenis met vriendschap; je zou kunnen zeggen dat die een dwaze vrienschap is. Heeft iemand dan soms lief vanwege een voordeel? Soms vanwege eerzucht of roem? Juist de liefde ontsteekt voor zichzelf, onverschillig met betrekking tot alle andere zaken, ieders gemoed in een verlangen naar schoonheid niet zonder hoop op een wederkerige genegenheid. Wat dan? Komt uit een nobeler zaak een zedeloze hartstocht tot stand?

 

 

 

 

 

Non dubieBW habetpr pv aliquid simile4s n  lijd amicitiae3s affectus1s ond amantiumppa 2p;

hoofdzin

 

 

non dubie

dubie is het bijwoord van dubius, twijfelend; non dubie [habet]: letterlijk niet twijfelend [heeft…]; wij zeggen ongetwijfeld of zonder twijfel

 

 

simile

zelfstandig naamwoord; niet een verbuiging van het bijv. nw. similis, gelijkend; simile + dativus = gelijkenis met

 

 

amantium

< amans, ppa van amo, liefhebben; zelfstandig gebruikt: mensen die liefhebben = geliefden

 

possisconi pr pv dicereinf illamACI esseACI insanam amicitiam4s  predn.

hoofdzin

 

 

 

possis dicere

coniunctivus potentialis in een hoofdzin: je zou kunnen zeggen

Het gebruik van possis (< possum, kunnen) is wat dubbelop. Alleen “dicas” als coniunctivus potentialis had ook gekund. Of een indicativus: posses dicere.

 

 

illam

wijst terug op amicitia uit de vorige zin

 

 

insanam amicitiam

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) bij illam esse (dat die een [dwaze] vriendschap is]; omdat illam, gezien de ACI een accusativus is, is amicitiam dat ook

 

Numquid ergo quisquam1s ond amatpv lucri2s causa? numquid ambitionis2s aut gloriae2s?

hoofdzin

twee directe vragen

 

numquid ergo

numquid = dan?, toch niet?

ergo = dan, dan soms, dus

Het is in het Nederlands even zoeken naar woorden om niet twee keer “dan” te hoeven zeggen. Bijvoorbeeld “Dus, … dan/soms” of “… dan soms …”.

 

 

numquid … numquid

anafora

 

 

lucri

genitivus vanwege causa, wegens, om wille van

 

Ipse per se4s amor1s  ond, omnium●● aliarum●● rerum2p ●● neglegens, animos4p lijd in cupiditatem4s formae2s non sine spe5s mutuae●● caritatis2s f ●● accenditindi pr pv.

hoofdzin

hoofdstructuur is amor animos accendit = de liefde ontsteekt het gemoed; let op de alliteratie; onderwerp (amor), lijdend voorwerp (animos) en persoonsvorm (accendit) staan door de hele zin verspreid, de eerste twee omgeven met bepalingen

 

neglegens

zowel:

·     ppa van neglego, verwaarlozen, zich niet bekommerend, en

·     (daarvan afgeleid uiteraard) bijvoeglijk naamwoord, onverschillig;

Het bijvoeglijk naamwoord wordt met een genitivus gebruikt, zoals hier: onverschillig in of ten aanzien van

 

 

amor neglegens

liefde die zich niet bekommert om iets: personificatie

 

 

komma’s

de komma’s rond “omnium …neglegens” staan er alleen om bi het lezen te pauzeren, niet vanwege een of andere grammaticale constructie

 

 

animos

meervoud; in de vertaling kun je dat respecteren door harten te vertalen. Als je met gemoed vertaalt, dat in het Nederlands geen meervoud heeft, kun je er meervoud van maken door ieders gemoed te vertalen.

 

 

cupiditatem formae

cupiditas + genitivus = verlangen naar

 

 

spe

< spes, hoop; spes + genitivus = hoop op

 

Quid ergo? ex honestiore causa5s coitpr pv turpis●● affectus1s m ●● ond?

hoofdzin

weer twee directe vragen

 

quid ergo

een uitdrukking; denk erbij “agam” Wat moet ik dan doen?

 

 

coit

< coeo (coire), paren, zich verenigen, hier leidt tot, ontstaat

 

 

 

 

 

 

 

 

9.12

'Non agitur' inquis 'nunc de hoc, an amicitia propter se ipsam appetenda sit.’ Immo vero nihil magis probandum est; nam si propter se ipsam expetenda est, potest ad illam accedere, qui se ipso contentus est'. Quomodo ergo ad illam accedit? Quomodo ad rem pulcherrimam, non lucro captus nec varietate fortunae perterritus; detrahit amicitiae maiestatem suam qui illam parat ad bonos casus.

 

“Het gaat nu niet,” zeg je, “over de vraag of vriendschap wegens zichzelf nagestreefd moet worden.” Integendeel, niets moet beter onderzocht worden; want als zij wegens zichzelf nagestreefd moet worden, kan hij, die aan zichzelf genoeg heeft, haar bereiken. Hoe bereikt hij haar dan? Zoals een zeer mooi iets, niet in beslag genomen door winstbejag, en niet afgeschrikt door de wisselvalligheid van het lot; hij, die zich haar verschaft om zijn eigen situatie te verbeteren, ontneemt vriendschap haar grootsheid.

 

 

 

 

 

inquispv

hoofdzin

het zinsdeel met de directe rede (alles behalve inquis) fungeert als lijdend voorwerp van inquis

 

Non agiturindi pr pas pv […] nunc de hoc4s n

hoofdzin DR

hoofdzin in de directe rede (DR) gevolgd door een indirecte vraag (an …) binnen die directe rede

 

 

agitur

< ago (agere), bewegen, handelen; passief: agitur = het gaat om/over

 

 

de hoc

over/aangaande dit = erover; in deze zin gevolgd door an, of kun je dus ook in het Nederlands zeggen: het gaat niet over de vraag of …

 

an amicitia1s f  ond (propter se4s ●● ipsam4s ●●) appetendagdivum  sitconi pv.’

bijzin binnen de DR

indirecte vraag in de directe rede; die vraag wordt daarmee een indirecte rede binnen directe rede en gebruikt daarom een coniunctivus.

De vraag is een bijstelling (appositie) bij hoc ([137]).

Als je de vraag ook in de directe rede zet, zou het geheel iets worden als: “Agitur,” inquis, “nunc de hoc: ‘Amicitia propter se ipsam appetenda est?’” (“Het handelt,” zeg je, “hierom: ‘Moet de vriendschap nagestreefd worden wegens zichzelf?’”

 

 

se

zich, d.w.z. reflexief, heeft dus betrekking op het onderwerp amicitia; in het Nederlands klinkt haarzelf beter dan zichzelf (se ipsam)

 

 

appetenda sit

gerundivum van verplichting

 

 

sit

coniunctivus vanwege de indirecte rede van de indirecte vraag (an …)

 

Immo vero nihil1s n ond magisBW probandum1s n estpv;

hoofdzin

 

 

 

immo vero

immo versterkt vero; vero = werkelijk, in de zin van : “het is echt zo!”; immo vero = ja, heus, …

 

 

magis

meer; een vertaling met beter is in het Nederlands wat duidelijker[44]

 

 

probandum

onzijdig, congruerend met nihil

 

 

probandum est

gerundivum van verplichting

 

nam

hoofdzin

specifieke voorwaardelijke zin met si in het heden met twee keer een praesens (potest, est)  [143]

 

si propter se4s  ipsam4s  expetendagdivum f est,

bijzin

de voorwaarde van de zin

 

 

expetenda est

gerundivum van verplichting; congrueert nog met amicita

 

potestpv ad illam accedereinf,

hoofdzin vervolg

de conclusie van de voorwaardelijke bijzin

 

 

accedere

accedere ad = iets naderen, iets bereiken; accedere ad amicitiam = vriendschap sluiten, dus je zou ad illam (=amicitiam) accedere kunnen vertalen met “vriendschap sluiten”: hij, die …, kan vriendschpa sluiten

 

qui1s ond se5s  ipso5s  contentus1s estpv'.

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met ingesloten antecendent als onderwerpszin bij potest [119]; dus de hele bijzin fungeert als het onderwerp van de hoofdzin[45]

 

QuomodoBW ergo ad illam acceditpr pv?

hoofdzin

hoofdzin met een directe vraag

 

 

quomodo

Het eerste quomodo, in deze zin, is een bijwoord gebruikt als vragend voornaamwoord (interrogativum): op welke wijze? = hoe?

 

 

illam

slaat terug op de amicitia

 

Quomodo ad rem pulcherrimam, non lucro5s captusppp 1p nec varietate5s fortunae2s perterritusppp 1p;

hoofdzin

Een hoofdzin[46] met quomodo als relatieve aansluiting.

De zin is verkort want er is geen persoonsvorm.

Er staat wel een komma voor non …  perterritus, maar dat maakt dat deel van de zin niet tot een bijzin.

 

 

quomodo

Dit tweede quomodo is hetzelfde bijwoord als in de vorige zin maar nu gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord (relativum): op zodanig wijze = zoals. Het is als het ware het antwoord op de vraag.

 

 

ad

herhaalt het “ad” in de vorige zin (“hoe komt je tot vriendschap?”): zoals je tot een zeer mooi iets komt

 

 

lucro

ablativus instrumenti

 

 

captus, perterritus

nominativus, terugverwijzend naar het onderwerp van accedit (hij) in de vorige zin.

 

 

varietate

ablativus causae

 

detrahitpr pv amicitiae3s maiestatem4s  lijd suam

hoofdzin

inhoudelijk onvolledige hoofdzin want het “echte” onderwerp is de bijzin

 

 

amicitiae

dativus bij detrahit: hij ontneemt (aan) de vriendschap …;

niet als genitivus amicitiae bij maiestatem proberen te trekken (“de grootsheid van de vriendschap”)

 

qui1s ond illam4s lijd paratpr pv ad bonos casus4p .

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin als onderwerpszin ([119] variant [13])

 

 

parat

< paro (parare), klaar maken, en ook zich verschaffen

 

 

ad bonos casus

tot goede zaken”; je kunt wat spelen met het woord bonus, dat goed als in “goed, beter, best” betekent. Als je casus, geval, vertaalt met situatie, kun je het eigenbelang dat in deze passage wordt geadresseerd tot uitdrukking brengen met een vertaling als “om zijn eigen situatie te verbeteren”.

 

 

 

 

 

 

 

 

9.13

'Se contentus est sapiens.' Hoc, mi Lucili, plerique perperam interpretantur: sapientem undique submovent et intra cutem suam cogunt. Distinguendum autem est quid et quatenus vox ista promittat: se contentus est sapiens ad beate vivendum, non ad vivendum; ad hoc enim multis illi rebus opus est, ad illud tantum animo sano et erecto et despiciente fortunam.

 

“De wijze heeft genoeg aan zichzelf.” Dat, mijn beste Lucilius, vatten de meesten verkeerd op: zij weren de wijze op alle manieren af en drijven hem in zichzelf. Men moet echter onderscheid maken tussen waar deze uitspraak voor staat en tot hoever die gaat: de wijze heeft aan zichzelf genoeg om gelukkig te leven, niet om te leven (op zichzelf); voor dit laatste immers heeft hij vele zaken nodig, voor dat eerste alleen een gemoed dat gezond is en moedig en het lot veracht.

 

 

 

 

 

'Se5s contentus1s estpv sapiens1s ond.'

hoofdzin

directe rede

 

Hoc4s lijd, miv Luciliv, plerique1p ond perperamBW interpretanturindi pr pas pv:

hoofdzin

 

 

perperam

lijkt een vrouwelijke accusativus maar is een bijwoord

 

 

interpretantur

< interpretor (interpretari), een deponens; dus gewoon actief vertalen met begrijpen, opvatten

 

sapientem4s lijd undique submoventpr pv et intra cutem4s f  suam coguntpr pv.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen; het lijdend voorwerp wordt gedeeld

 

 

submovent

< submoveo (submovēre); kun je vertalen als afweren, afhouden van of terugdringen

 

 

undique

letterlijk van plaats: aan alle kanten, overdrachtelijk in elk opzicht

Afhankelijk van hoe je submovent vertaalt, is de letterlijke of de overdrachtelijke vertaling logischer.

 

 

intra cutem

in zijn vel” = in zichzelf

 

Distinguendum1s n autem estpv

hoofdzin

structuur:

·     in de hoofdzin staat dat iets onderscheiden moet worden

·     wat dat is staat in de bijzin: quid et quatenus, “wat en hoever

·     die bijzin vormt het onderwerp van de hoofdzin

·     dus je zou kunnen zeggen: “Wat en tot hoever [die uitspraak (vox) …] moeten onderscheiden worden”

 

 

Distinguendum est

gerundivum van verplichting; let op het onzijdig: men moet onderscheiden; letterlijk: “Het is onderscheiden moetende worden

 

quid4s n et quatenusBW vox1s f  ond ista promittatconi pv:

bijzin

afhankelijke vraag als onderwerpszin van de hoofdzin [120]; aangezien de hoofdzin een passieve vorm heeft, is deze bijzin een onderwerpszin; had de hoofdzin een actieve vorm gehad, dan was het een lijdendvoorwerpszin geweest

 

 

vox

stem, woord, of zoals hier: uitspraak

 

 

promittat

< promitto, beloven, garanderen; in het Nederlands klinkt de combinatie “uitspraak” en “beloven” niet goed; staan (voor) als alternatief klinkt beter; quid wordt dan waarvoor

 

 

quid, quatenus

beide gebruikt als vragend voornaamwoord (interrogativum)

·     quid (< quis) is ook een vragend voornaamwoord (en dus verbogen: onzijdig accusativus)

·     quatenus is een bijwoord gebruikt als interrogativum (en bijwoorden worden niet verbogen, dus -us duidt niet op bijvoorbeeld een nominativus)

Dat quid een vragend voornaamwoord is en quatenus een bijwoord, wringt in het Nederlands. “Wat en tot hoever die uitspraak belooft” of “Waarvoor en tot hoever die uitspraak staat” kan niet. Dus dat moet iets worden als: “waarvoor die uitspraak staat en hoever die gaat”.

 

se5s contentus1s estpv sapiens1s ond ad beateBW vivendumgdium, non ad vivendumgdium;

hoofdzin

met twee nevengeschikte bepalingen (ad … en non ad …) zonder voegwoorden (asyndeton)

 

 

vivendum

gerundium = zelfstandig gebruikt werkwoord (zonder congruentie met een ander woord); dus est en vivendum niet samennemen en opvatten als een gerundivum van verplichting

 

ad hoc4s n enimBW multis illi3s rebus5p  opus1s est, ad illud4s n tantumBW animo5s ●● sano●● et erecto●● et despicienteppa .●● fortunam4s.

hoofdzin

met twee nevengeschikte bepalingen zonder voegwoorden (asyndeton) om aan te geven wat nodig is

 

 

opus est

een uitdrukking: het is nodig; heeft een ablativus bij zich (hier rebus)

 

 

hoc

verwijst naar het “dichtstbijzijnde”, dat is het laatstgenoemde (ad vivendum)

 

 

illud

verwijst naar het “verder verwijderde”, dat is het eerstgenoemde (ad beate vivendum)

 

 

animo

ook nog vanwege opus est een ablativus

 

 

despiciente

< despiciens; een ppa wordt wel als fortis verbogen, maar heeft als het als werkwoord wordt gebruikt toch een -e in de ablativus

 

 

fortunam

object bij despiciente: het lot verachtend

 

 

ad … ad …

anafora

 

 

 

 

 

 

 

 

9.14

Volo tibi Chrysippi quoque distinctionem indicare. Ait sapientem nulla re egere, et tamen multis illi rebus opus esse: 'contra stulto nulla re opus est - nulla enim re uti scit - sed omnibus eget'. Sapienti et manibus et oculis et multis ad cotidianum usum necessariis opus est, eget nulla re; egere enim necessitatis est, nihil necesse sapienti est.

 

Ik wil je ook het onderscheid tonen dat Chrysippus maakt. Hij zegt dat de wijze niets ontbeert, maar toch veel dingen nodig heeft: “De dwaze daarentegen heeft nergens behoefte aan – niets immers weet hij te gebruiken –, maar mist alles.” De wijze heeft en zijn handen en zijn ogen nodig en veel benodigdheden voor dagelijks gebruik; het ontbreekt hem aan niets, “ontbreken” immers duidt op “noodzaak”, niets is noodzakelijk voor een wijze.

 

 

 

 

 

Volopv tibi3s mew Chrysippi2s quoque distinctionem4s lijd indicareinf.

hoofdzin

met een aanvullingsinfinitivus (indicare)

 

 

Chrysippi

bij distinctionem

 

Aitpv sapientemACI nulla re5s  egereACI, et tamen multis●● illi rebus5p ●● opus4s n ACI esseACI:

hoofdzin

met twee keer een ACI van de indirecte rede: “hij zegt dat A, en dat B”; en daarna (“contra …) met een directe rede

 

 

egēre

+ ablativus (hier: re): behoefte hebben aan, iets missen

 

 

opus esse

ook met een ablativus (hier: multis rebus); de ACI is hier opus esse; opus is onzijdig en hier een accusativus; in 9.13, laatste zin, was het een nominativus; “[hij zegt] dat er behoefte is (voor hem) …

 

 

illi

De wjze is subjectsaccusativus in de eerste ACI (sapientem), maar komt in de tweede ACI terug als meewerkend voorwerp (illi = dativus).

 

'contraBW stulto3s nulla re5s f  opus est

hoofdzin DR

bestaande uit twee nevengeschikte delen gescheiden door sed; directe rede, nog steeds bij ait

 

 

contra

het bijwoord daarentegen, niet het voorzetsel tegen

 

 

illi <> stulto

tegenstelling: voor hem (=de wijze) <> voor de domme

 

- nulla enim re5s f  utiinf scitpr pv -

hoofdzin DR

een tussenzin

 

 

uti

de infinitivus passivi van het werkwoord gebruiken; een deponens; heeft een ablativus bij zich (hier: re): iets gebruiken

 

 

nulla re

geen enkele ding = niets

 

sed omnibus5p egetpr pv'.

hoofdzin DR vervolg

 

 

 

omnibus

een ablativus vanwege egeo (behoefte hebben, missen)

 

 

egeo <> opus est

betekenen allebei behoefte hebben aan, maar in egeo zit meer het aspect van gebrek hebben en missen, en heeft dus een negatieve connotatie

 

Sapienti3s et manibus5p et oculis5p et (multis ad cotidianum●● usum4s ●● necessariis5p ) opus estpv, egetpv nulla●● re5s f ●●;

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen (est, eget) zonder voegwoord gekoppeld (asyndeton)

 

 

ablativi

vanwege opus est (eerste gedeelte) en eget (tweede gedeelte)

 

 

et … et … et …

polysyndeton, anafora

 

egereinf ond enim necessitatis2s estpv, nihil1s ond necesse sapienti3s estpv.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen zonder voegwoord (anafora)

 

 

egēre

de infinitivus van een werkwoord kan, zoals hier, als zelfstandig naamwoord in de nominativus gebruikt worden: het ontbreken

 

 

necessitatis

predicaatsgenitivus

 

 

sapienti

een dativus vanwege necesse est

 

 

 

 

 

 

 

 

9.15

Ergo quamvis se ipso contentus sit, amicis illi opus est; hos cupit habere quam plurimos, non ut beate vivat; vivet enim etiam sine amicis beate. Summum bonum extrinsecus instrumenta non quaerit; domi colitur, ex se totum est; incipit fortunae esse subiectum si quam partem sui foris quaerit.

 

Dus, hoewel hij genoeg heeft aan zichzelf, heeft hij behoefte aan vrienden; van hen wil hij er zoveel mogelijk hebben, (maar) niet om gelukkig te leven; hij zal immers ook zonder vrienden gelukkig leven. Het hoogste goed zoekt geen middelen buiten; binnen vormt het zich; het is alles uit zichzelf; onderworpen te zijn aan het lot begint als het enig deel van zichzelf buiten zoekt.

 

 

 

 

 

Ergo quamvis se5s ipso5s contentus1s sitconi pv,

bijzin

concessieve bijwoordelijke bijzin (hoewel) [79]

 

amicis5p illi3s opus est;

hoofdzin

 

 

 

amicis illi opus est

wat er nodig is, staat in de ablativus (amicis); voor wie het nodig is, is het meewerkend voorwerp (indirect object) en staat in de dativus (illi)

 

hos4p lijd cupitpr pv habereinf quam plurimos4p,

hoofdzin

 

 

 

hos quam plurimos

quam + superlativus = zo veel mogelijk

 

 

habere

aanvullingsinfinitivus; hos habere is geen ACI want hos is niet het onderwerp van habere

 

non ut beateBW vivatconi pv;

bijzin

finale bijwoordelijke bijzin met non in plaats van ne [55 ]

 

 

non

Gebruikelijk is ne als ontkenning van een finale bijzin. Maar als hier ne had gestaan, had de zin iets anders betekend

·     ne ut beate vivat = om niet gezegend te leven (het doel is dan “niet gezegend te leven”

·     non ut beate vivat = niet om gezegend te leven : het doel (gezegend te leven) wordt ontkend

 

vivetindi fut pv enimBW etiamBW sine amicis5p beateBW.

hoofdzin

 

 

 

vivat - vivet

Merk op dat de twee woorden dicht bij elkaar geplaatst staan om nadruk te geven

 

Summum bonum1s n  ond extrinsecusBW instrumenta4p lijd non quaeritindi pr pv;

hoofdzin

 

 

 

extrinsecus

een bijwoord, niet een woord met een naamval en congruentie met een ander woord

 

domi5s coliturpas pv, ex se5s totum1s n predn est;

hoofdzin

twee nevengeschikte hoofdzinnen zonder voegwoord

 

 

domi

thuis; ablativus loci

 

 

colitur

< colo (colere), onder andere verbouwen, kweken; een vergelijking dus met het verbouwen van gewassen

 

 

totum est

het is alles/in het geheel; “het” slaat terug op bonum; totum is naamwoordelijk deel van het gezegde; de onzijdige vorm congrueert met bonum

 

incipitpr pv fortunae3s esse subiectum1s n

hoofdzin

neutrale specifieke voorwaardelijke zin in het heden met twee keer een indicativus praesentis  [143]; dit deel is de conclusie

 

 

incipit

onderwerp nog steeds summum bonum

 

 

subiectum

< subiectus; subiectus + dativus = onderworpen aan; subiectum is onzijdig, nog steeds door bonum

 

 

esse

aanvullingsinfinitivus

 

si quam partem4s f  lijd sui2s forisBW quaeritpr pv.

bijzin

de voorwaarde van de voorwaardelijke zin

 

 

quaerit

onderwerp is nog steeds summum bonum; personificatie

 

 

quam

= aliquam; bijvoeglijk bij partem (enig deel)

 

 

sui

partem sui = deel van hemzelf; reflexief en slaat terug op summum bonum

 

 

 

 

 

 

 

 

9.16

'Qualis tamen futura est vita sapientis, si sine amicis relinquatur in custodiam coniectus vel in aliqua gente aliena destitutus vel in navigatione longa retentus aut in desertum litus eiectus?' Qualis est Iovis, cum resoluto mundo et dis in unum confusis paulisper cessante natura acquiescit sibi cogitationibus suis traditus. Tale quiddam sapiens facit: in se reconditur, secum est.

 

“Hoe zal het leven van de wijze niettemin zijn, als hij zonder vrienden zou worden achtergelaten, in de gevangenis geworpen of in de steek gelaten bij een of ander vreemd volk of vastgehouden tijdens een lange bootreis danwel afgezet op een verlaten kust?” Zoals dat van Jupiter is, wanneer hij, nadat de wereld uit elkaar is gevallen en de goden in één (god) versmolten zijn, terwijl de natuur een tijdje tot stilstand komt, bij zichzelf rust vindt overgeleverd aan zijn eigen gedachten. De wijze doet iets dergelijks: hij trekt zich terug in zichzelf, hij is met zichzelf.

 

 

 

 

 

'Qualis tamen futurapfa estpv vita sapientis2s,

hoofdzin

voorwaardelijke toekomstige zin; deze heeft gewoonlijk een “als zou”-structuur met twee keer een coniunctivus potentialis: “X (de conclusie) zou optreden, als Y (de voorwaarde) het geval zou zijn”.

Deze zin heeft drie bijzonderheden:

·     geen coniunctivus in de conclusie, maar een futurum ([162]),

·     en dan geen gewone futuur, maar een pfa met een vorm van esse (futura est[47]; [152]), en ten derde

·     geen mededeling maar een vraag als “conclusie” (qualis est? [177]).

 

 

qualis vita

hoe(danig) [zal] het leven [zijn]

 

si sine amicis relinquaturconi pv

bijzin

de basis is si relinquatur, als hij achtergelaten wordt;

dat wordt gevolgd door vier situaties steeds met een ppp;

 

in custodiam coniectusppp

 

de ppp’s kun je in het Nederlands gewoon als voltooid deelwoorden vertalen, of met een bijzinnetje (nadat, wanneer)

 

vel in aliqua gente5s f  aliena destitutusppp

 

 

 

vel in navigatione5s f ●● longa●● retentusppp

 

retentus = vastgehouden, m.a.w. als hij niet van het schip af kan

 

aut in desertum●●● litus4s n ●●● eiectusppp?'

 

in litus eiectus = “uitgeworpen op een strand/kust” = afgezet wordt op een strand/kust

 

Qualis estindi pr pv Iovis2s,

hoofdzin

Een verkorte hoofdzin die het antwoord geeft op de vraag in de vorige qualis-zin. Denk erbij Vita est, qualis …: [Het leven is,] zoals dat van Jupiter, …

Daarmee is deze qualis een relatieve aansluiting: zodanig als

De zin staat in de tegenwoordige tijd omdat deze een “feitelijke gebeurtenis” beschrijft. Zie de opmerking bij dis … confusis.

 

cumVW resolutoppp AA mundoAA et disAA in unum4s m confusisppp AA paulisper cessanteppa AA naturaAA acquiescitindi pr pv sibi3s cogitationibus3p  suis traditusppp.

bijzin

een temporele bijwoordelijke bijzin met cum (wanneer) [35]; ook hier een aantal opsommingen in de vorm van drie ablativi absoluti.

·     2 met een ppp – voortijdig: nadat

·     de derde (cessante natura) met een ppa, dus gelijktijdig: terwijl

Aan het eind nog een ppp congruerend met het onderwerp (Jupiter).

 

 

resoluto mundo

nadat de wereld opgelost is

 

 

dis … confusis

nadat de goden in één [god} zijn versmolten

Het idee is dat eens in de zoveel tijd de hele wereld eindigt, met inbegrip van alle goden, en dat Jupiter alleen over is om de wereld (en de goden) opnieuw te scheppen.

 

 

unum

= unum deum = Jupiter

 

 

cessante

< cessans, ppa van cesso (cessare), hier niets doen

 

 

sibi

bij acquiescit: bij zichzelf rust/troost vindt; er is immers op dat moment ook niets of niemand anders…

 

 

cogitationibus suis

bepaling bij traditus; een dativus vanwege traditus (overgeleverd aan)

 

Tale quiddam4s  sapiensond facitpr pv:

hoofdzin

 

 

 

tale quiddam

een zodanig iets” = iets dergelijks; tale = accusativus onzijdig congruerend met quiddam

 

in se5s reconditurpv, secum estpv.

hoofdzin 2x

met twee nevengeschikte delen

 

 

reconditur

passief-reflexief: zich terugtrekken; het woordenboek geeft misschien “se recondo”, dus in de actieve vorm, als zich terugtrekken. De “se” in deze zin, in “in se”, is niet de se van “se condo”. “Reconditur” is op zich al hij trekt zich terug. “In se reconditur” is hij trekt zich terug in zichzelf.

 

 

secum

= cum se = met zichzelf

 

 

 

 

 

 

 

 

9.17

Quamdiu quidem illi licet suo arbitrio res suas ordinare, se contentus est; et ducit uxorem, se contentus; et liberos tollit; se contentus est et tamen non viveret si foret sine homine victurus.

 

 

Zolang het hem echter vrijstaat zijn zaken naar eigen goeddunken te regelen, heeft hij genoeg aan zichzelf; en hij trouwt, hij heeft (nog steeds) genoeg aan zichzelf; en hij voedt kinderen op; hij heeft genoeg aan zichzelf en toch zou hij niet (echt) leven, als hij zonder (enig ander) mens zijn leven zou slijten.

 

 

 

 

 

Quamdiu quidem illi3s licetindi pv suo arbitrio5s  res4p ●● suas●● ordinareinf,

bijzin

vooropgeplaatste temporele bijwoordelijke bijzin met quamdiu (zolang als) en een indicativus [48]

 

 

licet

licet + dativus = het staat iemand vrij

 

 

arbitrio

ablativus modi: beschrijft de manier waarop

 

 

res

object bij ordinare

 

 

ordinare

aanvullingsinfinitivus bij licet

 

se5s contentus1s estpv;

hoofdzin

 

 

et ducitpr pv uxorem4s lijd, se contentus;

hoofdzin 2x

met twee nevengeschikte delen; het tweede deel is verkort en heeft geen persoonsvorm.

 

et liberos4p lijd tollitpr pv;

hoofdzin

 

 

 

tollit

< tollo (tollere), omhoogheffen, en, zoals hier, ook grootbrengen

 

se5s contentus est et tamen non viveretconi impf pv

hoofdzin 2x

met twee nevengeschikte delen gekoppeld door et; het tweede deel (tamen …) is een voorwaardelijke zin; hij heeft twee coniunctivi imperfecti (zou): een irrealis in het heden [146]

 

 

non viveret

hij zou niet leven

 

si foretconi impf pv sine homine5s victuruspfa.

bijzin

de voorwaarde; het bijzondere hier is de futurum vorm foret victurus (zie voetnoot 47 hierboven)

 

 

foret

is een andere vorm voor esset (coniunctivus imperfecti)

 

 

[si] foret victurus

= [si] esset victurus = [als] hij levend zou zullende te zijn

Dat is te veel voor het Nederlands. Een pfa constructie zoals deze geeft een “bedoelde handeling in de toekomst weer”: als hij van plan zou zijn om te leven …

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ad amicitiam fert illum nulla utilitas sua, sed naturalis irritatio; nam ut aliarum nobis rerum innata dulcedo est, sic amicitiae.

 

 

Geen van zijn behoeften, maar een natuurlijke prikkel brengt hem tot vriendschap; want zoals die (prikkel) voor ons een aangeboren verlangen is wat betreft andere dingen, zo ook (is die dat) wat betreft vriendschap.

 

 

 

 

 

Ad amicitiam4s fertpv illum4s lijd (nulla utilitas1s f  ond sua), sed naturalis●● irritatio1s f ●● ond;

hoofdzin

met als onderwerp twee nevengeschikte delen gescheiden door sed (maar); de structuur is dus iets als “niet dit maar dat brengt [hem tot vriendschap]

 

 

nulla utilitas sua

het onderwerp; in het Nederlands kunnen we niet zowel een woord als nulla (geen, een telwoord in het Nederlands) als een bezittelijk voornaamwoord (sua, zijn) combineren; dus we veranderen geen in geen van; dat forceert in het Nederlands een meervoud van utilitas (behoefte); in het Latijn staat een enkelvoud

 

nam utBW aliarum nobis3p mew rerum2p  innata●● dulcedo1s f ●● estpv, sic amicitiae2s.

hoofdzin

gekoppeld aan de vorige door nam (want);

dulcedo lijkt het onderwerp (“het verlangen is …”), maar is predicaatsnomen (zie hieronder) (“… is een verlangen”); het onderwerp is de prikkel (irritatio) uit de vorige zin

 

 

dulcedo

gewoonlijk bekoring, zoetheid, en, zoals hier, verlangen;

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde); daarom een nominativus

 

 

ut

het bijwoord[48] ut, zoals; er is hier geen sprake van een bijzin, maar van een vergelijking binnen één zin

 

 

ut … sic …

omdat ut in het Nederlands met zoals wordt vertaald, wordt sic, zo, wat dubbelop; letterlijk zoals [A], zo [is B];

ut en sic koppelen hier twee woordgroepen in de genitivus

 

 

aliarum rerum, amicitiae

genitivus obiectivus (tot, wat betreft, …)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quomodo solitudinis odium est et appetitio societatis, quomodo hominem homini natura conciliat, sic inest huic quoque rei stimulus qui nos amicitiarum appetentes faciat.

 

Zoals wij een hekel hebben aan eenzaamheid, en een verlangen naar gezelschap, zoals de natuur de (ene) mens wint voor een (ander) mens, zo zit er in deze zaak ook een prikkel die moet zorgen dat wij naar vriendschappen verlangen.

 

 

 

 

 

Quomodo solitudinis2s odium1s ond estpv et appetitio1s ond societatis2s,

quomodo hominem4s lijd homini3s natura1s ond conciliatindi pr pv,

bijzin

vooropgeplaatste bijwoordelijke vergelijkende bijzin [90 ]

·     het is een dubbele bijzin; quomode …, quomodo …; zonder voegwoord (anafora, asyndeton)

·     in het eerste deel is er weer een tweesplitsing: odium et appetitio (tegenstelling, chiasme)

·     in de hoofdzin staat een correlativum sic;
quomodo … sic … = zoals … zo …

 

 

odium est

denk erbij nobis; odium/appetitio nobis est = haat/verlangen is voor ons = wij hebben een haat/verlangen

 

 

conciliat

< concilio (conciliare), verwerven, winnen; concilio + dativus = winnen voor iets/iemand

 

 

homini

dativus vanwege conciliat

 

sic inestpv huic quoque rei3s  stimulus1s ond

hoofdzin

 

 

 

rei

dativus vanwege inest (zijn in)

 

qui1s ond nosACI amicitiarum2p appetentesppa 4s ACI faciatconi pv.

bijzin

finale betrekkelijke bijzin bij rei [20]; de bijzin gebruikt een coniunctivus

 

 

nos appetentes

ACI; infinitivus esse is weggelaten

 

 

amicitiarum

genitivus vanwege appeto (appetere): verlangen naar

 

 

 

 

 

 

 

 

9.18

Nihilominus cum sit amicorum amantissimus, cum illos sibi comparet, saepe praeferat, omne intra se bonum terminabit et dicet quod Stilbon ille dixit, Stilbon quem Epicuri epistula insequitur.

 

Desalniettemin, hoewel hij zeer van zijn vrienden houdt, hoewel hij hen aan zichzelf gelijkstelt, (hen) dikwijls boven (hemzelf) stelt, zal hij al het goede begrenzen tot binnen hemzelf en zeggen wat die Stilbon zei, Stilbon die door de brief van Epicurus bespot werd.

 

 

 

 

 

Nihilominus

hoofdzin

hoofdzin met 3 bijzinnen

 

cum sitconi pv amicorum2p amantissimus,

bijzin

een concessieve bijwoordelijke bijzin met cum (hoewel) [30]

 

 

sit amantissimus

hij zeer beminnend is” = hij zeer veel houdt van

 

cum illos4p lijd sibi3s comparetconi pv,

bijzin

tweede bijzin met cum (hoewel)

 

 

comparet

kan van twee werkwoorden komen:

·     comparo (comparare, een samengesteld werkwoord van com en parare, gereedmaken), zorgen voor, verwerven

·     comparo (comparare, afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord par, gelijk), vergelijken met, gelijk stellen aan (+dat)

Grammaticaal kan het allebei:

·     hoewel hij hen voor zichzelf verwerft

·     hoewel hij hen aan zichzelf gelijkstelt

Bedoeld is hier de tweede betekenis.

 

saepe praeferatconi pv,

bijzin

derde bijzin, nu zonder cum

Je kan ‘m ook als deel van de vorige beschouwen en dan nevengeschikt zonder voegwoord (asyndeton), als een soort correctie: “gelijkstelt, nee, dikwijls bóven hem acht”.

 

omne intra se4s bonum4s  lijd terminabitfut pv

hoofdzin vervolg

 

 

et dicetfut pv

hoofdzin

tweede hoofdzin nevengeschikt met et (en); de zin is incompleet en de bijzin vult ‘m aan

 

quod4s lijd Stilbon ond ille dixitpf pv,

bijzin

betrekkelijke bijzin als lijdendvoorwerpszin [112]

 

Stilbon

bijstelling

bijstelling (appositie) bij Stilton in de bijzin

 

quem4s lijd Epicuri2s epistula1s ond insequiturindi pv.

bijzin

bijzin bij de bijstelling; betrekkelijke bijzin ([1] variant [16])

 

 

insequitur

< insequor (insequi, een deponens), gewoonlijk volgen, achtervolgen, en ook, zoals hier, bespotten

 

 

epistula

onderwerp; de brief bespot Stilbon dus

 

 

quem

quem [epistula insequitur] = die de brief bespot; in het Nederlands kun je niet zien of horen wat wie of wie wat bespot, dus passief maken: die door de brief wordt bespot  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hic enim capta patria, amissis liberis, amissa uxore, cum ex incendio publico solus et tamen beatus exiret, interroganti Demetrio, cui cognomen ab exitio urbium Poliorcetes fuit, num quid perdidisset, 'omnia' inquit 'bona mea mecum sunt'.

 

Hij immers, nadat zijn vaderstad was ingenomen, hij zijn kinderen verloren had, hij zijn vrouw verloren had, toen hij alleen en toch gelukkig aan de vernietiging van zijn stad ontkwam, zei aan Demetrius, die door het verwoesten van steden de bijnaam Poliorcetes had, en die hem vroeg of hij iets verloren had: “Al mijn goede zaken heb ik bij mij.”

 

 

 

 

 

Hic1s ond enim captaAA patriaAA, amissisAA liberisAA, amissaAA uxoreAA,

hoofdzin

Hoofdzin met de persoonsvorm (inquit) bijna aan het eind. Structuur:

·     aan het begin 3 ablativi absoluti, temporeel (toen/nadat)

·     dan een cum zin (toen)

·     weer een ablabs, nu praesens, ook temporeel (terwijl/toen)

·     dan een betrekkelijke bijzin

·     een afhankelijke vraag, en dan eindelijk

·     de persoonsvorm met een stuk directe rede

 

 

amissis, amissa

< amitto (amittere), weg laten gaan, maar ook, zoals hier, verliezen

 

 

 

 

 

cum ex incendio5s  publico solus1s et tamen beatus1s exiretconi impf pv,

bijzin

bijwoordelijke bijzin met cum (toen) en een coniunctivus [37]

 

incendio publico

[uit] de publieke brand”; incendium kan ook vernietiging betekenen; als je publicus dominant vertaalt, kun je vertalen: [uit] de vernietigde staat/stad

 

 

solus, beatus

bij het onderwerp (hij) van exiret

 

interroganti3s Demetrio3s mew,

hoofdzin vervolg

 

 

 

interroganti Demetrio

geen ablabs; een ppa gebruikt in een ablabs een -e als uitgang voor de ablativus; hier is Demetrio een indirect object (meewerkend voorwerp, dativus) bij inquit verderop; interroganti is dan hier ook een dativus: “[hij zei] aan de vragende Demetrius

; als een ppa bijvoeglijk wordt gebruikt, hier een -i; als je inquit als een praesens vertaalt (zie verderop), kun je de ablabs hier met terwijl/wanneer vertalen, anders met toen; het laatste is logischer, want in de vorige zin werd dixit (hij zei) gebruikt

 

cui3s cognomen1s ond ab exitio5s urbium2s Poliorcetes1s fuitpv,

bijzin

betrekkelijke bijzin met het relativum in de dativus ([1] variant [15])

 

 

cui fuit

aan wie was” = die had

 

 

Poliorcetes

predicaatsnomen; “Belegeraar”[49]

 

num quid4s n lijd perdidissetconi pqpf pv,

bijzin

een afhankelijke vraag; de bijzin fungeert als object bij interroganti [110];

 

 

quid

= aliquid (iets)

 

 

perdidisset

de coniunctivus is vanwege de afhankelijke vraag

 

'omnia' inquitpv 'bona1p n  mea me5scum suntpv'.

hoofdzin vervolg

het stuk in de directe rede fungeert als lijdend voorwerp van inquit [118]

 

 

inquit

kan zowel praesens (hij zegt) zijn, als perfectum (hij heeft gezegd/hij zei); hier lijkt een perfectum logische (zie ook hierboven)

 

 

omnia

Het lijkt bijna een woordspeling. Je verwacht, gezien het voorgaande, “’alles’, zei hij, ‘[heb ik verloren]’”, waarbij je omnia als onzijdig meervoud leest. Maar het wordt: al mijn goede dingen [heb ik bij me].

 

 

 

 

 

 

 

 

9.19

Ecce vir fortis ac strenuus! Ipsam hostis sui victoriam vicit. 'Nihil' inquit 'perdidi': dubitare illum coegit an vicisset. 'Omnia mea mecum sunt': iustitia, virtus, prudentia, hoc ipsum, nihil bonum putare quod eripi possit.

 

 

Kijk, een man dapper en sterk! Zelfs de overwinning van zijn vijand heeft hij overwonnen. “Niets”, zei hij, “heb ik verloren.” Hij dwong hem te betwijfelen of hij overwonnen had. “Al mijn zaken heb ik bij mij”: rechtvaardigheid, moed, verstand, dit met name, (namelijk) niets als iets goeds te beschouwen dat weggerukt kan worden.

 

 

 

 

 

Ecceimp vir1s  fortis ac strenuus!

hoofdzin

 

 

Ipsam hostis2s ●● sui●● victoriam4s lijd vicitpf pv.

hoofdzin

 

 

 

hostis

kan zowel nominativus als genitivus zijn; hier een genitivus; dus geen onderwerp (“de vijand overwon”)

 

 

sui

bij hostis, zijn vijand

 

 

ipsam … victoriam

hyperbaton

 

 

vicit

perfectum van vinco (vincere), overwinnen

 

'Nihil4s lijd' inquitpv 'perdidipv':

hoofdzin DR

hoofdzin met directe rede (DR) [118]

 

dubitareinf illum4s lijd coegitpv

hoofdzin

 

 

 

dubitare

aanvullingsinfinitivus bij coegit

 

 

dubitare illum

geen ACI (“hij dwong dat hij twijfelde”)[50]

 

an vicissetpv.

bijzin

afhankelijke vraag; direct zou zijn: “vicisti?” (heb je overwonnen?); de bijzin fungeert als lijdend voorwerp bij dubitare [118]

 

'Omnia1p  ond mea me5scum suntpv':

hoofdzin

Kun je als een losse hoofdzin zien, of een tweede lijdendvoorwerpszin bij inquit in de vorige zin

 

 

omnia

denk erbij bona

 

iustitia1s, virtus1s, prudentia1s, hoc1s n ●● ipsum●●,

hoofdzin

Gezien de plaatsing van de aanhalingstekens, is dit geen deel van de directe rede, maar kennelijk commentaar van Seneca. Het is een onvolledige zin want de persoonsvorm mist.

 

 

iustitia, …

De drie woorden iustitia, virtus en prudentia, en ook hoc en putare, zijn nominativi. Als het Seneca’s woorden zij, kun je de zin aanvullen door bijvoorbeeld: “[iustitia, …] enim tecum sunt”.

 

nihil4s n lijd bonum4s n putareinf 1s n ●●

bijstelling

bij hoc ipsum; putare is de kern van de bijstelling en congrueert met hoc: “juist dit, [namelijk] […] te denken

 

 

putare

een infinitivus kan als nominativus gebruikt worden; een werkwoord dat als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt is onzijdig;

putare + dubbele accusativus = iets beschouwen als

 

 

nihil

object bij putare;

 

 

bonum

tweede object bij putare; zelfstandig gebruikt bijv. nw. bonus, goed: iets dat goed is = iets goeds

 

quod1s eripiinf pas possitconi pv.

bijzin

definiërende betrekkelijke bijzin na een ontkennend woord (nihil) ([24] variant [13]); zo’n bijzin gebruikt gewoonlijk een coniunctivus;

antecedent is nihil

 

 

eripi

passieve infinitivus: weggerukt te worden; aanvullingsinfinitivus bij possit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Miramur animalia quaedam quae per medios ignes sine noxa corporum transeunt: quanto hic mirabilior vir qui per ferrum et ruinas et ignes inlaesus et indemnis evasit!

 

Wij bewonderen sommige dieren die midden door vuur gaan zonder schade aan hun lichaam: hoeveel meer is deze man bewonderenswaardig die door het wapengeweld en de puinhopen en de vuurzeeën heen ontsnapte, ongedeerd en zonder schade!

 

 

 

 

 

Miramurpr pv animalia4p  lijd quaedam

hoofdzin

 

 

quae1p n per medios●● ignes4p sine noxa5s corporum2p transeuntindi pr pv:

bijzin

betrekkelijke bijzin met een indicativus ([1] variant [13]); de indicativus geeft aan dat de mededeling als feit is bedoeld

 

 

medios ignes

medios dominant vertalen: “door de middelste vuren” = door het midden van het vuur; het meervoud ignes kun je verwoorden door het in het Nederlands onbepaald te houden: midden/dwars door vuur

 

 

noxa

< noxa, -ae

 

 

corporum

net als bij ignes, wordt het wat geforceerd in het Nederlands om het meervoud te vertalen; “aan hun lichaam” bedoelt in het Nederlands natuurlijk ook een meervoud: aan het lichaam van elk beest dat door vuur loopt.

 

quanto hic mirabilior predn vir1s  ond

hoofdzin

denk erbij est

 

 

quanto

quanto + comparativus = hoeveel [meer bewonderenswaardig]

 

 

morabilior

predicaatsnomen

 

qui1s ond per ferrum4s et ruinas4p et ignes4p inlaesus1s et indemnis1s evasit!

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin ([1] variant [13]); antecedent is hic vir

 

 

per

te verbinden met evasit: hij ontsnapt terwijl hij door de wapens, vernielingen en vuur heen rent; niet “ongedeerd door […]” 

 

 

inlaesus

ongedeerd, d.w.z. zonder wonden

 

 

indemnis

zonder schade, d.w.z. zonder verlies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vides quanto facilius sit totam gentem quam unum virum vincere? Haec vox illi communis est cum Stoico: aeque et hic intacta bona per concrematas urbes fert; se enim ipse contentus est; hoc felicitatem suam fine designat.

 

Je ziet hoeveel makkelijker het is een heel volk te overwinnen dan één man. Deze uitspraak deelt hij met de stoïcijn: op gelijke wijze draagt ook hij zijn goede zaken ongedeerd door de platgebrande steden; juist hij heeft immers genoeg aan zichzelf; met die grens bepaalt hij zijn geluk.

 

 

 

 

 

Videsindi pr pv

hoofdzin

De vraag is of vides als vraag (“Zie je, hoeveel … ?”), retorisch of niet, of als mededeling is bedoeld (“Je ziet, hoeveel …”). Het vraagteken aan het eind heeft er nooit gestaan aangezien het Latijn geen interpunctie kende.[51] Persoonlijk zie ik deze zin als een conclusie, dus mededelend, van het voorgaande.

De zin is onvolledige zin en de bijzin fungeert als lijdend voorwerp.

 

quantoBW facilius1s n  predn sitconi pr act totam●● gentem4s f ●● quam unum●●● virum4s m ●●● vincereinf n ?

bijzin

afhankelijke vraag als lijdendvoorwerpszin; de afhankelijke vraag regeert een coniunctivus [110]

 

 

quanto

de ablativus van quantus gebruikt als bijwoord[52] (hoeveel)

 

 

facilius

< facilior, de comparativus van het bijvoeglijk naamwoord facilus (makkelijk): makkelijker; en dan daarvan het onzijdig;

dus niet het bijwoord makkelijker (ook facilius)

·     het bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt omdat het naamwoordelijk deel van het gezegde is (predicaatsnomen)

·     het is onzijdig omdat (zie hieronder) vincere als zelfstandig naamwoord gebruikt werkwoord onzijdig is

 

 

vincere

als zelfstandig naamwoord gebruikt werkwoord; structuur:

·     de basis is een mededeling: “Facilius est gentem vincere [quam …].” (“Een volk overwinnen is gemakkelijker [dan …]”)

·     de directe vraag wordt dan: Quanto facilius est gentem (quam …] vincere?” (Hoeveel makkelijker is het een volk te overwinnen [dan …?)

·     indirect wordt est een coniunctivus van de indirecte rede: “Vides, quanto facilius sit [quam  …]” (Je ziet hoeveel makkelijker het is [dan …]

 

 

gentem, virum

object bij vincere

 

Haec vox1s f  illi3s communis1s estpv cum Stoico5s:

hoofdzin

 

 

 

vox

stem, woord, maar ook uitspraak

 

 

vox illi est

de uitspraak is voor hem [gemeenschappelijk]” = hij heeft deze uitspraak [gemeenschappelijk] = hij deelt deze uitspraak

 

 

Stoïco

< stoïcus, de stoïcijn

 

aequeBW etBW hicond intacta bona4p  lijd per concrematasppp ●● urbes4p f ●● fertpr pv;

hoofdzin

 

 

aeque

op dezelfde wijze

 

 

et hic

et als bijwoord nemen (ook) en niet als voegwoord (en);

bij hic trekken: ook hij

 

se5s enim ipse1s contentus1s estpv;

hoofdzin

 

 

 

se … ipse

niet in de verleiding komen om “hij [heeft] aan zichzelf [genoeg]” te vertalen, met ipse = zelf; dat zou “se ipso” zijn; dus: juist (=ipse) hij [heeft] aan zichzelf (=se) [genoeg]

 

hoc5s hy felicitatem4s f ●● lijd suam●● fine5s m  hy designatpv.

hoofdzin

 

 

 

hoc … fine

hyperbaton

 

 

 

 

 


 

2.1.4         Epistula 34

 

34

Seneca Lucilio suo salutem

 

Seneca groet zijn Lucilius

 

 

 

 

 

Senecaond Lucilio3s  suo salutem4s lijd

hoofdzin

 

 

 

 

 

1

Cresco et exsulto et discussa senectute recalesco quotiens ex iis quae agis ac scribis intellego quantum te ipse - nam turbam olim reliqueras - superieceris.

 

Ik groei en juich en omdat mijn ouderdom is verdreven, word ik weer warm, elke keer als ik uit die dingen die jij doet en schrijft, begrijp hoezeer jij jezelf hebt overtroffen – want je had de menigte allang achtergelaten.

 

 

 

 

 

Crescopr pv et exsultopr pv et discussappp  AA senectute5s f AA recalescopr pv

hoofdzin (3x)

Drie nevengeschikte hoofdzinnen verbonden door et (polysyndeton); de derde heeft een ablabs

 

 

cresco

groeien; niet letterlijk; kan vertaald worden met zwellen, of geïnterpreteerd worden als moed krijgen, van trots zwellen; maar je kan die interpretaties ook (net als Cicero?) aan de lezer overlaten en gewoon groeien vertalen

 

 

discussa

< discutio (discutere), stukslaan, uiteendrijven, verdrijven; als je wat vrijer met afschudden vertaalt, dan maakt je van de passieve ablabs (de ouderdom wordt afgeschud) een actieve bijzin: nadat/omdat ik mijn ouderdom heb afgeschud; je kan voor een causale (omdat) of temporele (nadat) bijzin kiezen

 

quotiensBW ex iis5p n

bijzin 1

bijwoordelijke temporele bijzin [50]; qua context zal deze bijzin bij het geheel van de drie hoofdzinnen horen

 

 

iis

gezien het quae wat erop volgt, zijn hier dingen of zaken bedoeld, dus is het onzijdig

 

quae4p n agispr pv ac scribispr pv

bijzin  2

bij bijzin 1; betrekkelijk met antecedent (iis) ([1] variant [16])

 

intellegopr pv

bijzin 1 vervolg

 

 

quantumBW te4s ipse1s ond – […] – superiecerisconi pv.

bijzin 3

indirecte vraag als lijdendvoorwerpszin bij intellego [110]

 

 

quantum

het bijwoord hoezeer in de vragende vorm: “Hoezeer ben jij gegroeid?[53]; en hier dan als relativum gebruikt in de indirecte vraag (ik begrijp hoezeer …)

 

 

te

let op: een accusativus; dus geen onderwerp maar reflexief: jij hebt jezelf overtroffen; dan komt daar ipse (zelf) bij en dat is een nominativus dus wél onderwerp; letterlijk is dat dan “[hoezeer] jij zelf jezelf hebt overtroffen” Dat gaat in het Nederlands niet en we zullen er gewoon “jij jezelf” van moeten maken.

 

 namVW turbam4s lijd olim reliquerasindi plqpf act pv

hoofdzin

een tussenzin

 

 

nam

nam (want) is een voegwoord; het leidt geen bijzin in, maar begint een hoofdzin

 

 

reliqueras

let op: een perfectum vorm; < relinquo (relinquere), reliqui, relictus (let op het ennetje); plusquamperfectum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Si agricolam arbor ad fructum perducta delectat, si pastor ex fetu gregis sui capit voluptatem, si alumnum suum nemo aliter intuetur quam ut adulescentiam illius suam iudicet, quid evenire credis iis qui ingenia educaverunt et quae tenera formaverunt adulta subito vident?

 

Als een boom die tot (het dragen van) vruchten is gebracht zijn boer blij maakt, als de herder genoegen vindt in het jongen van zijn kudde, als niemand zijn pupil op een andere manier bekijkt dan dat hij diens volwassen worden gelijk stelt aan zijn eigen (volwassen worden), wat denk je dat hun overkomt die karakters hebben gevormd en (die deze karakters) welke zij als jonge (karakters) hebben gevormd, plotseling als volwassen (karakters) zien?

 

 

 

 

 

Si agricolam4s m lijd arbor1s f  ond (ad fructum perductappp) delectatindi pr pv,

bijzin “als” 1

Een van drie vooropgeplaatste voorwaarden van een voorwaardelijke zin. De hele zin is

·     een voorwaardelijke zin in vragende vorm ([177]),

·     de hoofdzin begint verderop met “quid …?”  (wat …?) en

·     is een realis in het heden (met indicativi) [143].

 

 

agricolam arbor

let op: de boer is het lijdend voorwerp en de boom is het onderwerp

 

 

perducta

< perductus, ppp van perduco (perducere); perducere as = brengen tot

 

 

fructum

< fructus, vrucht; “tot vrucht brengen” betekent dan zover “gebracht” dat er vruchten zijn, dat er opbrengst is

 

si pastorond (ex fetu5s gregis2s) sui3s mew capitpr pv voluptatem4s lijd,

bijzin “als” 2

2e voorwaarde

 

pastor

de boer was hierboven lijdend voorwerp, maar de herder is hier gewoon onderwerp

 

 

sui capit voluptatatem [ex]

letterljk“voor zichzelf genoegen neemt [uit]” = genoegen beleeft [aan]

 

 

fetu

< fetus, vrucht, kind, jong, maar ook het voortbrengen, het jongen; fetu is enkelvoud; om te vertalen “[genoegen beleeft] aan de jongen (= de jonge dieren) [van de kudde]” is dus op het randje; de vertaling met “[genoegen beleeft] aan het jongen [van de kudde]” is dan beter, maar is wat ongebruikelijk Nederlands; een omschrijving met een bijzin is misschien het beste: “[blij is] als de kudde jongen voortbrengt

 

si alumnum4s  suum nemoond aliter intueturindi pr pv quam

bijzin “als” 3

3e voorwaarde; climax;

De structuur van de zin is:

·     de hoofdstructuur van de zin is een werkwoord + 2x accusativus: “hij bekijkt A als B”. A = alumnum; B = “aliter quam ut … iudicet”
De eerste (A) is het lijdend voorwerp (direct object); de tweede (B) heet een predicaatsaccusativus.

·     Dat B-deel had een eenvoudig zelfstandig naamwoord kunnen zijn, zoals als “niemand bekijkt zijn pupil anders dan ‘zijn zoon’ (om maar wat te verzinnen). Maar hier is het B-deel een complete bijzin: ut …. Wij kunnen in het Nederlands precies hetzelfde doen: “anders dat dat …”.

·     Het B-deel is in de kern een vergelijking in de vorm van een comparativus + quam (zoals in “groter dan”). Aliter (anders) is geen comparativus maar heeft hier wel die rol: anders dan.

·     De combinatie comparativus + quam + ut + coniunctivus is een vaste combinatie. Zie hieronder.

 

 

nemo aliter

dubbele ontkenning (“niemand bekijkt het anders dan zo” = “iedereen bekijkt het zo”).

 

ut (adulescentiam4s lijd illius2s) suam4s iudicetconi pv,

bijzin 4

bijzin bij bijzin 3; grammaticaal is dit een bijzin van gevolg [78]

 

 

quam ut + coni

een vaste combinatie (anders dan dat); de coniunctivus wordt beschouwd als een coniunctivus consecutivus (van gevolg)

 

 

iudicet

<iudico (iudicare), oordelen, menen; met een dubbele accusativus: beschouwen als, houden voor;

Ook hier dus, net als intuetur in de hoofdzin, een werkwoord met een dubbele accusativus.

 

 

adulescentiam

de “eerste” accusativus bij iudicet

 

 

suam

de “tweede” accusativus bij iuducet; dus niet bij adulescentiam trekken, maar het woord er wel opnieuw bij denken: “adulescentiam illius” tegenover “adulescentiam suam”

 

 

illius

verwijst naar alumnum

 

quid4s lijd evenireinf credisindi pr pv  iis3p

hoofdzin “dan”

De “conclusie” van de als-dan zin, maar dan wel in een vragende vorm (directe vraag).

 

 

quid

lijdend voorwerp (object) bij credis: wat geloof je?

 

 

evenire

aanvullingsinfinitivus bij credis; quid evenire is geen ACI[54]; quid is zowel lijdend voorwerp van credis als “onderwerp” van evenire

 

 

iis

= eis

 

qui1p ond ingenia4p n  lijd educaveruntpf pv

bijzin 1a

feitelijke betrekkelijke bijzin; relativum is onderwerp in de bijzin; antecedent van qui is iis ([1] variant [13])

 

 

qui

onderwerp van bijzin 1A hier en, hieronder, ook van vident in bijzin 1B.

 

et

bijzin 1b

tweede betrekkelijke bijzin, nevengeschikt aan de eerste; 

 

 

qui … et quae

quae begint niet een tweede bijzin op het niveau van de qui-zin; de structuur is: qui […] educaverunt et […] vident

 

quae4p n lijd tenera4p  formaveruntindi pf pv

bijzin 2

bij bijzin 1b; vooropgeplaatst met ingesloten antecent ([4] variant [16]); het antecedent is ingesloten want in bijzin 1b staat ingenia niet herhaald; er staat letterlijk “[en] welke zij […] gevormd hebben, zien zij […]”; inhoudelijk slaat quae natuurlijk wel terug op ingenia en dat beplaalt ook het getal en geslacht (onzijdig meervoud); de hele bijzin fungeert als lijdend voorwerp van bijzin 1b [112]

 

 

tenera

predicaatsaccusativus: “als”; denk er ingenia bij

 

adulta4p  subitoBW videntindi pr pv?

bijzin 1b vervolg

 

 

 

adulta

net als tenera een predicaatsaccusativus: “als”; denk er ingenia bij; het is de tegenhanger van tenera

 

 

 

 

 

 

 

 

34.2

Adsero te mihi; meum opus es. Ego cum vidissem indolem tuam, inieci manum, exhortatus sum, addidi stimulos nec lente ire passus sum sed subinde incitavi; et nunc idem facio, sed iam currentem hortor et invicem hortantem.

 

Ik maak je tot de mijne; jij bent mijn werk. Toen ik jou aanleg had gezien, heb ik mijn hand op (je) gelegd, heb ik je aangespoord, heb ik je aangezet en heb ik niet toegestaan om langzaam te gaan, maar heb ik je steeds weer opgejut; en nu doe ik hetzelfde maar ik spoor iemand aan die al rent en op zijn beurt (mij) aanspoort.

 

 

 

 

 

Adseropr pv te4s lijd mihi3s;

hoofdzin

 

 

 

adsero

met een dativus: rekenen tot, toekennen aan; dus letterlijk: “ik ken je aan mij toe

 

meum opus1s  n espv.

hoofdzin

 

 

Egoond cum vidissemconi pqpf indolem4s f  lijd tuam,

bijzin

temporele bijwoordelijke bijzin met cum [37]

 

iniecipf pv manum4s lijd,

hoofdzin 1A

opsomming van 3 korte hoofdzinnen zonder voegwoord: asyndeton

 

(exhortatusppp sum)pv,

hoofdzin 1B

 

 

 

exhortatus sum

exhortator is een deponens; dus exhortatus sum is ik heb aangespoord, niet “ik ben aangespoord

 

addidipf pv stimulos4p lijd

hoofdzin 1C

 

 

nec lenteBW ireACI (passusppp sum)pv

hoofdzin 2 deel 1

4e hoofdzin, nu wel met een voegwoord (nec, en niet); bestaat uit twee nevengeschikte delen: [en] niet […], maar […]

 

 

lente

bijwoord bij ire

 

 

ire

denk er “te”, jij, bij, wat dan de “A” van de ACI is

 

 

passus sum

patior is een deponens; dus passus sum is ik heb toegestaan, niet “ik ben toegestaan” (als dat al goed Nederlands zou zijn)

 

sed subindeBW incitavipf pv;

hoofdzin 2 deel 2

 

 

et nunc idem4s n faciopr pv,

hoofdzin 3 deel 1

volgende hoofdzin met et (en) gekoppeld aan de vorige en met twee nevengeschikte delen (… sed …)

 

sed iam currentemppa 4s lijd hortorpr pv et invicemBW hortantemppa lijd.

hoofdzin 3 deel 2

dit tweede deel heeft een lijdend voorwerp met weer twee nevengeschikte delen: currentem et hortantem

 

 

currentem

zelfstandig gebruikt: een rennende = iemand die rent

 

 

hortanten

tweede lijdend voorwerp bij hortor: een aansporende = iemand die aanspoort

 

 

hortor hortantem

ik spoor de aansporende aanpolyptoton

 

 

invicem

op z’n beurt, omgekeerd; bij hortantem; een bijwoord, dus geen congruentie met hortantem; een vertaling met “die omgekeerd aanspoort” betekent die mij aanspoort; als je op zijn beurt vertaalt, kan je dat ook interpreteren die nu zelf anderen aanspoort

 

 

 

 

 

 

 

 

34.3

'Quid illud?' inquis 'adhuc volo.' In hoc plurimum est, non sic quomodo principia totius operis dimidium occupare dicuntur. Ista res animo constat; itaque pars magna bonitatis est velle fieri bonum. Scis quem bonum dicam? perfectum, absolutum, quem malum facere nulla vis, nulla necessitas possit.

 

“Hoezo?”, zeg je, “Ik wil nog steeds.” Daar zit het mééste in,

niet zoals men zegt dat het begin de hélft van het werk is. Deze zaak hangt af van je instelling; dus een groot deel van goedheid is goed te willen worden. Weet je wie ik goed noem? Iemand die volmaakt, voltooid is, die door geen enkele kracht, geen enkele noodzaak slecht gemaakt kan worden.

 

 

 

 

 

'Quid illud?' inquis 'adhucBW volopr pv.'

hoofdzin

met een ingebedde hoofdzin als directe rede [118]

 

 

quid illud

een uitdrukking: wat zou dat?

 

In hoc5s plurimum1s n estpv,

hoofdzin A

 

 

 

hoc

slaat terug op “volo”

 

 

plurimum

staat tegenover dimidium in de volgende zin; je kunt het met “zeer veel” vertalen, maar “het meeste” benadruk beter dat het dus méér dan de helft is.

 

non sic

hoofdzin B

verkorte hoofdzin; gaat verder op zin A; neem in gedachten over: [in hoc] non [est] sic … en lees dat dan in de trant van “daar zit niet zo [de helft] in, [zoals …]

 

 

sic

zo, correlatief bij quomodo (zoals): [niet] zo, zoals …

 

quomodo principia1p n NCI (totius operis2s  dimidium4s n) occupareinf NCI dicunturindi pv.

bijzin

vergelijkende zin met quomodo (zoals) en een indicativus [90]

 

 

principia

< principium, begin; in het meervoud dus iets als de eerste zaken; we vertalen het hieronder eerst letterlijk, en dan maken we er in de vertaling enkelvoud van (begin)

 

 

principia [dimidium] occupare

de eerste zaken [de helft] in beslag te nemen; NCI bij dicuntur; de NCI fungeert als onderwerp van dicuntur; letterlijk “de eerste zaken [de helft] in beslag te nemen wordt gezegd”, waarbij we in het Nederlands zelfs bij zo’n kromme letterlijke vertaling “wordt” moeten zeggen in plaats van “worden”, wat er in het Latijn staat

De vertaling van de NCI is dan, met principia als enkelvoud vertaald: men zegt dat het begin de helft […] in beslag neemt. Als je dan in beslag neemt vervangt door is, zijn we bij ons Nederlandse spreekwoord aangekomen.

 

 

dimidium

object bij occupare

 

Ista res1s f  ond animo5s constatindi pr pv;

hoofdzin

 

 

 

constat

< consto (constare), stil staan, vaststaan (zowel letterlijk als figuurlijk); + ablativus: berusten op

 

 

animo

< animum, hier instelling

 

itaque pars1s f  ond magna bonitatis2s estpv velleinf fieriinf bonum4s m.

hoofdzin

 

 

velle

willen; het werkwoord is zelfstandig gebruikt: het willen; daarmee is het naamwoordelijk deel van het gezegde bij est (predicaatsnomen): een groot deel is willen

 

 

fieri

fieri kun je op twee manieren lezen

·     als passieve vorm van facio (facre, maken): gemaakt te worden, en

·     als worden, zoals hier: goed worden

aanvullingsinfinitivus bij velle: willen worden

 

 

bonum

< bonus; het bijvoeglijk naamwoord goed; predicatief gebruikt bij [velle] fieri: goed [willen] worden[55];

 

Scispv

hoofdzin

directe vraag

 

quem4s lijd bonum4s  dicamconi pv?

bijzin

afhankelijke vraag bij de directe vraag (direct: “Quis bonum dico?”, “Wie noem ik goed?”) [110]; het relativum quem is het lijdend voorwerp van de bijzin [16]

 

 

bonum

< bonus; het bijvoeglijk naamwoord goed en dan zelfstandig gebruikt, een goed mens; bonum is het zogenaamde tweede object bij dicam (het eerste object is het lijdend voorwerp quem)

 

perfectum4s m lijd, absolutum4s m lijd,

hoofdzin

het antwoord op de vraag uit de vorige zin als een verkorte hoofdzin; denk erbij “dico bonum” (“ik noem … een goed mens”)

 

 

perfectum, absolutum

zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden: de volmaakte (mens), de voltooide (mens)

 

quem4s m lijd malum facereinf nulla vis1s f  ond, nulla●● necessitas1s f  ond possitconi pr pv

bijzin (2x)

twee definiërende bijzinnen die vervlochten zijn;

·     als je ze uit elkaar zou willen trekken, wordt het, met de aanvullingen onderstreept:
quem malum facere nulla vis possit et
quem malum facere nulla necessitas possit

·     Er zijn dus twee onderwerpen: vis en necessitas

·     Het definiërende karakter zou je gewoonlijk met “kunnen” uitdrukken, maar dat woord staat er al (possit). Je zou ook “met zo’n karakter dat” kunnen toevoegen, maar dat is wat overdreven. Dus de coniunctivus zien we niet terug in de vertaling.

·     Om de zin in het Nederlands duidelijker te maken, kun je ‘m passief maken.

 

 

malum

predicatief bij facere: slecht maken; een accusativus omdat het zich naar quem richt

 

 

facere

aanvullingsinfinitivus bij possit

 

 

nulla, nulla

anafora

 

 

 

 

 

 

 

 

34.4

Hunc te prospicio, si perseveraveris et incubueris et id egeris ut omnia facta dictaque tua inter se congruant ac respondeant sibi et una forma percussa sint.

 

Als hem zie ik jou, als je volhard zult hebben en je je erop gestort zal hebben en dit gedaan zult hebben, (namelijk) dat al je daden en woorden onderling overeenstemmen en aan zichzelf beantwoorden en uit één vorm geslagen zijn.

 

 

 

 

 

Hunc4s m te4s lijd prospiciopv,

hoofdzin “dan”

voorwaardelijke zin van het heden; hier de conclusie; de hoofdzin gebruikt een praesens (heden), de voorwaarde in het verleden (futurum exactrum) [154]

 

 

hunc

predicatief (predicaatsaccusativus): als …; verwijst terug naar “de goede man” uit de vorige zin die aangeduid wordt met bonum, perfectum en absolutum

 

si perseveraverisfex pv

bijzin A

de voorwaarden van voorwaardelijke zin; een stel nevengeschikte bijzinnen (A, B en C) verbonden door et; futuri exacti als werkwoordsvorm (zult hebben …); dat geeft aan dat de voorwaarden vervuld moeten zijn voordat de conclusie waarheid wordt (voortijdigheid)

 

et incubuerisfex pv

bijzin B

 

et id4s lijd egerisfex pv

bijzin C

 

 

egeris

< ago (agere), drijven, handelen, doen; de laatste betekenis, doen, kan ook de nuance proberen te doen hebben; zie ook het commentaar bij bijzin 1 hieronder

 

 

id

voorlopig lijdend voorwerp; id verwijst niet vooruit naar facta en dicta in de bijzin (want dan zou het meervoud moet zijn), maar naar de hele bijzin, dus het overeenstemmen (congruant) van die facta en dicta

 

ut omnia facta1p n ond dicta1p n ondque tua inter se4p congruantconi pr pv

bijzin 1

eerste bijzin bij bijzin C; een consecutieve/finale bijwoordelijke bijzin die fungeert als lijdend voorwerp van bijzin C met ut in de betekenis van “namelijk (zo)dat” [74]

·     Als je egeris als zult hebben gedaan vertaalt, dan geven de bijzinnen het gevolg aan (consecutief:  zodat). Bij de laatste wringt dat een beetje.

·     Als je egeris met zult geprobeerd hebben te doen vertaalt, worden de bijzinnen meer bijzinnen van doel (finaal), en is ut te vertalen met namelijk om. Dat past wat beter bij de derde bijzin. De bijzin is dan geen lijdendvoorwerpszin meer en wordt een finale bijwoordelijke bijzin (namelijk om te). Wel wringt id in bijzin C dan een beetje want het verwijst niet vooruit naar iets wat al gebeurd is.

 

 

facta, dicta

zelfstandige naamwoorden (< factum, daad en < dictum, uitspraak); als je ze als ppp’s leest (omnia facta/dicta = alles wat gedaan/gezegd is) past tua er niet bij

 

 

inter se

onder elkaar, met se verwijzend naar de facta en dicta

 

ac respondeantconi pr pv sibi3p

bijzin 2

tweede bijzin bij bijzin C; zelfde vorm als de vorige ([74 ])

 

 

sibi

dativus meervoud

 

et una forma5s f  percussappp 4p sintconi pr pv.

bijzin 3

derde bijzin bij bijzin C; zelfde vorm als de vorige ([74 ])

 

 

una forma

ablativus enkelvoud: ablativus instrumenti (door middel van, met)

 

 

percussa

accusativus meervoud congruerend met facta en dicta

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Non est huius animus in recto cuius acta discordant.
Vale.

 

De geest is niet in orde van iemand van wie de daden niet sporen. Gegroet.

 

 

 

 

 

Non estpv huius2s animus1s ond in recto5s

hoofdzin

 

 

cuius2s acta1p discordantindi pr pv.

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin ([1] variant [14]), antecedent van cuius is huius

 

 

huius animus, cuius acta

parallellisme: (a) huius (b) animus, (a) cuius (b) acta

alliteratie: huius animus, cuius acta

 

Valeimp

hoofdzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.5         Epistula 35

 

 

 

 

 

 

SENECA LUCILIO SUO SALUTEM

 

Seneca groet zijn Lucilius

 

 

 

letterlijk: Seneca aan zijn Lucilius gezondheid/een groet

 

 

salutem

< salus, salutis, gezondheid, geluk, ook, overdrachtelijk, groet

 

 

 

 

35.1

Cum te tam valde rogo ut studeas, meum negotium ago: habere amicum volo, quod contingere mihi, nisi pergis ut coepisti excolere te, non potest.

 

Wanneer ik jou zozeer vraag om je best te doen, handel ik uit eigenbelang: ik wil jou als een vriend hebben, wat mij niet ten deel kan vallen, tenzij je voortgaat zoals je begonnen bent je te vervolmaken.

 

 

 

 

 

Cum te4s lijd tam valde rogopr pv

bijzin 1

temporele bijwoordelijke bijzin met een indicativus; cum = wanneer [35]

 

ut studeasconi pr pv,

bijzin 2

bij bijzin 1; finale bijwoordelijke bijzin met een coniunctivus (ut = opdat, om te) [51]

 

meum negotium4s n lijd agopr pv:

hoofdzin

 

 

 

negotium

bezigheid, taak, zaak; hier dat laatste; negotium agere = zaken doen, hier meer iets doen voor jezelf, handelen uit eigenbelang

 

habereinf amicum4s  volopr pv,

hoofdzin

Een korte hoofdzin maar wel met één, diep geneste bijzin

·     de bijzin is een voorwaardelijke zin (“als-dan”) maar dan in de vorm “altijd-tenzij” (nisi), en hij is als betrekkelijke bijzin aan de hoofdzin verbonden

·     het dan-gedeelte (quod …) is ontkennend (non possit), dus het wordt uiteindelijk iets als: “nooit-tenzij”

·     de voorwaarde (nisi-deel) is een korte zin (pergis) die verduidelijkt wordt met de volgende bijzin, en dat is een

·     vergelijkende bijwoordelijke bijzin met zoals (ut): “… doorgaat, zoals je begonnen bent

·     en dan staan er ook nog eens, op drie plekken, aanvullingsinfinitivi

 

 

habēre

aanvullingsinfinitivus bij volo

 

 

amicum

twee mogelijkheden:

·     vertalen als lijdend voorwerp: [ik wil] een vriend [hebben]; Graver vertaalt het zo; ook het boek van Eisma vertaalt het zo

·     predicatief vertalen: [ik wil jou] als vriend [hebben]; het boek van Harmaion vertaalt het zo

 

quod1s n ond contingereinf mihi3s mew,

bijzin 1

betrekkelijke bijzin; het antecedent is een gedeelte van de hoofdzin: het hebben van een vriend; het antecedent is het onderwerp van de bijzin ([7] variant [13])

De bijzin is ook een voorwaardelijke zin met hier de “conclusie” (het “dan”-gedeelte) [175]

 

 

quod

betrekkelijk voornaamwoord; onzijdig omdat het antecedent habere, een werkwoord, als onzijdig wordt beschouwd

 

 

contingere

aanvullingsinfinitivus bij potest;

“Quod contingere” is geen ACI, want quod is niet alleen (grammaticaal) het onderwerp van potest, maar ook (inhoudelijk) van contingere. Dat maakt contingere een aanvullingsinfinitivus bij potest.

 

nisi pergispr pv

bijzin 2 “tenzij”

bijwoordelijke bijzin als voorwaarde, maar dan met nisi (tenzij) in plaats van si (als); de conclusie is dus altijd waar, behalve als aan de voorwaarde wordt voldaan [168]

 

ut coepistiindi pr pv excolereinf te4s,

bijzin

gewone vergelijkende bijzin (zoals) met een indicativus [90]

 

 

excolere

aanvullingsinfinitivus bij coepisci

 

 

te

object bij excolere; wel reflexief: jezelf; slaat dus terug op het onderwerp (jij)

 

non potestpr pv.

bijzin 1 vervolg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nunc enim amas me, amicus non es. 'Quid ergo? Haec inter se diversa sunt?' Immo dissimilia.

 

Nu houd je immers van mij, (maar) een vriend ben je niet. “Wat nu? Zijn er verschillen tussen deze zaken?” Ja, ze zijn zelfs helemaal ongelijk!

 

 

 

 

 

Nunc enim amaspv me4s lijd,

hoofdzin

 

 

amicus1s predn non espv.

hoofdzin

zonder voegwoord aan de vorige gekoppeld; je zou sed (maar) verwachten, en misschien, als tegenhanger van nunc, nog.

 

'Quid ergo?

hoofdzin (dr)

directe rede, directe vraag; meer een vaste uitroep dan een echte zin

 

 

quid ergo

Wat nu? of Hoezo?

 

Haec4p  ond inter se4p diversappp  suntpv?'

hoofdzin

directe rede, directe vraag

 

 

inter se [diversa sunt]

[zijn] onder elkaar [verschillend]” = [zijn] onderling [verschillend]

 

Immo dissimilia4p n.

hoofdzin

verkorte hoofdzin als antwoord; denk erbij haec (deze zaken) en sunt (zijn)

 

 

diversa, dissimilia

In de vertaling is het wat worstelen om het verschil tussen diversa en dissimilia aan te geven. Je kunt het interpreteren als: verschillend hoeft niet helemaal verschillend te betekenen. Er kunnen ook nog wat overeenkomsten zijn. Nee, zegt Seneca dan, ze zijn wél helemaal verschillend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qui amicus est amat; qui amat non utique amicus est; itaque amicitia semper prodest, amor aliquando etiam nocet.

 

Wie een vriend is, bemint; wie bemint, is niet in elk geval een vriend; dus vriendschap baat altijd, (maar) liefde schaadt soms zelfs.

 

 

 

 

 

Qui1s ond amicuspredn estpv

bijzin

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin; in een vertaling zoals “Hij, die een vriend is, bemint.” is het antecedent het impliciete onderwerp van amat (hij); in een vertaling zoals “Wie een vriend is, bemint.” en in het Latijn zelf, is het onderwerp niet uitgedrukt; de bijzin fungeert dan als onderwerpszin, en het antecedent is ingesloten in wie (Nederlands) of qui (Latijn) [119]

 

amatpv;

hoofdzin

 

 

qui1s ond amatpv

bijzin

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin (bij de volgende hoofdzin) met ingesloten antecedent; [119]

 

non utique amicuspredn estpv;

hoofdzin

 

 

itaque amicitia1s ond semper prodestpv,

hoofdzin

in de interpretatie van deze en de volgende zin is het logisch een “maar” tussen de zinnen te plaatsen

 

amor1s ond aliquandoBW etiam nocetindi pr pv.

hoofdzin

 

 

 

aliquando

als bijwoord betekent het soms

 

 

 

 

 

 

 

 

35.2

Si nihil aliud, ob hoc profice, ut amare discas. Festina ergo dum mihi proficis, ne istuc alteri didiceris.

 

Ga dan vanwege dit, als niet vanwege iets anders, voort om te leren beminnen. Dus haast je, terwijl je om mij voortgang maakt, opdat je het niet voor een ander geleerd hebt.

 

 

 

 

 

Si nihil4s n  aliud,

bijzin “als”

grammaticaal de voorwaarde van een voorwaardelijke zin, maar meer een uitdrukking bij ob hoc “tenminste [vanwege dit]”; de zin is verkort: denk er bijvoorbeeld est bij

 

 

nihil

zelfstandig naamwoord; denk er “ob” bij zoals dat in de hoofdzin staat

 

ob hoc4s proficeimp,

hoofdzin  “dan”

voorwaardelijke zin; realis in de toekomst; gewoonlijk heeft zo’n zin een toekomende tijd (“als … dan zul je …”), maar een imperativus geeft ook aan dat het nog gebeuren moet [151]

 

 

ob

regeert een accusativus

 

ut amareinf discasconi pr pv.

bijzin

finale bijwoordelijke bijzin met ut (om te, opdat) [51]

 

 

amare

aanvullingsinfinitivus bij discas

 

Festinaimp ergo

hoofdzin

met een imperativus

 

dum mihi3s mew proficisindi pr pv,

bijzin

temporele bijwoordelijke bijzin met een indicativus; dum = terwijl (geeft een zogenaamde “doorlopende handeling” aan) [49]

 

ne istuc4s lijd alteri3s mew didicerisconi pf pv

bijzin

ontkennende finale bijwoordelijke bijzin met ne (opdat niet) [54]

 

 

ne

de standaard vertaling is opdat niet; dat is wat ouderwets; als “om niet te” niet in de Nederlandse zin past, kun je, zoals hier, de ontkenning eruit halen met “om te voorkomen dat

 

 

istud

= istud

 

 

didiceris

<disco (discere), leren; perfectum is didici, ik heb geleerd; dit is de coniunctivus vorm

 

 

mihi - alteri

tegenstelling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ego quidem percipio iam fructum, cum mihi fingo uno nos animo futuros et quidquid aetati meae vigoris abscessit, id ad me ex tua, quamquam non multum abest, rediturum; sed tamen re quoque ipsa esse laetus volo.

 

Ik in ieder geval pluk nu al de vruchten, wanneer ik mij voorstel dat wij één van geest zullen zijn en dat alle kracht die aan mijn leeftijd verloren ging, van jouw leeftijd, hoewel die niet veel verschilt, tot mij terug zal keren; maar toch wil ik ook met de huidige situatie blij zijn.

 

 

 

 

 

Egoond quidem percipiopr pv iam fructum4s lijd,

hoofdzin

 

 

 

quidem

bij een voornaamwoord (hier ego) versterkend; dat kun je bijvoorbeeld aangeveb door ik te benadrukken met een accent (ík) of met in ieder geval.

 

 

percipio fructum

letterlijk “de opbrengst in bezit nemen” = oogsten; hier overdrachtelijk; wij gebruiken dan de uitdrukking

de vruchten plukken

 

cum mihi3s mew fingopv uno nosACI animo5s  futurosACI et

bijzin 1 deel 1
(met 1e ACI)

temporele bijwoordelijke bijzin met cum en indicativus (cum = wanneer) [35]; de bijzin heeft 2 ACI’s:

·     nos […] futuros, en

·     id […] rediturum

Die tweede ACI heeft vervolgens twee bijzinnen (bijzin 2 en bijzin 3). De eerste (bijzin 2) vooropgeplaatst bij “id” en de tweede, erna komend, bij “tua”.

 

 

cum

het voegwoord; dus niet cum bij mihi proberen te trekken en “cum mihi” als “met mij” vertalen (“met mij” zou “cum me”  zijn geweest)

 

 

mihi fingo

letterlijk: “ik verzin voor mij(zelf)” = ik beeld me in = in stel me voor

 

 

uno animo

 “met/van één geest” kun je in het Nederlands mooi zeggen met “één in geest[56]

 

 

futuros

< futurus [esse], te zullen zijn (infinitivus van het futurum)

 

quidquid1s n ond aetati3s f  meae vigoris2s m abscessitpf pr pv,

bijzin 2

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin bij id na de komma hieronder (“alwat […], dat …”) [11];

merk op dat dit een bijzin bij een ACI is

 

 

quidquid

onderwerp van abscessit

 

 

meae

congrueert met aetati, niet met vigoris, want vigor is mannelijk en meae is vrouwelijk

 

 

quidquid vigoris

Quidquid is in het Latijn een zelfstandig naamwoord en daar hoort de genitivus van vigor bij. In de vertaling wordt quidquid “al wat” en daarin is “al” (= alles) het zelfstandige naamwoord. In een vertaling komt “alles” dan in de hoofdzin (en leidt “wat” de bijzin in). Hier is bijzin 2 geen bijzin bij een hoofdzin, maar bij een bijzin (bijzin 1) en verhuist “van kracht” dus naar bijzin 1 deel 2. De vertaling “alles aan kracht, wat” wordt wat vlotter als je dat omwerkt naar “alle kracht, die”. Door kracht buiten de bijzin te plaatsen, hoef je “id” niet meer te vertalen. Al dit geschuif met woorden heeft niets te maken met wat er in het Latijn staat, maar alleen met hoe je het in het Nederlands zegt.

 

idACI ad me4s ex tua5s f,

bijzin 1 deel 2

(met 2e ACI)

tweede ACI

 

 

tua

vrouwelijk; kennelijk moet je er aetate (leeftijd) bij denken, want dat is het enige vrouwelijke woord in de buurt

 

quamquam non multumBW abestpv,

bijzin 3

concessieve bijwoordelijke bijzin met quamquam (ofschoon, hoewel) en een indicativus [83]

 

 

multum abest

< multum absum (abesse), een vaste combinatie: [niet] veel verschillen; multum is hier een bijwoord en absum een zelfstandig werkwoord

 

 

abest

De vraag is, wát er niet veel verschilt. Dat is “tua aetas” (jouw leeftijd).

 

rediturum4s n ACI;

bijzin deel 2 vervolg

slot van de tweede ACI en daarmee van de hele bijzin

 

 

rediturum

onzijdig enkelvoud vanwege id/quidquid

 

sed tamen re5s f  quoqueBW ipsa esseinf laetus1s predn volopv.

hoofdzin

 

 

 

re ipsa

re < res, zaak, ding; res kan heel veel betekenen, en res ipsa is letterlijk de zaak zelf; maar re ipsa is ook een uitdrukking voor in werkelijkheid; hier is de bedoeling “de huidige werkelijkheid” = de situatie zoals die nu is;

re is een ablativus causae (van oorzaak, door); in het Nederlands zegt je blij zijn met

 

 

quoque

het bijwoord ook; niet de dativus of ablativus van quisque; congrueert hier dus niet met re

 

 

esse

aanvullingsinfinitivus

 

 

laetus

predicatief bij esse: blij zijn

 

 

 

 

 

 

 

 

35.3

Venit ad nos ex iis, quos amamus, etiam absentibus gaudium, sed id leve et evanidum:

 

Blijdschap komt tot ons vanuit hen die wij beminnen, ook als zij afwezig zijn, maar die (blijdschap) is onbeduidend en vergankelijk:

 

 

 

 

 

Venitpr pv ad nos4p ex iis5p ,

hoofdzin

een hoofdzin met de persoonsvorm (venit) nu eens helemaal aan het begin en het onderwerp (gaudium) helemaal aan het eind, uiteraard om nadruk te leggen

 

 

venit

kan zowel praesens zijn als perfectum; hier gewoon praesens, want de zin is een algemene “tijdloze” mededeling

 

 

iis

= eis

 

 

[Venit] ad nos ex iis

[Het komt] tot ons van hen: parallellisme
(a) ad (b) nos (a) ex (b) iis

 

quos4p lijd amamuspv,

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met het relativum als lijdend voorwerp; antecedent is iis ([1] variant [16])

 

etiamBW absentibus gaudium1s n ond,

hoofdzin vervolg

 

 

 

etiam

bijwoord bij absentibus

 

 

absentibus

< absens, afwezig, een bijvoeglijk naamwoord; de woordgroep is “iis etiam absentibus”; absentibus is dus een bijvoeglijk naamwoord congruerend met iis; verder:

·     absens is geen ppa; er is wel een werkwoord afwezig zijn, absento (absentare), maar het ppa daarvan is absentans

·     aan een ablabs denken is helemaal niet verkeerd, want door het etiam krijgt etiam absentibus de lading van een bijwoordelijke bepaling (net als een ablabs) en de vertaling kan niet anders zijn dan “zelfs wanneer ze afwezig zijn”, dus met een bijwoordelijk bijzinnetje

·     om het vorige punt te onderstrepen: het kan nooit puur bijvoeglijk bedoeld zijn: “van hen die zelfs afwezig zijn

 

sed id1s n ond leve1s n predn et evanidum1s n predn:

hoofdzin

nevengeschikt aan de vorige door sed (maar); verkort door weglating van de persoonsvorm: est

 

 

id

onderwerp; slaat terug op gaudium

 

 

leve

geen bijwoord, maar de onzijdige nominativus van levis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

conspectus et praesentia et conversatio habet aliquid vivae voluptatis, utique si non tantum quem velis, sed qualem velis, videas.

 

de aanblik en aanwezigheid en omgang hebben iets van een natuurlijk genot, vooral als je niet alleen de man zou zien die je wilt, maar ook een man van een soort zou zien die je wilt.

 

 

 

 

 

conspectus1s ond et praesentia1s ond et conversatio1s ond habetpr pv aliquid4s lijd vivae voluptatis2s ,

hoofdzin  “dan”

een mededelende zin met een versterking onder een voorwaarde (… si …)  met een coniunctivus potentialis (zou) [160]

 

 

… et … et …

drievoudig onderwerp gescheiden door voegwoorden: polysyndeton

 

 

habet

merk op dat dit een enkelvoud[57] is terwijl er toch drie onderwerpen zijn; in het Nederlands gebruik je wél een meervoud;

 

 

vivae voluptatis

twee interpretaties:

·     vivae < vivus, levend; vivus is een bijvoeglijk naamwoord; congrueert met voluptatis: “[iets van] levend genot”; dat zou dan zoiets moeten zijn – als je vivus dominant vertaalt – echt, natuurlijk genot

·     vivae < viva, leven; dus: “[iets] van genot van het leven”  

De bedoeling zal in beide gevallen hetzelfde zijn…

 

utique si non tantumBW

bijzin “als”

voorwaarde; de bijzin heeft een structuur zoals: “vooral als je niet alleen [dit] maar ook [dat] ziet”. Op de plek van dit en dat staan de twee betrekkelijke bijzinnen. De persoonsvorm staat helemaal achteraan.

 

 

utique

kan zowel in elk geval als vooral betekenen; Hermaion vertaalt het als in elk geval; Eisma en Graver als vooral

 

quem4s m lijd velisconi pr pv,

bijzin 1

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent en het relativum als lijdend voorwerp ([3] variant [16]); de bijzin is het lijdend voorwerp van de videas-zin [112]

Hier werkt zo’n lijdendvoorwerpszin in het Nederlands wel (“zien wie je wil”), maar in de volgende bijzin met qualem kan dat niet in het Nederlands.

 

 

quem

letterlijk: “[als je zou zien,] wie je wilit

 

 

velis

De coniunctivus wordt gebruikt omdat videas in de si-bijzin een coniunctivus is (attractie[58]). Je hoeft ‘m niet te vertalen.

 

sed,

bijzin  “als” vervolg

 

 

qualem4s lijd velisconi pr pv,

bijzin 2

net als hierboven een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent als lijdendvoorwerpszin ([3] variant [16], en [112])

 

 

qualem

letterlijk: “[als je zou zien,] een hoedanige je wilt”, met qualem zelfstandig gebruikt en, net als quem, als lijdend voorwerp; deze letterlijke vertaling is alleen geen Nederlands

Deze Latijnse lijdendvoorwerpszin kunnen we hier niet in het Nederlands met een lijdendvoorwerpszin vertalen. Een vertaling als “[als je ziet] wat voor soort iemand je wilt” klinkt niet als een goede Nederlandse lijdendvoorwerpszin.

We moeten het omwerken: “een hoedanige” wordt “een man van een soort [die je wilt]”. Dan betrek je willen (velis) op “soort”.

Als we in deze bijzin “een man” uit het bijzinnetje halen, kunnen we dat beter bij bijzin 1 ook doen: “als je de man zou zien die je wilt”.

 

 

velis

De coniunctivus wordt gebruikt om dat er in de si-bijzin een coniunctivus staat (attractie[59]). Je hoeft ‘m niet te vertalen.

 

videasconi pr pv.

hoofdzin vervolg

 

 

 

videas

coniunctivus potentialis in de voorwaarde

 

 

velis / videas

let op dat je potentialis alleen bij zien gebruikt; dus niet als je zou zien wie je zou willen”; de coniunctivus van velis heeft een syntactische reden (attractie) en geen semantische reden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Affer itaque te mihi, ingens munus, et quo magis instes, cogita te mortalem esse, me senem.

 

Geef je dus aan mij, een geweldig geschenk, en opdat je (je er) des te meer op toelegt, bedenk dat jij sterfelijk bent, (en) ik oud.

 

 

 

 

 

Afferimp pv itaqueBW te4s lijd mihi3s mew, ingens munus4s n , et

hoofdzin 1

twee nevengeschikte hoofdzinnen verbonden door et

 

 

itaque

het bijwoord dus, en niet “et ita” (en zo)

 

 

ingens munus

appositie (bijstelling) bij te; munus is dus een accusativus, en ingens ook (bijvoeglijk naamwoord verbogen volgens groep 3 met één uitgang) 

 

quo magis instesconi pr pv,

bijzin

vooropgeplaatste finale bijwoordelijke bijzin met quo (opdat des te) [58]

 

 

quo

grammaticaal de onzijdige ablativus van quis, het betrekkelijke voornaamwoord, maar als voegwoord gebruikt en wel, met een coniunctuvus, in de betekenis van ut eo, opdat des te

 

 

magis

meer, een bijwoord; het is zelf geen comparativus (en het heeft ook geen comparativus)

 

 

instes

< insto (instare), blijven staan, nazitten, zich toeleggen op; zich [meer] op toeleggen in de zin van haast maken (gezien de context van ouder worden)

 

cogitaimp pv teACI mortalempredn esseACI, meACI senempredn

hoofdzin 2

tweede hoofdzin met een imperativus, die iets verderop staat (cogita); met twee ACI’s zonder voegwoord (anafora)

 

 

mortalem

naamwoordelijk deel van het gezegde bij esse; in de accusativus omdat het congrueert met de subjectsaccusativus “te”

 

 

me senem

tweede ACI; denk er esse bij

 

 

 

 

 

 

 

 

35.4

Propera ad me, sed ad te prius. Profice et ante omnia hoc cura, ut constes tibi.

 

Haast je naar mij, maar eerst naar jezelf. Maak vorderingen en zorg vóór alles ervoor dat je jezelf trouw blijft.

 

 

 

 

 

Properaimp pv ad me4s,

hoofdzin A

 

 

sed ad te4s priusBW.

hoofdzin B

tweede verkorte hoofdzin waar het werkwoord propera niet is herhaald

 

 

prius

het bijwoord van prior, eerder; omdat het hier een vergelijking betreft tussen twee alternatieven (me en te) vertaal je eerder met eerst

 

Proficeimp pv et

hoofdzin A

 

 

ante omnia4p n hoc4s lijd curaimp pv,

hoofdzin B

 

 

 

ante omnia

voor alle dingen = voor alles

 

 

hoc

voorlopig lijdend voorwerp als introductie op de ut-zin

 

ut constesconi pv tibi.

bijzin

consecutieve/finale bijwoordelijke bijzin als lijdendvoorwerpszin in appositie bij hoc [74]

 

 

constes tibi

< sibi consto (constare); letterlijk “bij zichzelf blijven” = zichzelf trouw blijven, consequent zijn; de letterlijke vertaling is overigens prima, want in het Nederlands betekent dat overdrachtelijk hetzelfde als jezelf trouw blijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quotiens experiri voles an aliquid actum sit, observa an eadem hodie velis quae heri: mutatio voluntatis indicat animum nutare, aliubi atque aliubi apparere, prout tulit ventus.

 

Telkens wanneer je zult willen ervaren of iets bereikt is, let dan op of je vandaag hetzelfde wilt als de dag ervoor: een verandering in je willen betekent dat je geest weifelt, telkens ergens anders verschijnt, al naar gelang waar de wind hem bracht.

 

 

 

 

 

Quotiens expeririinf volesfut pr pv

bijzin 1

vooropgeplaatste temporele bijwoordelijke bijzin met quotiens en een indicativus (telkens wanneer) [50 ]

 

 

voles

let op: geen coniunctivus maar een indicativus futuri: jij zult willen

 

 

experiri

aanvullingsinfinitivus bij willen

 

an aliquid1s n  ond actumppp  sitconi pv,

bijzin 2

afhankelijke vraag als lijdendvoorwerpszin bij bijzin 1; gebruikt een coniunctivus [110]

De directe vraag zou zijn: “Aliquid actum est?” (“Is er iets bereikt?”)

 

observaimp pv

hoofdzin

Deze zin heeft dus twee bijzinnen: de vooropgeplaatste bijzin hiervoor (bijzin 1) en de “an”-zin die nu komt (bijzin 3).

 

an eadem4p n hodieBW velisconi pr pv

bijzin 3

afhankelijke vraag als lijdendvoorwerpszin ; gebruikt een coniunctivus [110]

 

 

eadem

onzijdig meervoud: dezelfde dingen

 

quae4p n heriBW:

bijzin 4

betrekkelijke bijzin; verkort door het weglaten van de persoonsvorm (bijvoorbeeld volebas, jij wilde); dezelfde verkorting passen we ook in het Nederlands toe maar dan met een vergelijking

Dus letterlijk staat er: of jij dezelfde dingen vandaag wilt, die [jij] gisteren [wilde] = of jij vandaag hetzelfde wilt als gisteren

 

 

quae

congrueert met eadem; betrekkelijk voornaamwoord: welke dingen

 

mutatio1s ond voluntatis2s indicatindi pr pv animumACI natareACI, aliubi atque aliubi apparereACI,

hoofdzin

hoofdzin met twee ACI’s

 

animum natare

< animus natat, je geest zwemt = je weifelt

 

 

apparere

een tweede ACI’s, of eigenljk alleen een tweede handeling voor dezelfde subjectsaccusativus (animum) zonder een voegwoord (asyndeton)

 

 

aliubi atque aliubi

aliubi, ergens anders; “ergens anders en ergens anders” = steeds ergens anders

 

proutVW tulitindi pf pv ventus1s ond.

bijzin

bijwoordelijke bijzin met een gewone vergelijking (gebruikt een indicativus) [90]

 

 

prout

al naar gelang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Non vagatur quod fixum atque fundatum est: istud sapienti perfecto contingit, aliquatenus et proficienti provectoque.

 

Wat vast is en een fundament heeft, zwerft niet: dat valt de volmaakte wijze ten deel, tot op zekere hoogte ook hem die vorderingen maakt en gevorderd is.

 

 

 

 

 

Non vagaturpv

hoofdzin

onvolledige hoofdzin; de bijzin fungeert als lijdend voorwerp

 

quod1s n ond fixumpredn atque fundatumpredn estpv:

bijzin

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent ([3] variant [13]) als lijdendvoorwerpszin [112]

 

 

fixum, fundatum

< fixus, fundatus; allebei bijvoeglijke naamwoorden afgeleid van ppp’s.

 

istud4s n ond sapienti3s  mew perfecto contingitindi pr pv,

hoofdzin 1

 

 

aliquatenusBW etBW proficienti3s ppa mew provecto3s mewque.

hoofdzin 2

verkorte aanvullende hoofdzin door weglaten van de persoonsvorm en onderwerp

 

 

aliquatenus

tot op zekere hoogte

 

 

et

het bijwoord ook, niet het voegwoord en

 

 

proficienti

< proficiens, ppa van proficio (proficere), vorderen; zelfstandig gebruikt: hij die vordert; en in de dativus dan aan hem die vordert

 

 

provecto

< provectus, bijvoeglijk naamwoord afgeleid van het ppp van preveho (provehere), vooruitgaan, vorderen; ook zelfstandig gebruikt: hij die gevorderd is

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quid ergo interest? Hic commovetur quidem, non tamen transit, sed suo loco nutat; ille ne commovetur quidem.
Vale.

 

Wat is het verschil? De laatste beweegt weliswaar, toch verplaatst hij niet, maar weifelt op zijn plek; de eerste beweegt zelfs niet.

Gegroet.

 

 

 

 

 

Quid1s n ond ergoBW interestpr pv?

hoofdzin

directe vraag

 

Hicond commoveturpr pv quidem,

hoofdzin 1A

drie nevengeschikte hoofdzinnen; de eerste twee zonder voegwoord, de laatste verbonden met het voegwoord maar

 

 

hic

deze = “de dichtstbijzijnde” = “die net genoemd is”= de laatste

 

non tamen transitpr pv,

hoofdzin 1B

 

 

sed suo loco3s nutatpr pv;

hoofdzin 1C

 

 

 

nutat

< nuto (nutare), toeknikken, wiebelen, weifelen; hier dat laatste

 

illeond ne commoveturpr pv quidem.

hoofdzin 2

de tegenstelling met de eerste drie zinnen

 

 

ille

die = “die verder weg is”= “die eerder genoemd is”= de eerste

 

 

hic … ille

hic = de laatste = hij die vorderingen maakt

ille = de eerste = de volmaakte wijze

 

Valeimp pv.

hoofdzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

2.1.6         Epistula 63 – nog niet beschikbaar


 

2.2        Cicero

2.2.1         Laelius De Amicitia

 

 

 

 

20

Est enim amicitia nihil aliud nisi omnium divinarum humanarumque rerum cum benevolentia et caritate consensio;

 

Immers, vriendschap is niets anders dan eensgezindheid in alle goddelijke en menselijke zaken samen met welwillendheid en liefde;

 

 

 

 

 

Estpv enim amicitia1s ond nihil1s n  predn aliud nisiVW omnium divinarum humanarumque rerum2p  cum benevolentia5s et caritate5s consensio1s predn;

hoofdzin

met vooropgeplaatste persoonsvorm en het kernwoord consensio juist helemaal achteraan

structuur: est amicitia consensio (vriendschap is overeenstemming)

 

 

nisi

na een ontkenning in een hoofdzin is nisi behalve, dan; een voegwoord dat hier de nevengeschikte delen nihil en consensio verbindt

 

 

rerum

bij consensio: overeenstemming van zaken; genitivus vanwege consensio

 

 

cum

het voorzetsel met

 

 

consensio

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

qua quidem haud scio an excepta sapientia nihil melius homini sit a dis immortalibus datum.

 

Ik weet in ieder geval niet of iets beters dan dit, uitgezonderd wijsheid, door de onsterfelijke goden aan de mens is gegeven.

 

 

 

 

 

qua5s f quidem haud sciopv

hoofdzin

letterlijk: dan hetwelk ik in ieder geval niet weet, [of …]

In het Nederlands verplaats je dan hetwelk naar de bijzin (“an …”)  en je vertaalt het dan als dan dit.

 

 

qua

relatieve aansluiting; antecedent is amicitia; ablativus comparationis: dan hetwelk;

 

an exceptaAA sapientiaAA nihil1s n ond melius1s n predn homini3s mew sitconi pv a dis5p  immortalibus datumppp n.

bijzin

indirecte vraag als lijdendvoorwerpszin [110]; structuur:

·     letterlijk: [dan hetwelk ik niet weet], of niets beter [gegeven is];

 

 

nihil melius

er staat  “niets [is gegeven] beter [dan dat]”, maar in het Nederlands zeg je iets vanwege de eerdere ontkenning haud

 

 

iets beters

In het Nederlands zeggen we iets beters, wat dan het onderwerp is van is gegeven en de “s” van beters duidt op een oude Nederlandse genitivus; maar er staat letterlijk: of iets gegeven is beter dan dat; in die formulering is iets nog steeds het onderwerp, maar beter (zonder de s!) het naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

melius

bijvoeglijk naamwoord; comparativus en dan onzijdig; hier naamwoordelijk deel van het gezegde.

 

 

dis

= deis

 

 

sit datum

is gegeven (geworden): coniunctivus perfecti passivi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Divitias alii praeponunt, bonam alii valetudinem, alii potentiam, alii honores, multi etiam voluptates: beluarum hoc quidem extremum;

 

Sommigen plaatsen rijkdom voorop, sommigen een goede gezondheid, sommigen macht, sommigen hun carrière, velen zelfs hun driften: dit laatste is zeker eigen aan beesten.

 

 

 

 

 

Divitias4p lijd alii1p ond praeponuntpr pv, bonam alii valetudinem4s , alii potentiam4s, alii honores4p, multi1p etiam voluptates4p:

hoofdzin (5x)

de nominativi zijn steeds het onderwerp; de accusativi steeds het lijdend voorwerp; de persoonsvorm (praeponunt) wordt niet herhaald; je kunt het als een reeks van 5 korte hoofdzinnetjes zien, of als één langere met nevengeschikte delen zonder voegwoord (asyndeton)

 

 

divitias

< divitiae, rijkdom; niet te verwarren met divinitas, goddelijkheid

 

 

alii

steeds het onderwerp

 

 

alii … alii

bij twee keer kun je gewoon vertalen sommigen … anderen; bij een heel rijtje moet je kiezen wat je in het Nederlands doet: meerdere keren sommigen, alleen maar sommigen, of meerdere keren anderen

Het 3e en 4e deel beginnen steeds met alii: anafora.

 

 

honores

< honor; in het enkelvoud meestal eer, eerbewijs; in het meervoud ook ambt, loopbaan, openbare functie

 

 

voluptas

in het enkelvoud: genot; in het meervoud: zinnelijk genot

 

beluarum2p hoc1s  predn quidem extremum1s n ;

hoofdzin

de persoonsvorm (est) is weggelaten

 

 

hoc [extremum]

slaat inhoudelijk terug op voluptates

 

 

beluarum

< belua, wild dier, monster; ook overdrachtelijk: bruut, monster; “van dieren” = eigen aan dieren; predicaatsgenitief

De vraag is of het hier letterlijk bedoeld is, gezien het “zinnelijk genot” (voluptas), of dat er bepaalde mensen mee bedoeld worden. Of dat de keuze juist subtiel in het midden gelaten wordt. Wat dat laatste betreft kun je het in de vertaling ook in het midden laten door met “beesten” te vertalen.

 

 

extremum

< extremus, bijvoeglijk naamwoord (uiterst, laatst); niet van het zelfstandige naamwoord extremum (uiterste); het is ook niet het bijwoord (uiterst); denk er “est” bij;

extremum verwijst naar voluptates [alii] praeponunt; niet alleen naar voluptates (want dan zou het meervoud zijn geweest) maar naar het hele zinnetje (en een zin geldt als een onzijdig iets)

 

 

 

 

 

illa autem superiora caduca et incerta, posita non tam in consiliis nostris quam in fortunae temeritate.

 

die eerdere zaken echter zijn vergankelijk en onzeker, berustend niet zozeer op ons inzicht als wel op blind toeval.

 

 

 

 

 

illa1p n  ond autem superiora1p n  caduca predn et incerta predn, positappp  predn non tam in consiliis5p ●● nostris●● quam in fortunae2s temeritate5s.

hoofdzin

structuur: “die zaken zijn A en B, [en] C”

·     de persoonsvorm (sunt) is weggelaten

·     illa superiora is onderwerp

·     het naamwoordelijk deel van het gezegde is driedelig (A=caduca, B=incerta, C=posita)

·     de eerste gescheiden door het voegwoord et (en)

·     de derde zonder voegwoord (asyndeton)

·     de derde is langer en bevat een vergelijking (niet als een bijzin); climax

 

 

illa

die; onzijdig meervoud, dus die zaken; illa staat tegenover het hoc in de vorige zin;

 

 

superiora

< superior, hoger, eerder; hier eerder = eerdergenoemd;  bij illa; de combinatie van deze twee bijvoeglijke naamwoorden is dan zelfstandig gebruikt: die eerder(genoemde) zaken;

verwijst naar de eerste vier genoemde zaken in de vorige zin

 

 

non tam … quam …

niet zozeer … als wel …

 

 

posita

< pono (ponere), plaatsen; positum esse in + ablativus = berusten op; sunt is weggelaten

 

 

consiliis

< consilium, ondermeer: plan, besluit, onderling overleg, inzicht; je kunt bij de vertaling een paar kanten op; Falconer vertaalt inzicht (“human foresight”); een andere vertaling geeft “beraadslagingen”.

 

 

temeritate

< temeritas, toeval, onbezonnenheid; het bijwoord temere is toevallig, blindelings; fortuna, lot, toeval;

fortunae temeritate, letterlijk door de toevalligheid van het lot, is dus wat dubbelop; blind toeval is een mooi Nederlands equivalent

 

 

 

 

 

Qui autem in virtute summum bonum ponunt, praeclare illi quidem, sed haec ipsa virtus amicitiam et gignit et continet, nec sine virtute amicitia esse ullo pacto potest.

 

Zij echter die hun hoogste goed op de deugd baseren, doen dat zeker voortreffelijk, maar juist die deugd zelf brengt zowel vriendschap voort en houdt haar ook in stand, en op geen enkele manier kan er vriendschap zonder deugd zijn.

 

 

 

 

 

Qui1s ond autem in virtute5s summum bonum4s n  lijd ponuntpr pv,

bijzin

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin met qui (die) ([2] variant [13]); het antecedent staat in de hoofdzin verderop (illi)

 

 

ponunt

zie bij posita hierboven

 

praeclareBW illi1p ond quidem,

hoofdzin 1

denk erbij faciunt, zij doen

 

sed haec ipsa virtus1s f ond amicitiam4s lijd et gignitindi pr pv et continetindi pr pv,

hoofdzin 2

nevengeschikt aan de vorige, gekoppeld door sed (maar); twee nevengeschikte persoonsvormen gekoppeld door et … et; zo je wilt mag je het zien als twee aparte hoofdzinnen waarbij nummer twee sterk verkort is

 

nec sine virtute5s amicitia1s ond esseinf ullo pacto5s  potestpv.

hoofdzin 3

 

 

 

esse

aanvullingsinfinitivus bij potest

 

 

ullo pacto

de standaard uitdrukking is nullo pacto, op geen enkele wijze; maar omdat de ontkenning hier al in nec zit, wordt dat [nec] ullo pacto: [en niet] op enige wijze

 

 

 

 

21

Iam virtutem ex consuetudine vitae sermonisque nostri interpretemur, nec eam, ut quidam docti, verborum magnificentia metiamur, virosque bonos eos, qui habentur, numeremus: Paulos, Catones, Galos, Scipiones, Philos.

 

Laten we nu de deugd volgens onze dagelijkse gewoonte en ons gewone taalgebruik uitleggen, en niet met een grootsheid van woorden afmeten, zoals sommige geleerden (dat doen), en laten wij hen goede mannen noemen die als zodanig beschouwd worden: mannen als Paulus, Cato, Galus, Scipio, Philus.

 

 

 

 

 

Iam virtutem4s f lijd ex consuetudine5s (vitae2s sermonis2s que nostri) interpretemurconi pr pv,

hoofdzin

coniunctivus in een hoofdzin

 

vitae, sermonis

beide genitivus en beide bij ex consuetudine

 

 

interpretemur

< interpretor (interpretari), uitleggen; een deponens;

coniunctivus adhortativus

 

nec eam4s f lijd, utBW quidam docti1p , verborum2p magnificentia5s metiamurconi pr,

hoofdzin

nevengeschikt aan de vorige door nec, en niet

 

eam

slaat terug op virtutem

 

 

ut …

er staat wel een komma voor ut, maar ut leidt hier geen bijzin in; ut is hier een bijwoord dat voegwoordelijk wordt gebruikt (zoals) in een vergelijking binnen de hoofdzin[60].

 

 

docti

congrueert met het onderwerp “wij” van metiamur; de vergelijking is dus tussen “wij (niet)” en  “de  geleerden (wel)”

 

 

consuetudine vitae/sermonis … magnificentia verborum

tegenstelling

 

 

metiamur

coniunctivus adhortativus

 

viros4p que bonos eos4p lijd,

hoofdzin

nevengeschikt met -que (en)

Structuur:

·     De zin gebruikt twee werkwoorden die allebei een dubbele accusativus gebruiken (noemen en beschouwen als). In het Nederlands kunnen je bij noemen ook gewoon twee lijdend voorwerpen plaatsen (“ik noem hem een goede man”); bij beschouwen willen we het woordje als horen.

·     De ene staat in de hoofdzin, de tweede in het bijzinnetje.

·     Bij de tweede is die tweede accusativus weggelaten.

 

 

eos

het lijdend voorwerp

 

 

viros bonos

tweede object bij eos numeremus

 

qui habenturindi pr pv,

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met indicativus ([1] variant [13])

 

 

habentur

< habeo (habēre), hebben, houden, maar ook, zoals hier, met dubbele accusativus, iemand/iets beschouwen als;

de tweede accusativus is hier weggelaten maar is dezelfde als in de hoofdzin; in het Nederlands aan te vullen met bijvoorbeeld zo of door goede mannnen te herhalen

 

numeremusconi pv: Paulos, Catones, Galos, Scipiones, Philos.

hoofdzin vervolg

 

 

 

numeremus

met dubbele accusativus: iemand/iets beschouwen als; eos is de eerste, viros [bonos] de tweede

 

 

opsomming

asyndeton

 

 

Paulos, …

de namen staan in het meervoud; wij kunnen dat in het Nederlands ook, maar dat is wel een beetje spreektaal: de Jannen, Pieten en Hansen; beter is iets als mannen als Paulus, …

 

 

 

 

 

 

 

 

 

His communis vita contenta est, eos autem omittamus, qui omnino nusquam reperiuntur.

 

Met hen is het gewone leven tevreden; laten we hen echter vergeten die helemaal nergens worden gevonden.

 

 

 

 

 

His5p (communis vita1s ) contenta predn estpv,

hoofdzin 1

 

 

 

his

ablativus vanwege contentus (tevreden met)

 

 

communis

een nominativus en congruerend met vita; communis congrueert niet met his (dan zou er communibus hebben gestaan)

 

eos autem omittamusconi pv,

hoofdzin 2

tweede hoofdzin, zonder voegwoord aan de eerste gekoppeld (asyndeton)

 

 

his – eos

tegenstelling

 

 

omittamus

coniunctivus adhortativus

 

qui omninoBW nusquam reperiunturindi pv.

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met indicativus ([1] variant [13])

 

 

omnino

in het geheel

 

 

 

 

 

 

 

 

22

Tales igitur inter viros amicitia tantas opportunitates habet, quantas vix queo dicere.

 

Tussen zodanige mannen heeft de vriendschap derhalve zo veel voordelen als ik nauwelijks kan noemen.

 

 

 

 

 

Tales4p  igitur inter viros4p  amicitia1s ond tantas●● opportunitates4p f ●● lijd habetindi pv,

hoofdzin

 

 

tales

< talis, zodanig; een bijvoeglijk naamwoord; bij viros

 

quantas●● lijd vixBW queopr pv dicereinf.

bijzin

betrekkelijke bijzin met correlativa tantus/quantus [10]; de vertaling is een vergelijkende bijwoordelijke bijzin [90]

 

 

tantas

< tantus, zo groot, zo veel; bijvoeglijk naamwoord en als aanwijzend voornaamwoord gebruikt

 

 

quantas

< quantus, hoe groot?, hoe veel?; bijvoeglijk naamwoord en betrekkelijk gebruikt: zo groot als, zo veel als

 

 

queo

infinitivus is quire, kunnen, en dat wordt vervoegd als ire (gaan); dus zoals eo = ik ga, zo queo = ik kan

 

 

dicere

aanvullingsinfinitivus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Principio qui potest esse vita vitalis, ut ait Ennius, quae non in amici mutua benevolentia conquiescit?

 

 

Ten eerste, hoe kan een leven waard zijn om te leven, zoals Ennius zegt, dat geen rust vindt in de wederzijdse genegenheid van een vriend?

 

 

 

 

 

Principio5s quiBW potestpv esse vita1s ond vitalis1s predn,

hoofdzin

vragende zin: directe vraag (Hoe kan …?)

 

 

quī

hoe, een bijwoord; dus hier niet het betrekkelijk voornaamwoord die/dat; qui leidt dus hier ook geen bijzin in

 

 

principio

< principium; ablativus temporis; in het begin, ten eerste; hier dat laatste

 

 

vitalis

bijvoeglijk naamwoord; levens-, tot het leven behorend, leven schenkend;

 

 

vita vitalis

letterlijk zoiets als een “[hoe kan] een leven leven schenkend [zijn]”, maar dat zegt niets in het Nederlands; dus je moet het omschrijven, bijv. een “leven waard om te leven

 

utBW aitindi pr act pv Enniusond,

bijzin

vergelijkende bijzin met ut als bijwoord (zoals) [92]

 

quae1s f ond non in amici2s mutua benevolentia5s  conquiescitindi pr pv?

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin ([1] variant [13])

 

quae

antecendent = vita

 

 

in

de woordgroep is “in […] benevolentia”; in hoort dus bij benevolentia

 

 

conquiescit

niet “rust op”, maar rust [vindt] in

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quid dulcius quam habere quicum omnia audeas sic loqui ut tecum?

 

Wat is aangenamer dan iemand te hebben met wie je alles zo durft te bespreken als met jezelf?

 

 

 

 

 

Quid1s n ond dulcius1s n predn quam habereinf predn

hoofdzin

directe vraag; de persoonsvorm (est) is weggelaten;

De structuur van de zin is grammaticaal complex, maar laat zich eigenlijk gewoon van links naar rechts lezen omdat de structuur in het Nederlands vrijwel hetzelfde is:

·     VLNR letterlijk: “Wat aangenamer dan te hebben met wie alles je durft zo te bespreken als met jezelf?

Wat maakt het complex?

·     Er zijn twee woorden weggelaten die wij in het Nederlands wél willen horen: de persoonsvorm “est” en het voorlopig antecent “iemand” bij habere.

·     Er zitten twee vergelijkingen in: quam, en sic…ut.

·     Het gebruik van het werkwoord habēre als zelfst. nw. en quī in plaats van quo.

·     De coniunctivus van audeas.

 

 

dulcius

< dulcior, de comparativus (zoeter) van het bijvoeglijke naamwoord dulcis (zoet, aangenaam); en van dulcior is dulcius de onzijdige nominativus; het is een onzijdige vorm vanwege quid, wat

Verder is dulcius naamwoordelijk deel van het gezegde: watond ispv zoeterpredn?

 

 

quam

na een comparativus: dan; quam is hier een bijwoord; quam habere is geen bijzin

 

 

habēre

werkwoord gebruikt als zelfstandig naamwoord in het predicaat; het wordt gezien als een nominativus;

 

 

dulcius, habere

beide naamwoordelijk deel van het gezegde (predicaatsnomen) bij quid [est]

 

qui5scum omnia4p audeasconi pr pv sic loquiinf utBW te5scum?

bijzin

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent en die als het object van habere fungeert; je kunt de hele bijzin door iets als “zo’n iemand” vervangen bij habre in de hoofdzin: “dan zo’n iemand te hebben” [113];

de bijzin is definiërend want het weggelaten antecedent “iemand” is onbepaald [27]

 

 

quīcum

= quocum = cum quo5s, met wie

 

 

audeas

coniunctivus in de definiërende betrekkelijke bijzin[61]: “met iemand die zo’n karakter heeft dat jij durft te …

 

 

omnia

object bij loqui

 

 

sic

correlativum bij het eropvolgende ut: zo … als

 

 

ut

het bijwoord ut en dan voegwoordelijk gebruikt, zoals; dus niet het voegwoord ut (opdat, zodat, om te) dat een bijzin inleidt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qui esset tantus fructus in prosperis rebus, nisi haberes qui illis aeque ac tu ipse gauderet?

 

 

Hoe zou je genoegen zo groot kunnen zijn in voorspoed, tenzij je iemand had die zich daarover net zoals jijzelf verheugt?

 

 

 

 

 

QuiBW essetconi impf tantuspredn fructus1s m ond in prosperis rebus5p ,

hoofdzin

voorwaardelijke zin als een directe vraag; de vraag (Qui …) is de “conclusie”, de nisi-bijzin is de “voorwaarde”[62]; het is een irrealis in het heden (zou kunnen); het is een algemene voorwaardelijke zin (met “je” in de voorwaarde in de betekenis van “men”) ([146] varianten [177] en [171])

structuur: qui esset […] fructus? = hoe zou het genoegen […] kunnen zijn? Op de puntjes staat dan tantus (zo groot).

 

 

quī

hoe

 

 

tantus

zo groot; niet in de verleiding komen om te vertalen met hoe groot[63] [is het genoegen]; je zou in die verleiding kunnen komen door qui (hoe) en omdat de zin vragend is; tantus is hier predicaatsnomen;

 

 

in prosperis rebus

in voorspoedige zaken” = in voorspoed

 

nisi haberesconi impf pv

bijzin 1

de “voorwaarde” van de zin;

 

 

haberes

heeft geen expliciet lijdend voorwerp; de bijzin (qui …) fungeert als lijdend voorwerp (net als bij habere in de vorige zin); dus denk er weer bij “iemand”;

haberes eigenlijk als zou hebben vertalen, maar dat is wat overdreven in het Nederlands: had klinkt beter en betekent hetzelfde

 

qui1s ond illis5p aeque ac tu1s  ond ipse gauderetconi impf pv?

bijzin 2

bij de nisi-zin; betrekkelijke bijzin als lijdendvoorwerpszin, ingesloten antecedent, qui is onderwerp ([113] variant [1])

 

 

qui

hier is qui wél gewoon het betrekkelijk voornaamwoord die

 

 

aeque ac

net zo als; onderschikkende voegwoordelijke uitdrukking van vergelijking; verbindt qui met tu

 

 

illis

illis verwijst terug naar rebus; beide zijn meervoud; als je prosperis rebus met voorspoed (dus enkelvoud) vertaalt, moet je hier niet “naar die [zaken]” vertalen, maar iets als daarover

 

 

gauderet

een coniunctivus; de regel is dat een bijzin een coniunctivus gebruikt als het een bijzin is van een andere bijzin die zelf een coniunctivus gebruikt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Adversas vero ferre difficile esset sine eo, qui illas gravius etiam quam tu ferret.

 

Tegenslagen zouden werkelijk moeilijk te dragen zijn zonder hem, die die tegenslagen zelfs vervelender zou vinden dan jij.

 

 

 

 

 

Adversas4p  lijd veroBW ferreinf ond difficilepredn essetconi impf pv sine eo5s,

hoofdzin

voorwaardelijke zin (irrealis in het heden) met een verborgen voorwaarde (sine eo) die uitgewerkt wordt in de bijzin [173]

 

 

adversas

object bij ferre, dragen; denk er res bij: res adversa = tegenslag

 

 

[adversas] ferre difficile esset

letterlijk: “Tegenslagen te dragen is moelijk”; dat is op zich prima Nederlands

Je kunt ook zeggen: “Het is moeilijk tegenslagen te dragen”. Dan introduceer je in het Nederlands een voorlopig onderwerp “het”. Dat is ook een prima vertaling.

En dan kun je in het Nederlands de zin omgooien en tegenslagen tot onderwerp te maken: “Tegenslagen zijn moeilijk te dragen”. Dat is niet wat er staat, maar wel hoe je het waarschijnlijk in het Nederlands zou zeggen.

 

 

ferre

infinitivus zelfstandig gebruikt: het dragen [is moelijk]

 

 

sine eo

leidt inhoudelijk de voorwaarde in, die vervolgens pas echt vorm krijgt in de bijzin

 

 

eo

slaat terug op qui in de vorige zin

 

qui1s ond illas4p graviusBW etiam quamBW tu ferretconi impf  pv.

bijzin

betrekkelijke bijzin [23] met irrealis van het heden; de bijzin bevat de “echte voorwaarde”

 

 

illas

slaat terug op adversas

 

 

gravius

comparativus van het bijwoord graviter, ernstig, onaangenaam

 

 

gravius ferret

gravius ferre is een een uitdrukking: met tegenzin dragen, lastig vinden

 

 

quam

quam + comparativus = dan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Denique ceterae res, quae expetuntur, opportunae sunt singulae rebus fere singulis: divitiae ut utare, opes ut colare, honores ut laudere, voluptates ut gaudeas, valetudo ut dolore careas et muneribus fungare corporis.

 

Tenslotte zijn de overige zaken, die worden nagestreefd, alleen bruikbaar voor gewoonlijk één ding: rijkdom om te gebruiken, invloed om vereerd te worden, een positie om geprezen te worden, lichamelijk genot om blij te worden, een goede gezondheid om vrij te zijn van pijn en om lichamelijke taken te verrichten.

 

 

 

 

 

Denique ceterae res1p  ond,

hoofdzin

 

 

quae1p f ond expetunturpv,

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin (met indicativus); ([1] variant [13])

 

opportunae1p ●● predn suntpv singulae●● rebus3p ●●● fere singulis●●●:

hoofdzin vervolg

 

 

 

opportunae

een bijvoeglijk naamwoord; het predicaatsnomen: [de overige dingen] zijn bruikbaar

 

 

singulae

< singulus, telkens één, op zichzelf staand;

een tweede bijvoeglijk naamwoord naast ceterae en dan als bijstelling (appositie) bij res;

letterlijk: res […] opportunae sunt singulae rebus singulis = “de […] dingen zijn bruikbaar, alle op zichzelf voor op zichzelf staande dingen

Je kan dat wat bondiger vertalen met alleen bruikbaar voor

 

 

rebus singulis

voor enkelvoudige/individuele dingen”; in het Nederlands maak je daar een enkelvoud van: voor één ding

 

divitiae1p ond ut utare, opes1p ond ut colareconi pv, honores1p ond ut laudereconi pv, voluptates1p ond ut gaudeasconi pv, valetudo1s ond ut dolore5s careasconi pv et muneribus fungareconi pv corporis2s.

6 bijzinnen

een opsomming van doelen: divitiae, opes, etc.; met steeds bij elk doel een korte finale bijzin met ut ([51]);

de bijzinnen zijn zonder voegwoorden opgesomd (asyndeton);

de zelfstandige naamwoorden zijn nominativi vanwege res aan het begin van de zin en je kan er dus bijdenken “sunt opportunae” (zijn bruikbaar)

 

 

werkwoordsvormen

de 6 werkwoorden zijn steeds in de 2e persoon enkelvoud (jij); een aantal gebruiken verkorte vormen, zoals utare voor utaris

 

 

utare

= utaris; coniunctivus praesentis passivi van utor (uti), gebruiken (een deponens)

 

 

opes

< ops, macht, kracht; in het meervoud middelen, macht, invloed; hier een van de twee laatste

 

 

colare

= colaris; coniunctivus praesentis passivi van colo (colĕre), verbouwen, vereren; hier dat laatste

 

 

opes ut colare

= invloed opdat jij vereerd wordt = invloed om vereerd te worden

 

 

honores

< honor, eer; honores wordt ook gebruikt voor publieke functies (zoals consul, praetor of tribuun) waarmee je aanzien en macht hebt

 

 

laudēre

= laudēris; coniunctivus praesentis passivi van laudo (laudare), prijzen

 

 

dolore

< dolor, verdriet, pijn; hier dat laatste

 

 

careas

< careo (carēre), missen, niet hebben; heeft een ablativus bij zich

 

 

fungare

= fungaris; coniunctivus praesentis passivi van fungo (fungi), verrichten (een deponens); heeft een ablativus bij zich

 

 

muneribus

< munus, functie, taak; muneribus corporis = de functies/taken van het lichaam = lichamelijke taken; bedoeld is om te werken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Amicitia res plurimas continet, quoquo te verteris praesto est, nullo loco excluditur, numquam intempestiva, numquam molesta est.

 

Vriendschap omvat zeer veel zaken; waarheen je je ook wendt, ze is nuttig; bij geen enkele gelegenheid wordt ze uitgesloten; nooit komt ze ongelegen, nooit is ze een last.

 

 

 

 

 

Amicitia1s ond res4p f  plurimas continetindi pr pv,

hoofdzin 1

deze hoofdzin wordt met een komma afgesloten, maar het quoquo-zinsdeel dat erachter komt is geen bijzin bij déze hoofdzin, maar een bijzin bij de vólgende hoofdzin; dat merk je pas als je weer verder leest en bij praesto est komt; merk ook op dat de uitgever tussen verteris en praesto géén komma heeft geplaatst

 

quoquoBW te4s verterisfut pas

bijzin

betrekkelijke vooropgeplaatste bijzin met ingesloten antecedent bij praesto est [4]; de zin werkt ook als een voorwaarde voor de hoofdzin: “als [je ook maar ergens naar toe gaat], dan [is vriendschap nuttig]”; het is dan een potentialis van het heden met een coniunctivus perfectum [160] en [161]

 

 

quoquo

waarheen ook; niet te verwarren met quoque (ook)

 

 

te verteris

< verto (vertere), draaien; passief-reflexief vertor (een passieve vorm) én se verto (een actieve vorm), zich draaien, zich wenden; hier komt het niet van verto of vertor, maar van se verto (de aanwijzing is het gebruik van te) en dan kan verteris zijn:

·     coniunctivus perfectum, dat jij je wendt
Als je verteris zo leest[64], interpreteer je de bijzin als een voorwaarde (potentialis van het heden); zie hierboven bij “bijzin”; je hoeft niet per se te vertalen met “kunnen”
In de vertaling hierboven hebben we verteris als coniunctivus gelezen.

·     futurum exactum: jij zult je hebben gewend
Als je verteris zo interpreteert[65], dan moet je vertalen met “zullen”:  zult hebben gewend

 

praestoBW estpv,

hoofdzin 2

denk erbij eo, daar: zij is daar nuttig, waarheen je je ook …

Zie ook de opmerking bij de bijzin hierboven.

 

 

praesto est

een uitdrukking: praesto esse, aanwezig zijn, behulpzaam zijn

 

nullo loco5s  excluditurpr pas,

hoofdzin 3

de 3 hoofdzinnen (tricolon) zijn zonder voegwoorden verbonden (asyndeton)

 

 

loco

< locus; je kunt het op een aantal manier interpreteren:

·     van plaats (letterlijk): op geen enkele plaats = nergens

·     van tijd: op geen enkel moment = nooit

·     metaforisch: bij geen enkele gelegenheid

 

numquam intempestiva1s f predn, numquam molesta1s f predn estpv.

hoofdzin 4

met twee nevengeschikte delen zonder voegwoord verbonden (asyndeton); ze horen bij elkaar omdat in het eerste deel de persoonsvorm is weggelaten

 

 

numquam … numquam …

anafora

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Itaque non aqua, non igni, ut aiunt, locis pluribus utimur quam amicitia. Neque ego nunc de vulgari aut de mediocri, quae tamen ipsa et delectat et prodest, sed de vera et perfecta loquor, qualis eorum, qui pauci nominantur, fuit.

 

Dus gebruiken we geen water, geen vuur, zoals men zegt, bij meer gelegenheden dan vriendschap[66] (en ik praat nu niet over de gewone of de middelmatige, die toch op zich genoegen geeft en ook nuttig is, maar over de ware en volmaakte, zoals van die paar mannen, die erom worden geroemd).

 

 

 

 

 

Itaque non aqua5s, non igni5s,

hoofdzin

 

 

 

aqua

een ablativus vanwege utimur verderop; de combinatie aqua en igni (zie hieronder) kan alleen maar een ablativus zijn

 

 

igni

vuur; een pure i-stam met een ablativus, net als de dativus, op -i

 

ut aiuntindi,

bijzin

vergelijkende bijwoordelijke bijzin [92]; ut + indicativus = zoals

 

 

non …, non …

anafora, asyndeton

 

locis5p  pluribus utimurpv quam amicitia5s

hoofdzin vervolg

 

 

 

utimur

< utor, gebruiken; wát je gebruikt staat in de ablativus; hier is dat aqua, igni en amicitia

 

 

locis

< locus, plaats, moment, gelegenheid; hier dat laatste

 

 

pluribus

< plures, meer (multus, plures, plurimus = veel, meer, meest); een bijvoeglijk naamwoord

 

Neque ego1s ond nunc de vulgari5s aut de mediocri5s,

hoofdzin

structuur:

·     onderwerp (ego) helemaal vooraan in de zin en persoonsvorm (loquor) helemaal achteraan

·     met twee nevengeschikte voorzetselbepalingen: neque de … (niet over …) sed … (maar over …)

·     elk deel heeft weer twee nevengeschikte delen (vulgari/mediocri en vera/perfecta)

 

 

neque …

eerste deel; hierna komt sed …; te verbinden met loquor: en niet [over … praat ik] 

 

 

vulgari, mediocri

respectievelijk van vulgaris en mediocris, beide verbogen volgens groep 3 met twee uitgangen (zoals fortis);

·     het zijn ablativi en 

·     ze zijn vrouwelijk congruerend met amicitia

 

quae1s f ond tamen ipsa1s f et delectatindi pr pv et prodestindi pr pv,

bijzin

betrekkelijke bijzin ([1][67] variant [13]) bij het weggelaten amicitia dat je bij vulgari en mediocri kan denken; met twee persoonsvormen[68]

 

 

et … et …

polysyndeton

 

 

quae

merk op dat het relativum, ipsa en de beide persoonsvormen, enkelvoud zijn en dus allemaal betrekking hebben op de vriendschap

 

sed de vera5s et perfecta5s loquorpv,

hoofdzin vervolg

het nevengeschikte deel ingeleid door sed

 

qualis1s predn eorum,

bijzin 1

betrekkelijke bijzin ([1] variant [13]) bij het weggelaten amicitia dat je in de hoofdzin bij vera en perfecta kunt denken;

een kort zinnetje; denk er in deze bijzin “die” (=amicitia) (als nominativus en onderwerp) bij; qualis wordt dan het naamwoordelijk deel van het gezegde; structuur:

·     kan verwarrend zijn omdat de persoonsvorm pas verderop staat (fuit), en

·     we in het Nederlands niet déze Latijnse volgorde (eorum fuit) moeten kiezen ([een vriendschap], zoals [die] van hen is), want dan komen we niet uit met de qui-bijzin,

·     maar de volgorde om moet draaien: “zoals [die] is van hen, die …

 

 

qualis

hier betrekkelijk gebruikt: (zodanig) als en zonder een corresponderend talis in de hoofdzin; slaat terug op het weggelaten amicitia uit de hoofdzin; er had kunnen staan: “de tali amicitia loquor, qualis … “ (“ik praat over een zo’n vriendschap, als …”)

Merk op dat talis (zodanig, zo’n) en qualis (hoedanig, zodanig als) in het Latijn bijvoeglijke naamwoorden zijn en dat ze verbogen worden volgens groep 3 met twee uitgangen (zoals fortis)

 

 

eorum

predicaatsgenitivus (zie ook voetnoot 69);

·     het gaat hier dus om een een bepaalde soort (= qualis = zo’n) vriendschap van een bepaald soort mensen (eorum, qui = van hen, die)

·     wat dat dan voor soort mensen zijn, staat in de qui-bijzin

·     je kan tenslotte interpreteren dat het om mannen gaat, want eorum is mannelijk en Cicero doet geen moeite om expliciet mannen én vrouwen te benoemen

 

qui1p ond pauci1p nominanturindi pr pv,

bijzin 2

betrekkelijke bijzin bij bijzin 1 ([1] variant [13]); antecedent is eorum (van hen, die …)

 

 

pauci

bijstelling (als weinigen) bij het antecedent eorum; de bijstelling is in de bijzin geplaatst; opmerkingen:

·     verwarrend kan zijn dat de bijstelling (pauci) een andere naamval heeft (nominativus) als het woord in de hoofdzin (eorum, genitivus) waar het bij hoort;

·     pauci hoort bij eorum (van die weinigen), niet bij qui (“die als weinigen)[69]

·     je herkent zo’n bijstelling bij het antecedent maar die in de bijzin is geplaatst als je een woord in de bijzin moeilijk daar kan plaatsen

 

 

nominantur

< nomino (nominare), noemen, maar ook, roemen[70]; in het Nederlands hebben we wel een bepaling nodig bij het woord roemen (iemand roemen om iets); dus zet er in de vertaling iets bij als “daarom”.

 

fuitpv);

hoofdzin slot

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

nam et secundas res splendidiores facit amicitia, et adversas, partiens communicansque, leviores.

 

want vriendschap maakt zowel voorspoed prachtiger als tegenspoed lichter, omdat het die verdeelt en deelt.

 

 

 

 

 

nam et (secundas res4p  lijd) splendidiores facitpv amicitia1s ●● ond, et adversas4p lijd, partiensppa ●● communicansppa ●●que, leviores.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen (et … et …; polysyndeton) als lijdend voorwerp

 

 

secundas res

als geheel een uitdrukking: voorspoed

 

 

facit

< facio (facere), maken; facere + dubbele accusativus = iets/iemand maken tot iets/iemand

 

 

adversas

adversas res = tegenspoed

 

 

secundas / adversas

tegenstelling

 

 

partiens

<partior (partiri), verdelen, toedelen; partior is een deponens, en een deponens heeft wel het ppa als actieve vorm (en dan ook uiteraard in een actieve betekenis)

 

 

partiens communicansque

De Romein zegt dus kennelijk “verdeelde smart is gedeelde smart”. Wij zeggen “gedeelde smart is halve smart”.

·     partior = verdelen = halve smart

·     communico = delen =  gedeelde smart

 

 

 

 

26

Saepissime igitur mihi de amicitia cogitanti maxime illud considerandum videri solet,

 

 

Hoe vaker ik daarom nadenk over vriendschap des te meer lijkt het mij dat het volgende overdacht moet worden,  (namelijk)

utrum propter imbecillitatem atque inopiam desiderata sit amicitia, ut dandis recipiendisque meritis, quod quis minus per seipse posset, id acciperet ab alio vicissimque redderet,

 

of vriendschap wegens zwakheid en gebrek verlangd is, om door het geven en ontvangen van diensten, dat te krijgen van een ander en op zijn beurt terug te geven, wat iemand niet op eigen kracht kan,

an esset hoc quidem proprium amicitiae,

 

of dat, hoewel dit weliswaar eigen is aan vriendschap,

sed antiquior et pulchrior et magis a natura ipsa profecta alia causa.

 

er een andere oorzaak is, ouder en mooier en meer uit de natuur afkomstig.

 

 

 

 

 

 

structuur

Ēn lange zin met veel bijzinnen  en nevengeschikte delen.  Sterk versimpeld staat er:
“Ik vraag me af, of (utrum) vriendschap gewenst wordt uit zwakte, of (an) dat[71] er een andere oorzaak is.”

·     hoofdzin Saepissime … solet, met

o   ppa: cogitanti (bij mihi)

o   gerundivum: considerandum

o   aanvullingsinfinitivus bij solet: [mihi] videri

·      twee afhankelijke vragen

o   utrum … desiderata sit

o   an esset …

·     de tweede vraag bestaat uit twee delen

o   … quidem … sed …

 

SaepissimeBW igitur mihi3s ●● de amicitia5s cogitantippa ●● maxime illud1s n  NCI ond considerandumgdivum  NCI ond videriinf soletpr pv,

hoofdzin

Letterlijk:

Zeer vaak dus over vriendschap nadenkend ben ik gewoon te denken dat vooral dit overwogen moet worden, …

Je kan de combinatie cogitanti/solet vertalen met “Hoe meer ik nadenk over vriendschap, des te meer lijkt me dat overwogen moet worden [of …]”.[72] Maar dat “hoe meer” is wel wat vrij vertaald. Je zou ook kunnen zeggen: Ik denk daarom erg vaak over vriendschap na en vind dan meestal dat het volgende overdacht moet worden, … 

 

 

igitur

dus, daarom; kennelijk is er een logisch verband met de tekst die hiervoor staat

 

 

mihi videri

sibi videri is letterlijk “door jezelf gezien te worden”; de constructie heeft een NCI bij zich om aan te geven wat er door je gezien wordt; de NCI fungeert als onderwerp van “gezien te worden”;

 “door mijzelf gezien te worden” betekent: ik geloof, ik denk

mihi = dativus auctoris; de NCI wordt dan een bijzin: “ik denk/geloof dat …

 

 

[mihi] videri solet

videri is een aanvullingsinfinitief bij solet: “het is gewoon [door mij] gezien te worden” = [ik] geloof gewoonlijk;

als videri een NCI heeft, zoals hier, wordt dat een NCI bij videri solet

 

 

saepissime / solet

saepissime bij solet trekken is dubbelop: als je iets gewoon bent, doe je dat dus al zeer vaak; saepissime bij cogitanti trekken betekent dat je zeer vaak (saepissime) nadenkt over de vriendschap, en als je dat doet, denk je gewoonlijk (solet) dat een en ander overwogen moet worden.

 

 

illud considerandum

denk erbij esse; illud considerandum [esse] is een NCI bij videri solet[73]; het fungeert dan als onderwerp voor videri solet; letterlijk: “dit-overwogen-te-moeten-worden geloof ik gewoonlijk“ = ik geloof gewoonlijk dat dit overwogen moet worden;

 

 

mihi cogitanti

door mij denkend [over vriendschap]” = terwijl ik denk [over …]

 

 

illud

is een voorlopig onderwerp en is vooruitwijzend op de dubbele afhankelijke vraag (utrum … an … : [dit moet overwogen worden] (namelijk) of … of …

 

utrum propter imbecillitatem4s atque inopiam4s desideratappp sitconi pv amicitia1s ond,

bijzin 1A

afhankelijke vraag bestaande uit 2 delen (utrum … an …); hier het eerste deel; de vraag is een bijstelling bij illud ([132]); illud was het grammaticale onderwerp van de NCI en deze vragen vullen dat verder in

Een afhankelijke vraag is een vorm van indirecte rede. Considerandum leidt deze indirecte rede in.

 

 

sit

coniunctivus vanwege de indirecte rede;

 

 

desiderata sit

verlangd is (coniunctivus perfecti passivi)

 

ut dandis gdivum recipiendis gdivumque meritis5p ,

bijzin 2

finale bijzin (ut = opdat) bij de afhankelijke vraag (bijzin 1A) [51]

 

 

ut

kan finaal (opdat) maar ook wel consecutief (zodat) gelezen worden

 

 

meritis

ablativus instrumenti (door middel van); dus geen ablabs

 

 

dandis, recipiendis

congruerende gerundiva bij een zelfstandig naamwoord (meritis); letterlijk “door diensten gegeven en ontvangen moetende worden”; in zo’n gerundivum constructie is het “moeten” afgezwakt of zelfs afwezig (zoals hier); dan lees je: door het geven en ontvangen van diensten 

 

quod4s n lijd quis1s  ond minus per se4s ipse1s  possetconi impf pv,

bijzin 3

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin bij id in bijzin 2 (ut …); quod is het lijdend voorwerp in de bijzin ([2] variant [16]); merk ook op dat het een bijzin is in een tekstdeel (utrum …) in de indirecte rede ([12])

 

 

quis

= aliquis, iemand

 

 

minus

niet, niet echt; comparativus van parum, te weinig

 

 

posset

·     Een coniunctivus omdat het een bijzin is binnen de indirecte rede (utrum …). Je vertaalt ‘m dan als een indicativus.

·     Merk ook op dat het een imperfectum is. Die wordt afgedwongen omdat “desiderata sit” in de directe vraag een verleden tijd zou zijn: “desiderata est”[74]. Je hoeft ‘m in het Nederlands niet als verleden tijd te vertalen.

 

id4s lijd acciperetconi impf pv ab alio5s vicissimBWque redderetconi impf pv,

bijzin 2 vervolg

 

 

 

acciperet, redderet

dit zijn imperfecti; zie bij posset hierboven

 

an essetconi impf pv hoc4s n ond quidem proprium4s predn amicitiae2s, sed antiquior et pulchrior et magisBW a natura5s f ●● ipsa●● profecta alia causa1s f  ond.

bijzin 1B

tweede deel van de afhankelijke vraag; bestaat uit twee nevengeschikte delen gescheiden door sed (maar)

De vertaling van quidem (weliswaar) als deel van een vraag (an, of) lijkt krom: “[overdenken,] of dit weliswaar eigen is aan vriendschap [maar …]”. Iets dat je toegeeft, hoef je je niet af te vragen. De vraag is of dat een Nederlands probleem is, of dat ook de Latijnse formulering krom is. Zie voetnoot [75] voor een discussie.

 

 

an

vraagpartikel van het tweede deel; de constructie is utrum … an … = of … of …

 

 

 

 

an … alia causa [sit]

De vertaling hierboven is gebaseerd op de aanwijzing in het boek van Hermaion om “sit” bij causa te denken. Zie ook voetnoot 75.

 

 

antiquior … profecta

drie bijstellingen bij alia

Je kunt in plaats van bijstellingen de bijvoeglijke bepalingen ook bij causa nemen: “maar dat er een oudere en mooiere en meer uit de natuur afkomstige andere oorzaak is”.

 

 

quidem … sed …

weliswaar … maar …

In de vertaling hierboven is een concessieve bijzin met hoewel gebruikt. Zie voetnoot 75 voor een discussie. Zowel Falconer als Freeman volgen deze aanpak; Eisma en Hermaion niet.

 

 

proprium

eigen bezit, eigendom; dat is wat anders dan eigenschap, maar dat is waarschijnljk wél een betere vertaling dan eigen bezit of eigendom; een vertaling met “eigen aan” respecteert niet de genitivus maar komt beter in de buurt van bezit.

 

 

magis

bijwoord bij profecta

 

 

profecta

< profectus, ppp van proficiscor (proficisci), vertrekken, en ook, zoals hier, afkomstig zijn van (+ab); dus niet van proficio (proficere), verder komen, tot stand brengen;

Een vertaling met “afgeleid” is minder zuiver want dat veronderstelt een handelend iets buiten de natuur zelf dat “het afleiden” uitvoert.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Amor enim, ex quo amicitia nominata est, princeps est ad benevolentiam coniungendam;

 

Liefde immers, waarnaar “vriendschap” is genoemd, is bijzonder geschikt om wederzijdse genegenheid te vinden;

 

 

 

 

 

Amor1s ond enim,

hoofdzin

 

 

ex quo5s amicitia1s f  ond nominatappp predn estpv,

bijzin

betrekkelijke bijzin met antecedent (amor) met het relativum in de ablativus in een voorzetselbepaling ([1] variant [17])

 

 

nominata est

indicativus perfecti passivi

 

princeps1s predn estpv ad benevolentiam4s ●● coniungendamgdivum ●●;

hoofdzin vervolg

 

 

princeps

princeps, een bijvoeglijk naamwoord, eerste, voornaamste, en ook, zoals hier, geschikt voor

 

 

coniungendam

gerundivum van coniungo, verbinden, of, van bijvoorbeeld vriendschappen, sluiten, aanknopen; genegenheid of welwillendheid sluit je niet en knoop je niet aan, maar vind je; je kunt een woord als wederzijds of bij elkaar toevoegen om wat dichter bij “aanknopen” te komen

 

 

ad benevolentiam coniugendam

gerundivum constructie; letterlijk “tot genegenheid aangeknoopt moetende worden”; zo’n constructie vertaal je met “om genegenheid aan te knopen” = om tot genegenheid te komen; besef wel dat je dan een passieve constructie actief gemaakt hebt;

 

 

 

 

 

nam utilitates quidem etiam ab eis percipiuntur saepe, qui simulatione amicitiae coluntur et observantur temporis causa;

 

want voordelen worden immers ook vaak van hen verkregen, die onder het voorwendsel van vriendschap worden vereerd en gerespecteerd vanwege de omstandigheden;

 

 

 

 

 

nam utilitates1p ond quidem etiam ab eis5p percipiunturpv saepe,

hoofdzin

 

 

ab eis

niet “door hen [verkregen]” (ablativus auctoris) maar van hen [verkregen] (ablativus seperationis/originis)

 

 

quidem

immers; bouwt een tegenstelling op met autem in de volgende zin; je zou ook wat vrijer kunnen vertalen met weliswaar … maar …

 

qui1p ond simulatione5s amicitiae2s colunturpv et observanturpv temporis2s causa;

bijzin

betrekkelijke bijzin met antecendent eis ([1] variant [13])

 

simulatione

ablativus instrumenti

 

 

causa

wegens, regeert een genitivus

 

 

temporis

< tempus, tijd, moment, ook, zoals je hier kunt vertalen, overdrachtelijk gelegenheid, omstandigheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

in amicitia autem nihil fictum est, nihil simulatum, et quidquid est, id est verum et voluntarium.

 

in vriendschap is echter niets verzonnen, niets geveinsd, en al wat er is, is echt en gebeurt uit vrije wil.

 

 

 

 

 

in amicitia5s autem nihil1s n ond fictum predn estpv, nihil1s n ond simulatum predn, et

hoofdzin deel 1

met twee nevengeschikte delen gekoppeld door et; het eerste deel met twee onderwerpen, zonder voegwoord (asyndeton)

 

 

fictum, simulatum

kun je als synoniemen vertalen (veinzen, huichelen, voorwenden), of je kunt ze verschillend vertalen: fictum neutraler als verzinnen en simulatum sterker als veinzen

 

quidquid4s n ond estpv,

bijzin

vooropgeplaatste betrekkelijke bijzin (bij de hoofdzin deel 2 hieronder) met quisquis (al wie, al wat); het “antecedent” is id in de hoofdzin [11]

Zie voetnoot [76] voor meer informatie over quisquis.

 

 

est

geen koppelwerkwoord, maar zelfstandig werkwoord ( “is” in de betekenis van “bestaan”)

 

id1s n  ond estpv verum predn et voluntarium predn.

hoofdzin  deel 2

 

 

 

quidquid est, id est verum […]

Ook al is de constructie met quisquis grammaticaal misschien lastig, de vertaling is (van links naar rechts) letterlijk recht toe recht aan: al wat [er] is, dat is echt […];

 

 

 

 

 

 

 

 

27

Quapropter a natura mihi videtur potius quam ab indigentia orta amicitia, applicatione magis animi cum quodam sensu amandi, quam cogitatione quantum illa res utilitatis esset habitura.

 

Daarom schijnt het mij toe dat vriendschap eerder uit de natuur is ontstaan dan uit behoefte, meer vanwege een neiging van de geest in combinatie met een bepaald gevoel van liefhebben, dan uit de gedachte hoeveel nut die zaak zal hebben.

 

 

 

 

 

Quapropter a natura5s mihi3s videturpv potiusBW quam ab indigentia5s ortappp  NCI amicitia1s f  NCI, applicatione5s magis animi2s cum quodam●● sensu5s m ●● amandigdium 2s, quam cogitatione 5s

hoofdzin

begint met een relatieve aansluiting; structuur:

·     de kern is: mihi videtur orta amicitia [a …] (vriendschap schijnt mij toe ontstaan te zijn [uit …])

·     heeft twee bepalingen bij orta (ontstaan): a natura … (uit de natuur …) en applicatione … (door het willen verbinden)

·     elke bepaling vergelijkt twee zaken: potius quam (eerder dan) vergelijkt natura en indigentia, en magis quam (meer dan) vergelijkt applicatione en cogitatione

 

 

quapropter

relatieve aansluiting; een bijwoord dat betrekkelijk is gebruikt

 

 

mihi videtur

< sibi videri, geloven dat, denken dat;  hier dus: [daarom] denk ik [dat]; videri op zichzelf (letterlijk: gezien worden) wordt ook als schijnen vertaald; die vertaling, samen met mihi, kun je vaak ook in plaats van geloven of denken gebruiken; dan wordt het mihi videtur = het schijnt mij toe dat …

 

 

mihi

dativus auctoris; mihi videtur betekent letterlijk het wordt door mij gezien

 

 

orta amicitia

denk erbij esse: orta esse amicitia = “de vriendschap ontstaan te zijn”; de NCI bij videri; orta esse is de infinitivus (“I”) en amicitia de nominativus (“N”); de NCI fungeert als onderwerp van videtur

 

 

potius quam

potius[77] = comparativus (liever, eerder); quam + comparativus = dan

 

 

applicatione animi

een neiging van de geest[78] ; een wat letterlijker vertaling zou kunnen zijn “[meer] omdat de geest zich wil verbinden

 

 

cum

= samen met, in de betekenis van gecombineerd met

 

 

amandi

congrueert nergens mee, dus een gerundium: het liefhebben; in de genitivus met sensus: sensus amandi = “een gevoel van het liefhebben” = een gevoel van liefhebben

 

quantum1s n illa res1s f  predn utilitatis2s essetconi impf pv habiturapfa .

bijstelling

een afhankelijke vraag als bijstelling bij cogitatione[79]

 

quantum utilitatis

hoeveel van nut” = hoeveel nut

quantum is een zelfstandig naamwoord; utilitatis = genitivus partitivus

 

 

esset

·     Het is een coniunctivus omdat het een afhankelijke vraag is.

·     Het is een imperfectum vanwege orta [esse][80]. Je hoeft deze verleden tijd niet te vertalen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quod quidem quale sit, etiam in bestiis quibusdam animadverti potest, quae ex se natos ita amant ad quoddam tempus et ab eis ita amantur, ut facile earum sensus appareat;

 

Hoe dít nu zit, kan ook in sommige dieren waargenomen worden, die, tot een zeker moment, zo houden van hun jongen en zo door hen worden liefgehad, dat hun gevoel makkelijk zichtbaar is;

 

 

 

 

 

Quod1s n  ond quidem quale predn sitconi pv,

bijzin

afhankelijke vraag (quale, hoe) als betrekkelijke bijzin (quod, wat) met een relatieve aansluiting en als onderwerpszin van potest in de hoofdzin; quod is onderwerp van de bijzin ([120] variant [13])

 

 

quod

betrekkelijk voornaamwoord; relatieve aansluiting; onzijdige nominativus

 

 

quale

< qualis, hoe, hoedanig; bijvoeglijk naamwoord en hier vragend gebruikt (hoe?); het wordt verbogen en congrueert als predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) met het onderwerp: quale is de onzijdige nominativus

 

 

quidem

benadrukt het pronomen quod; niet vertalen

 

 

sit

een coniunctivus vanwege de afhankelijke vraag

 

etiam in bestiis5p  quibusdam animadvertiinf pas potestpv,

hoofdzin

 

 

 

animadverti

aanvullingsinfinitivus bij potest; passieve infinitivus: opgemerkt (te) worden

 

quae1p n ond ex se natos4p lijd ita amantpr pv ad quoddam tempus4s n  et ab eis5p ita amanturpr pas pv,

bijzin 1

dubbele betrekkelijk bijzin waar quae niet herhaald is; antecedent is bestiis [1]

 

 

ex se natos

natos < natus, kind (letterlijk: “de geborene”); bij een dier: jong; ex se natos = “de uit henzelf geborenen” = hun jongen 

 

 

ita

hoort bij het latere ut (correlativum): zó … (zo)dat …

 

ut facileBW (earum2p sensus1s f ond) appareatconi pv;

bijzin 2

consecutieve bijwoordelijke bijzin bij bijzin 1 [70]

 

 

facile

bijwoord van facilis, gemakkelijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

quod in homine multo est evidentius, primum ex ea caritate, quae est inter natos et parentes, quae dirimi nisi detestabili scelere non potest, deinde cum similis sensus exstitit amoris, si aliquem nacti sumus, cuius cum moribus et natura congruamus, quod in eo quasi lumen aliquod probitatis et virtutis perspicere videamur.

 

dit is in de mens veel zichtbaarder, allereerst vanwege de liefde die bestaat tussen kinderen en ouders, die niet verbroken kan worden behalve door een afschuwelijke misdaad, vervolgens wanneer een soortgelijk gevoel van liefde is ontstaan als wij iemand hebben ontmoet, met wiens gewoonten en natuur wij overeenstemmen, omdat wij in hem als het ware een zeker lichtend voorbeeld van rechtschapenheid en deugd lijken te zien.

 

 

 

 

 

quod1s n ond in homine multo estpv evidentiuspredn, primum ex ea caritate5s f ,

hoofdzin

zin met relatieve aansluiting (quod) en een opsomming met de woorden primum (allereerst) en  deinde (vervolgens) (polysyndeton); het tweede deel is een bijzin met daarin weer allerlei bijzinnen

De komma voor primum leidt geen bijzin in.

Het tweede deel van de opsomming, dat met deinde begint, is wél een bijzin.

 

 

evidentius

comparativus van evidenter, het bijwoord van het bijvoeglijke naamwoord evidens, overduidelijk

 

 

multo

multo + comparativus = heel, veel; dus, met evidentius, heel zichtbaar of veel zichtbaarder

 

 

ea [caritate], quae

letterlijk: die [liefde], die; in het Nederlands gebruiken we op deze plaats geen aanwijzend voornaamwoord (ea = die)

 

quae1s f ond estpv inter natos4p et parentes4p,

bijzin 1

eerste betrekkelijke bijzin [1] variant [13]; antecedent is caritate

 

 

est

< sum (esse); gebruikt als zelfstandig werkwoord (zijn = bestaan)

 

quae1s f ond dirimiinf pas nisi detestabili scelere5s  non potestpv,

bijzin 2

tweede feitelijke betrekkelijke bijzin, ook bij caritate ([1] variant [13]); tussen de twee bijzinnen is geen voegwoord gebruikt (asyndeton)

 

 

dirimi

< dirimo (dirimere), uit elkaar nemen, scheiden, verbreken; passieve infinitivus: verbroken (te) worden

 

 

scelere

ablativus causae

 

deinde cum similis sensus1s  ond exstititpr pf pv amoris2s,

bijzin 3

bij de hoofdzin; volgende deel in de opsomming (primum … deinde …); nu als een temporele bijwoordelijke bijzin met cum + indicativus; de bijzin is ook een voorwaardelijke zin, waarbij dit deel de conclusie is, en de voorwaarde in de volgende bijzin volgt[81]  [174] (een combinatie van bijw. bijzin  [35] en voorw. zin [143])

 

 

cum

het voegwoord (hier: wanneer), niet het voorzetsel (samen met); het voegwoord is hier gebruikt met een indicativus (temporeel: wanneer = op het moment dat)

 

 

exstitit

< exsisto (exsistere), ontstaan[82]: is ontstaan

 

 

amoris

bij sensus

 

si aliquem4s lijd nactippp 1p sumuspv,

bijzin 4

de voorwaarde (si = als) van bijzin 3; maar de echte inhoudelijk mededeling wat die voorwaarde dan is, zit in de volgende bijzin (bijzin 5)

 

 

nacti

< nactus, ppp van nanciscor (nancisci), deponens, krijgen, verkrijgen

 

 

nacti sumus

nanciscor is een deponens, dus nactus sum = ik heb verkregen, niet passief ik ben verkregen ; nacti is een nominativus meervoud vanwege de 1ste persoon meervoud van het onderwerp (wij)

 

cuius2s cum moribus5p et natura5s f congruamusconi pr pv,

bijzin 5

definiërende betrekkelijke bijzin [23]

bij bijzin 4; hier wordt de eigenlijke voorwaarde verwoord; het relativum cuius (van wie) is deel van de voorzetsel bepaling cum … (met=in …)

 

 

cuius cum moribus

= cum cuius moribus, met wiens gewoonten; als je niet met het ouderwetse wiens wilt vertalen, moet je een extra bijzin introduceren: [… iemand ontmoet hebben,] die gewoonten heeft waarmee wij overeenstemmen […]

 

 

congruamus

< congruo (congruere), overeenstemmen; dit werkwoord heeft het voorzetsel cum bij zich om aan te geven waarmee je overeenstemt; de coniunctivus wordt gebruikt vanwege het definiërende karakter omdat het antecedent “onbepaald” is; we vertalen zo’n coniunctivus met een gewone indicativus, of je voegt als je wilt een zinsdeel in als “met zo’n karakter dat …” (dat hoeft hier niet: moribus geeft al aan dat we het over iemands karakter hebben)

 

quod in eo5s quasiBW lumen4s n  lijd aliquod probitatis2s et virtutis2s perspicereinf videamurconi pr pas pv.

bijzin 6

causale bijwoordelijke bijzin met quod (omdat) en een coniunctivus bij bijzin 5 (we stemmen overeen omdat …)  [62] 

 

quasi

hier als bijwoord: als het ware

 

 

lumen

licht = lichtend voorbeeld

 

 

perspicere

aanvullingsinfinitivus

 

 

videamur

de coniunctivus in combinatie met quod geeft aan dat het niet om een hard feit gaat; dat kun je vertalen met toevoegingen als “zou” of “kan”; hier hoeft dat niet want de betekenis van videamur (lijkt/schijnt) en het gebruik van quasi verwoordt die intentie al.

 

 

 

 

 

 

 

 

28

Nihil est enim virtute amabilius, nihil quod magis alliciat ad diligendum, quippe cum propter virtutem et probitatem etiam eos, quos numquam vidimus, quodam modo diligamus.

 

Niets is immers beminnelijker dan de deugd, er is niets dat meer verlokt tot liefhebben, omdat wij immers door (hun) deugd en rechtschapenheid zelfs diegenen in zeker opzicht liefhebben die wij nooit hebben gezien.

 

 

 

 

 

Nihil1s n  ond estpv enim virtute5s amabilius1s n  predn,

hoofdzin

 

 

 

virtute

ablativus comparationis: dan; bij amabilius

 

 

amabilius

bijvoeglijk naamwoord, comparativus (beminnelijker); predicaatsnomen, congrueert daarom met nihil

 

nihilond

hoofdzin

verkorte hoofdzin omdat est uit de vorige zin niet is herhaald: nihil est = er is niets; merk op dat dit “niet herhaalde” est het zelfstandige werkwoord sum is (zijn = bestaan); het est in de vorige zin is het koppelwerkwoord; omdat de functie van “est” in het eerste en tweede deel verschilt, moet je in het Nederlands  “er is” toevoegen

 

quod1s n ond magis alliciatconi pv ad diligendumgdium,

bijzin

definiërende betrekkelijk bijzin met coniunctivus [24]

 

 

quod

is onzijdig vanwege nihil

 

 

diligendum

gerundium, het liefhebben; met ad is het een vaste constructie om een doel aan te geven: tot het liefhebben

 

quippeBW cumVW propterVZ virtutem4s et probitatem4s etiam eos4p lijd,

bijzin 1

bij quod alliciat; causale bijwoordelijke bijzin met cum en coniunctivus (omdat) [68]

 

 

quippe cum

een vaste combinatie: omdat immers

 

quos4p lijd numquam vidimusindi pf pv,

bijzin 2

feitelijke betrekkelijke bijzin bij het antecedent eos ([1] variant [16])

 

 

vidimus

hier, in tegenstelling tot viderit verderop, geen coniunctivus; dus geen definiërende bijzin deze keer; immers “het niet gezien hebben” is geen karaktertrek van iemand

 

quodam modo5s  diligamusconi pv.

bijzin 1 vervolg

 

 

 

quodam modo

modo < modus, tijd, manier, maat;

quodam < quisdam, een zeker(e), bijv. nw.

quodam modo, op een zekere manier, wij zeggen: in zekere zin, in zeker opzicht  

 

 

diligamus

coniunctivus vanwege het causale cum (omdat)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quis est qui C. Fabrici, M’. Curi non cum caritate aliqua benevola memoriam usurpet, quos numquam viderit?

 

Is er iemand die niet met een zekere welwillende genegenheid de herinnering levend houdt aan Gaius Fabricius, aan Manius Curius, hoewel hij hen nooit heeft gezien?

 

 

 

 

 

Quis1s ond estpv

hoofdzin

korte hoofdzin met een directe vraag als inleiding op de bijzin

 

 

quis est, qui

letterlijk: “Wie is hij, die …?”; de bedoeling is te vragen of er iemand is, die … Met andere woorden: Is er iemand die …?

 

qui1s ond C. Fabrici2s, M’. Curi2s non cum caritate5s f  aliqua benevola memoriam4s lijd usurpetconi pv,

bijzin 1

definiërende bijzin bij het onbepaalde “quis” uit de hoofdzin[83] [23] variant [13]

 

 

C. / M’.

C. = Gai = Gaii; M. = Mani = Manii; er staat M’ (met accent) als aanduiding dat het de voornaam Manius betreft; M. (zonder accent) geeft Marcus aan

 

 

memoriam usurpet

letterlijk “[die niet] de herinnering in de mond neemt/noemt”; in het Nederlands moeten we daar iets anders voor verzinnen: een herinnering koester je, of houd je levend. Falconer vertaalt: “who does not dwell with some  kindly affection”

 

 

aliqua

het onbepaalde persoonlijk voornaamwoord (< aliquis, enig, bepaald, zeker); niet lezen als het bijwoord op de een of andere manier 

 

 

benevola

< benevolus, welwillend, vriendelijk

 

quos4p lijd numquam videritconi pf pv?

bijzin 2

bij bijzin 1; concessieve betrekkelijke bijzin met als antecedent de mannen Fabricius en Curius ([30] variant [16])

 

 

viderit

hier, in tegenstelling tot vidimus hierboven, wél een coniunctivus; deze coniunctivus heeft kennelijk inhoudelijke betekenis en moeten we dus vertalen; het is een concessieve coniunctivus: hoewel hij hen nooit heeft gezien

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quis autem est qui Tarquinium Superbum, qui Sp. Cassium, Sp. Maelium non oderit?

 

Is er echter iemand die Tarquinius Superbus, die Spurius Cassius, of Spurius Maelius niet haat?

 

 

 

 

 

Quis1s ond autem estpv

hoofdzin

korte hoofdzin met een directe vraag als inleiding op de bijzin

 

 

quis est

zie hierboven bij de vorige zin

 

qui1s ond Tarquinium4s lijd Superbum, qui Sp. Cassium4s lijd, Sp. Maelium4s lijd non oderitconi pf pv?

bijzin

definiërende bijzin bij het onbepaalde “quis” uit de hoofdzin [23] variant [13] (zie ook voetnoot 83)

De zin bestaat uit twee delen, waarbij in het gezegde alleen in het tweede deel is geplaatst. Het tweede deel heeft een opsomming als lijdend voorwerp.

 

 

Sp.

= Spurium

 

 

qui … qui …

herhaald qui: anafora

 

 

qui Sp. Cassium, Sp. Maelium

geen voegwoord: asyndeton

In het Nederlands kun je het ook zonder voegwoord vertalen, maar het klinkt beter met een voegwoord.

 

 

oderit

< odi (odisse), haten; het perfectum heeft een praesens betekenis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cum duobus ducibus de imperio in Italia est decertatum, Pyrrho et Hannibale: ab altero propter probitatem eius non nimis alienos animos habemus, alterum propter crudelitatem semper haec civitas oderit.

 

Met twee leiders is er over de macht in Italië gestreden: Pyrrhus en Hannibal; onze gezindheid is niet al te zeer afkerig van de een wegens zijn rechtschapenheid, deze staat zal de ander wegens zijn wreedheid voor altijd haten.

 

 

 

 

 

Cum duobus ducibus5p  de imperio5s in Italia5s estpv decertatum4s n ppp, Pyrrho5s et Hannibale5s:

hoofdzin

hoofdzin met een bijstelling (appositie)

 

cum

het voorzetsel (met); dus niet cum +  indicativus = wanneer, toen; dat weet je pas zeker als je est hebt gezien en de zin niet als bijzin bij het vervolg kunt plaatsen.

 

 

est decertatum

het ppp is onzijdig en er is geen expliciet onzijdig onderwerp, dus: er is gestreden

 

 

Pyrrho et Hannibale

bijstelling bij duobus ducibus, vandaar congruentie in naamval; in het Nederlands is cum duobus ducibus, en dus ook de bijstelling, een voorzetselbepaling

 

 

cum … de … in …

met … over … in …; 3 bepalingen op een rijtje

 

ab altero5s propter probitatem4s eius2s non nimis alienos animos4p  lijd habemusindi pr pv, alterum4s lijd propter crudelitatem4s semper haec●● civitas1s f ●● ond oderitfut pv.

hoofdzin

nevengeschikte opsomming, ieder deel met een eigen persoonsvorm, en zonder voegwoord (asyndeton)

 

 

ab

vaak gebruikt om de oorsprong van iets aan te geven (vanaf, door), maar ook om aan te geven waar je je tegen afzet[84]; hier vooral in die laatste betekenis vanwege alienus, afkerig (van), vijandig (jegens)

 

 

animos

< animus, animus heeft veel betekenissen, waaronder stemming, gezindheid, instelling

 

 

alienos

< alienus, vreemd, afkerig, vijandig; hier gezien de context van Pyrrhus en Hannibal afkerig of vijandig; de eerste is wat minder heftig dan de tweede; “afkerig” maakt daarmee de tegenstellling met Hannibal wat sterker; en rechtschapenheid (probitas) is ook wel een complimenteus woord

 

 

animum alienum habeo

letterlijk “een afkerige houding hebben (jegens/van)”; een wat vlottere vertaling is dan om animos tot onderwerp te maken: “onze gezindheid is niet afkering jegens/van

 

 

eius

= van die/hem = zijn

 

 

oderit

de vorm kan zowel een futurum als een coniunctivus zijn; hier past het futurum beter; om hier een adhortativus te vertalen (“laat deze staat …”) is vanwege de context (Cicero geeft hier een uitleg en beschrijft een bestaande situatie) niet logisch

 

 

 

 

 

 

 

 

62

Sed – saepe enim redeo ad Scipionem, cuius omnis sermo erat de amicitia – querebatur quod omnibus in rebus homines diligentiores essent:

 

 

Maar – dikwijls kom ik immers terug bij Scipio, van wie de hele discussie over vriendschap was – hij klaagde dat mensen in alle zaken zorgvuldiger waren:

 

 

 

 

 

Sed […] querebaturimpf pv

hoofdzin

Scipio (uit de tussenzin) is het onderwerp

 

 

querebatur

< queror (queri), klagen over, beklagen; met quod: hij klaagde over het feit dat [85]

In het Nederlands zeggen we klagen over; klagen heeft daarmee een voorzetselbepaling bij zich. In het Latijn is queror transitief en heeft een lijdend voorwerp bij zich. Dat kan in het Nederlands ook als we beklagen gebruiken: iets beklagen.

 

quodBW omnibus in rebus5p  homines1p ●● ond diligentiores●● predn essentconi pv:

bijzin

lijdendvoorwerpszin bij querebatur: de bijzin fungeert als lijdend voorwerp bij querebatur [135]; het is ook indirecte rede: het beklag is van Scipio, niet van Cicero.

 

 

quod

een bijwoord “dat” en niet het betrekkelijke voornaamwoord die/dat; gebruikt als voegwoord (zie voetnoot 85)

 

 

essent

een coniunctivus vanwege de indirecte rede

 

 

diligentiores

< diligens, zorgvuldig, nauwgezet; daarvan de comparativus, zorgvuldiger; en die dan in de nominativus meervoud congruerend met homines en de 1e persoon meervoud van essent

 

saepe enim redeopv ad Scipionem4s,

hoofdzin

een tussenzin

 

 

redeo

de schrijver is aan het woord

 

cuius2s omnis sermo1s ond eratpv de amicitia5s

bijzin

betrekkelijke bijzin bij Scipionem; het betrekkelijk voornaamwoord in de genitivus ([1] variant [14])

 

 

sermo

meestal gewoon gesprek, taal, maar ook, zoals hier het onderwerp, thema, de discussie

 

 

cuius sermo erat [de …]

letterlijk: “[elk] gesprek/elke discussie [over …] was van S.

Bedoeld is niet dat bij Scipio elk gesprek over vriendschap ging maar het onderwerp “vriendschap” van Scipio was, dus dat hij de expert was.

 

 

cuius

predicaatsgenitivus[86]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

capras et oves quot quisque haberet dicere posse, amicos quot haberet non posse dicere;

 

dat een ieder kon zeggen hoeveel geiten en schapen hij had, (maar) dat niemand kon zeggen hoeveel vrienden hij had

 

 

 

 

 

capras4p lijd et oves4p lijd quot quisque1s ond haberetconi impf pv

bijzin 1

vooropgeplaatste lijdendvoorwerpszin met een indirecte vraag (quot, hoeveel) bij dicere [110]

 

 

quisque

is het onderwerp van de bijzin;

De bijzin met z’n hoofdzin (dicere posse)  kun je op twee manieren lezen. Dat staat uitgelegd bij de bespreking van de hoofdzin.

Hier volgt de uitleg van de bijzin bij interpretatie 2.

Lees, bij interpretatie 2,

“capras … quot quisque haberet dicere posse” als

“capras … quot haberet, quemque dicere posse”

Het is gebruikelijk om het woord quisque als onderwerp van een hoofdzin (de “A” van de ACI in dit geval) bij een vooropgeplaatste bijzin naar die bijzin te verplaatsen. Dat is hier het geval.[87]

 

In deze interpretatie 2 is het onderwerp dus niet “homines” van Scipio’s eerste klacht (“quod …” in de vorige zin). In interpretatie 1 (zie verderop) wordt homines wél als onderwerp genomen.

 

 

haberet

een imperfectum (“had”) vanwege querebatur; een coniunctivus vanwege de indirecte rede; ook als het geen vraag was geweest, was er een coniunctivus gebruikt omdat het een bijzin is binnen de indirecte rede

 

dicereinf posseACI,

ACI indirecte rede

Een ACI van de indirecte rede bij querebatur: woorden dus van de klagende Scipio.

Dit is dus geen nieuwe hoofdzin, maar een vervolg van de indirecte rede die in de hoofdzin “Sed querebatur…” is begonnen.

 

Er zijn twee manieren om deze zin te lezen[88].

1 – het onderwerp van de ACI, de “A”, is het “homines” uit de vorige zin[89]: dat zij (= de mensen) niet konden zeggen [hoeveel … ieder (= quisque) had]

2 – het onderwerp van de ACI is het quisque uit de bijzin[90]: dat een ieder kon zeggen [hoeveel … hij had]

 

Hier volgende we interpretatie 2.

Structuur bij interpretatie 2:

·     de “A” van de ACI dicere posse is niet weggelaten maar staat, als nominativus, in de vooropgeplaatste bijzin 1: quisque, een ieder

·     als je de “A” van de bijzin naar de ACI zelf verplaatst, moet je ‘m in de accusativus lezen: “quemque [dicere posse]” (hij klaagde dat een ieder kon zeggen)

·     en tenslotte, wát een ieder dan kon zeggen, staat in de vooropgeplaatste quot-bijzin (bijzin 1)

 

 

posse

Vertaal je posse met kon (verleden tijd) of kan (tegenwoordige tijd)? Twee manieren om er naar te kijken:

·     Een ACI zelf heeft geen tijd en dan neem je die over van het hoofdwerkwoord querabatur. Dat is een verleden tijd, dus “kon”.

·     Quisque is een woord dat gebruikt wordt in algemene uitdrukkingen. Zowel in het Latijn als in het Nederlands is het dan gebruikelijk om een tegenwoordige tijd te gebruiken: “kan”.

 

amicos4p lijd quot haberetconi impf pv

bijzin 2

vooropgeplaatste lijdendvoorwerpszin met een indirecte vraag (quot, hoeveel) bij dicere hierna [110];

 

non posseACI dicereinf;

ACI indirecte rede

zie de uitleg hierboven bij dicere posse;

derde deel in de indirecte rede

 

 

[quisque]

quisque, een ieder; is nog steeds het onderwerp; letterlijk: “een ieder kan niet zeggen [hoeveel …]”; dat moeten we in het Nederlands omdraaien tot niemand kan zeggen [hoeveel …]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

et in illis quidem parandis adhibere curam, in amicis eligendis neglegentes esse, nec habere quasi signa quaedam et notas, quibus eos, qui ad amicitiam essent idonei, iudicarent.

 

en dat ze weliswaar zorgvuldigheid toonden in het aanschaffen van die dieren, maar in het uitkiezen van vrienden nalatig waren, dat ze niet, zeg maar, bepaalde kenmerken en tekens gebruikten waarmee ze hen, die geschikt waren voor een vriendschap, konden beoordelen.

 

 

 

 

 

et in illis5p  quidem parandisgdivum  adhibereACI curam4s, in amicis5p ●● eligendisgdivum ●● neglegentes4p predn esseACI,

ACI indirecte rede

twee keer een ACI van de indirecte rede (adhibere, esse), nog steeds afhankelijk van de klagende Scipio;

·     de subjectaccusativus (de “A” van de ACI) is weggelaten; uit neglegentes kan worden afgeleid dat het homines uit het begin van de zin moet zijn

·     de twee ACI’s zijn zonder voegwoord verbonden (asyndeton) en vormen een tegenstelling (antithese)

·     beide beginnen met “in” (anafora)

 

 

in

hoort bij adhibere: adhibeo in + ablativus = tonen jegens/voor

 

 

illis

verwijst naar “het eerstgenoemde”, en dat zijn de geiten en schapen

 

 

parandis

< parandus, gerundivum van paro (parare), aanschaffen; in illis parandis = letterlijk “voor die aangeschaft moetende worden”, voluit: “[zorgvuldigheid tonen voor] die [dieren] aangeschaft moetende worden” = [zorgvuldigheid tonen voor] die [dieren] die aangeschaft moeten worden;

vervolgens vertaal je parandis dominant: voor het aanschaffen van die [dieren] ; dan kun je “in” ook gewoon met in vertalen

 

 

curam

object bij adhibere

 

 

eligendis

< eligendus, gerundivum van eligo (eligere), uitkiezen; net als boven ook weer dominant vertalen: “voor/in vrienden die gekozen moeten worden” = in het kiezen van vrienden 

 

 

neglentes

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) bij esse

·     dus de volledige ACI zou zijn: hominesACI neglentes esseACI = dat de mensen nalatig zijn, met twee keer een accusativus

 

nec habereACI quasiBW signa4p n  quaedam et notas4p,

ACI indirecte rede

volgende ACI als de woorden van Scipio: en dat …; denk er net als bij de vorige homines bij

 

 

nec habēre

nec [homines] habēre … = en dat [de mensen] geen … hebben

 

 

quasi

een bijwoord; niet geforceerd alleen bij signa et notas proberen te vertalen; het hoort als bijwoord bij het geheel: habere signa et notas

 

 

quaedam

zowel bij signa en notas betrekken; nu congrueert het “toevallig” met beide woorden omdat quaedam zowel nominativus meervoud onzijdig als vrouwelijk is; maar anders had het gecongrueerd met het dichtsbijzijnde zelfstandige naamwoord

 

 

signa, notas

object bij habere

 

quibus5p eos4p lijd,

bijzin 1

bij de ACI “nec habere …”;

·     een bijzin binnen een indirecte heeft automatisch een coniunctivus;

·     maar uit de context begrijpen we dat die tekens een doel hebben, namelijk om vrienden aan te herkennen;

·     we kunnen hier dus te maken met een finale betrekkelijke bijzin met het relativum (quibus) in de ablativus (waarmee) ([20 ] variant [17])

·     maar je kunt de zin ook opvatten als een voorwaardelijke zin met een potentialis en een verborgen voorwaarde in de qui-zin die teruggeworpen is in de tijd door querebatur helemaal aan het begin; door dat laatste duidt het imperfectum niet op een irrealis maar een potentialis  ([145] met [173] en [166])[91]

·     ook als er geen sprake zou zijn geweest van een indirecte rede, zou er dus een coniunctivus gebruikt zijn[92]

·     je kunt hem vertalen met “kunnen”

 

qui1p  ond ad amicitiam4s essentconi impf pv idonei predn,

bijzin 2

bij bijzin 1

·     net als iudicarent in de omvattende zin, gebruikt deze bijzin een coniunctivus omdat het een bijzin is binnen de indirecte rede;

·     en hier is ook weer de vraag of er ook een coniunctivus had gestaan als er geen indirecte rede was gebruikt (zie ook voetnoot 92);

·     dat zou goed kunnen: het is dan een definiërende bijzin bij het onbepaalde eos (hen) ([23] variant [13]); een definiërende bijzin hoef je meestal niet op een bijzonder manier te vertalen

 

iudicarentconi impf pv.

bijzin 1 vervolg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sunt igitur firmi et stabiles et constantes eligendi, cuius generis est magna penuria. Et iudicare difficile est sane nisi expertum; experiendum autem est in ipsa amicitia. Ita praecurrit amicitia iudicium, tollitque experiendi potestatem.

 

Daarom moeten trouwe en standvastige en karaktervaste mensen uitgekozen worden, een soort waaraan er een groot gebrek is. En beoordelen is buitengewoon moeilijk tenzij het uitgeprobeerd is. Het beoordelen moet echter uitgeprobeerd worden in de vriendschap zelf. Zo gaat de vriendschap vooraf aan het oordeel en neemt de mogelijkheid om te beproeven weg.

 

 

 

 

 

Suntpv igitur firmi1p ond  et stabiles1p ond  et constantes1p ond  eligendigdivum ,

hoofdzin

met een polysyndeton

 

firmi, stabiles, constantes

Je kunt er homines (mensen, mannen) of amici (vrienden) bijdenken, of de bijvoeglijke naamwoorden als verzelfstandigd lezen. “Mensen” of “mannen” is iets logischer gezien het vervolg: je kiest eerst iemand uit en pas dan merk je of het een goede vriend is.

 

 

sunt eligendi

gerundivum van verplichting (moeten …)

 

cuius2s  generis estpv magna●● penuria1s f ●● ond.

bijzin

betrekkelijke bijzin waarvan het antecedent (gener, soort) in de bijzin is geplaatst; het antecent is niet de woordgroep firmi, stabiles en constantes, of een weggelaten amici, want dat past niet qua getal (meervoud/enkelvoud);

·     het antecedent gener is een bijstelling die je in de hoofdzin kunt denken: “je moet trouwe … vrienden kiezen, een soort, waarvan …”  ([8] variant [14])

·     het is verleidelijk om te vertalen “trouwe … (vrienden), aan/van welke soort er een groot gebrek is”, maar dat is waarschijnlijk geen goed[93] Nederlands

 

Et iudicareinf 1s n ond difficile1s n predn estpv saneBW nisi expertum1s n predn;

hoofdzin

 

 

iudicare

een infinitivus kan als zelfstandig naamwoord in de nominativus dienen als onderwerp; het is dan onzijdig

 

 

difficile

bijvoeglijk naamwoord; onzijdige nominativus; congrueert met iudicare

 

 

expertum

< expertus, beproefd, bewezen; bijvoeglijk naamwoord; onzijdige nominativus; congrueert met iudicare; ook predicatief gebruikt

Letterlijk: “tenzij (het) beproefd (is)”, met “het” = “het beoordelen”; in het Nederlands kun je iets zeggen als tenzij je de proef op de som hebt genomen of tenzij je [dat] uitgeprobeerd hebt; daarmee maak je van de passieve constructie een actieve

 

experiendum1s n autem estpv in ipsa amicitia5s .

hoofdzin

 

 

 

experiendum est

gerundivum van verplichting

 

 

est

Je kan het op twee manieren lezen[94]:

·     onpersoonlijk: er moet beproefd (=getest) worden, of

·     als onderwerp iudicare nemen, het beoordelen, uit de vorige zin: dat [beoordelen] moet beproefd worden …

 

Ita praecurritpr pv amicitia1s ond iudicium4s lijd, tollitpr pvque experiendigdium 2s potestatem4s lijd.

hoofdzin

met twee nevengeschikte delen

 

experiendi

< experiendum, genitivus van het gerundium; “[de mogelijkheid] van het beproeven” = [de mogelijkheid] om te beproeven

 

 

tollit

onderwerp is nog steeds amicitia

 

 

 

 

63

Est igitur prudentis sustinere ut currum, sic impetum benevolentiae, quo utamur quasi equis temptatis, sic amicitia aliqua parte periclitatis moribus amicorum.

 

Een verstandig iemand remt daarom, net als [bij] een wagen, de aandrang tot welwillendheid af, opdat we, net als paarden die (eerst) uitgeprobeerd zijn, vriendschap gebruiken (pas) nadat het gedrag van de vrienden enigszins op de proef is gesteld.

 

 

 

 

 

Estpv igitur prudentis2s sustinereinf 1s n ond utBW currum4s, sic impetum4s benevolentiae2s,

hoofdzin

Letterlijk staat er “Het is daarom van een verstandige zoals een wagen tegen te houden, zo (ook) de aandrang tot welwillendheid (tegen te houden).

 

 

prudentis

< prudens, verstandig; hier verzelfstandigd: [van een] een verstandig mens

 

 

[est] prudentis

letterlijk: [het] is van een verstandig mens (genitivus qualitatis) = “[het] is een eigenschap van een verstandig mens

 

 

sustinēre

tegenhouden, remmen; infinitivus als zelfstandig naamwoord gebruikt; is dan het onderwerp van est: “tegenhouden [is een eigenschap van een verstandig mens]

 

 

currum, impetum

object bij sustinēre: een wagen/de aandrang tegenhouden/remmen

 

 

ut … sic …

zoals [A], zo [B] =  [B] net als [A]; ut is hier niet het voegwoord (opdat, zodat), maar het bijwoord (hoe, zoals)

 

quoVW utamurconi pr pv quasi equis5p  temptatisppp , sic amicitia5s (aliqua●● parte5s f ●● periclitatisppp AA moribusAA amicorum2p).

bijzin

bijwoordelijke finale bijzin met quo en een coniunctivus [59 ]

Structuur:

·     quo is hier een voegwoord (opdat), geen betrekkelijk voornaamwoord (waardoor)

·     equis (paarden) en amicitia (vriendschap) staan op hetzelfde niveau: quasi equis, sic amicitia

·     amicitia is geen nominativus (onderwerp) maar ablativus (en equis ook)

·     equis temptatis is géén ablabs; periclitatis moribus is dat wél

 

 

quo

quo + coniunctivus = opdat;

 

 

utamur

< utor (uti), gebruiken; wat je gebruikt, staat in de ablativus; hier paarden en vriendschap

 

 

equis, amicitia

vertaal het andersom, net als bij ut …  sic hierboven; dus “[gebruiken] vriendschap net als paarden

 

 

temptatis

< temptatus, ppp van tempto (temptare), proberen

 

 

equis temptatis

geen ablabs; de ablativus van equis wordt geregeerd door utor: gebruik maken van paarden; dus temptatis is een “gewoon” ppp bij equis: de paarden uitgeprobeerd zijnde = [net als] paarden die op de proef zijn gesteld; uit de context (als de rest van de zin duidelijk geworden is) kun je opmaken dat we in het Nederlands het woord “eerst” graag willen horen: “die eerst op de proef …  (d.w.z. voordat ze gebruikt worden)

 

 

aliqua parte

“(ex) aliqua parte” is een vaste combinatie: voor een deel, enigszins; bij periclitatis: enigszins op de proef gesteld

 

 

moribus

< mos, gewoonte, meervoud ook: gedrag

 

 

periclitatis

< periclitatus, ppp van pericitor (periclitari), beproeven, een deponens; hier een ppp met een passieve betekenis! dat is ongebruikelijk: ppp’s van deponentia hebben gewoonlijk een actieve betekenis (dan zou het “gedrag” iets beproeven)

 

 

periclitatis moribus

ablabs: nadat het gedrag is beproefd; het gebruik van nadat, maakt dat we bij temptatis graag “eerst” willen horen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quidam saepe in parva pecunia perspiciuntur quam sint leves; quidam autem, quos parva movere non potuit, cognoscuntur in magna.

 

Dikwijls doorziet men bij een kleine geldsom hoe onstandvastig sommigen zijn; anderen echter, op wie een kleine geen indruk kon maken, leert men kennen bij een grote.

 

 

 

 

 

Quidam1p ond saepe in parva pecunia5s  perspiciunturpas pr pv

hoofdzin

Letterlijk: “Sommigen worden dikwijls bij een kleine geldsom doorzien hoe onstandvastig ze zijn.

De structuur volgt dit (versimpelde) schema: perspicio, quam sis = ik doorzie, hoe jij bent; de quam-zin is een afhankelijke vraag.

De hoofdzin hier is echter passief: quidam perspiciuntur = sommigen worden doorzien; dat gaat in het Nederlands niet goed samen met de afhankelijke vraag. Doe het volgende:

·     actief (maar wel onpersoonlijk) maken: men doorziet sommigen;

·     het onderwerp uit de passsieve zin (quidam) is nu het lijdend voorwerp in de actieve zin; alleen past daar in het Nederlands de hoe-zin weer niet zo goed bij: men doorziet sommigen hoe onstandvastig ze zijn

·     daarom sommigen (quidam) in het Nederlands naar de bijzin verplaatsen: … hoe onstandvastig sommigen zijn  

 

 

pecunia

enkelvoud: geld, geldsom; parva pecunia = een kleine geldsom;  

 

quamBW sintconi pv leves1p predn;

bijzin

afhankelijke vraag als bijstelling bij quidam [134]; quidam fungeert in de hoofdzin als het voorlopig onderwerp. Er zijn een paar bijzonderheden aan deze zin:

·     Het onderwerp van de bijzin (“zij”) is als onderwerp in de hoofdzin getrokken (quidam).

·     Een bijzin heeft altijd een grammaticale rol in de hoofdzin. Hier is die moeilijk te benoemen.

·     In de meer gebruikelijke constructie, was de hoofdzin actief en onpersoonlijk: “Men doorziet vaak hoe onstandvastig sommigen zijn.” Dan is de quam-zin een lijdendvoorwerpszin ([110]).

·     Als je een hoofdzin passief maakt, wordt het lijdend voorwerp het onderwerp (“Hoe onstandvastig zij zijn wordt vaak doorzien.”; [120]). Maar dat lukt hier niet omdat er al een onderwerp, quidam, in de hoofdzin staat.[95]

 

 

quam

hoe

 

 

sint

een coniunctivus vanwege de afhankelijke vraag

 

 

leves

< levis, onstandvastig; kan ook als onbetrouwbaar worden vertaald

 

quidam1p ond autem,

hoofdzin

als tegenstelling bij de vorige; beginnen allebei met quidam (anafora)

 

quos4p lijd parva1s ond movereinf non potuitpf pv,

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met het relativum (quos) als lijdend voorwerp en quidam als antecedent ([1] variant [16])

 

 

parva

denk erbij pecunia; parva is een nominativus; vergelijk magna verderop, dat een ablativus is

 

 

movere

aanvullingsinfinitivus bij potuit; in de betekenis van indruk maken op heeft movere een accusativus bij zich (quos)

 

cognoscunturpas pr pv in magna5s.

hoofdzin vervolg

 

 

 

cognoscuntur

cognosco (cognoscere) is leren kennen; het is hier passief; “leren kennen” kunnen we in het Nederlands niet passief maken; de oplossing is om het onpersoonlijk te maken: “men leert [hen] kennen” ;

 

 

magna

denk er weer pecunia bij; maar hier zijn dat wel ablativi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sin vero erunt aliqui reperti, qui pecuniam praeferre amicitiae sordidum existiment, ubi eos inveniemus, qui honores, magistratus, imperia, potestates, opes, amicitiae non anteponant, ut, cum ex altera parte proposita haec sint, ex altera ius amicitiae, non multo illa malint?

 

Maar als er echt sommigen gevonden zullen zijn die geld boven vriendschap verkiezen beschamend vinden, waar zullen wij hen aantreffen die niet aan een publieke loopbaan, magistratuur, militaire bevelvoering, macht of middelen de voorkeur geven boven vriendschap, zodat zij, wanneer aan de ene kant deze zaken uitgestald zouden zijn, en aan de andere kant de wet van de vriendschap, die eerdergenoemde zaken niet veel liever willen?

 

 

 

 

 

Sin vero eruntindi fut pv aliqui1p ond reperti1p ppp,

bijzin “als”

de voorwaarde van een vragende voorwaardelijke zin; de conclusie is een vraag: ubi eos …? [150]

·     een realis in de toekomst (“als … zal, dan zal …”)

·     de voorwaarde moet afgerond zijn voordat de conclusie effect krijgt (futurum exactum in de voorwaarde)

 

 

erunt reperti

zij zullen zijn gevonden (indicativus futuri passivi)

 

qui1p ond pecuniam4s praeferreinf amicitiae3s sordidum4s existimentconi pv,

bijzin 1

betrekkelijke definiërende bijzin bij aliqui ([23] variant [13]);

de structuur is existiment + dubbele accusativus, iets beschouwen als

·     de eerste accusativus is praeferre, het stellen boven (het werkwoord is zzelfstandig gebruikt);

·     de tweede accusativus is sordidum

We hebben dus niet de vorm existiment + ACI, menen dat …

·      geen van de accusativi kan, gezien de context, als subjectsaccusativus optreden van praeferre.

 

pecuniam

object bij praeferre

 

 

praeferre

het werkwoord fungeert als zelfstandig naamwoord (“het stellen boven”); met een dativus: boven iets stellen;

 

 

amicitiae

dativus vanwege stellen boven

 

 

sordidum

accusativus van het bijvoeglijk naamwoord sordidus, vuil, beschamend predicatief gebruikt (predicaatsaccusativus[96]); vaak te vertalen met “als”; hier kan je in het Nederlands als weglaten

Merk op dat sordidum niet congrueert met pecuniam (dan had het sordidam moeten zijn) maar met praeferre (een zelfstandig gebruikt werkwoord is onzijdig).

 

 

existiment

een coniunctivus vanwege het definiërend karakter van de bijzin

 

ubi eos4p lijd inveniemusindi fut pv,

hoofdzin “dan”

de “conclusie” van de voorwaardelijke zin; het is een directe vraag

 

 

inveniemus

let op: een futurum

 

qui1p ond honores4p lijd, magistratus4p lijd, imperia4p lijd, potestates4p lijd, opes4p lijd, amicitiae3s non anteponantconi pv,

 

betrekkelijke definiërende bijzin bij eos ([23] variant [13]);

in de opsomming is de komma achter opes mogelijk verwarrend, want amicitiae hoort niet meer bij de opsomming

 

 

honores, …

opsomming zonder voegwoorden: asyndeton

Deze vijf begrippen zijn verankerd in het Romeinse leven van die dagen. Je moet dus vooral goed zijn in geschiedenis, in plaats van Latijn of Nederlands, om goede vertalingen te kunnen kiezen.

 

 

anteponant

antepono + accusativus + dativus: de voorkeur geven aan iets boven iets;

een coniunctivus vanwege het definiërend karakter van de bijzin; antepono + dativus = stellen boven

 

ut,

bijzin 2

ontkennende consecutieve bijwoordelijke bijzin bij de hoofdzin (ubi …), met non en een coniunctivus [70]

 

cum ex altera parte5s f  proposita4p n ppp haec4p n ond sintconi pv, ex altera ius1s ond amicitiae2s,

bijzin 3

bij bijzin 2; temporele bijwoordelijke bijzin (wanneer = op het moment dat); maar gezien het voorwaardelijke karakter van de hele zin, zit er natuurlijk ook een “beetje voorwaarde” in (wanneer = indien)

 

 

cum

het voegwoord, niet het voorzetsel

 

 

proposita [sint]

niet zien hier als het zelfstandig naamwoord propositum, voornemen, bedoeling zien maar als ppp van propono (proponere), uitstallen, plaatsen voor, voor ogen houden

proposita sint is een coniunctivus perfecti passivi, zij zijn uitgestald (geworden)

 

 

parte, proposita

Je kan de woorden meer letterlijk vertalen (waarbij de bedoeling overdrachtelijk blijft): kant (= plaats, plek) en plaatsen (= neerzetten voor, uitstallen). Dan ziet de lezer als het ware een “stapeltje” links en eentje rechts. Of je kan een meer overdrachtelijke vertaling maken: enerzijds/anderzijds, voor ogen houden, voorstellen. Ook in het Nederlands zijn de overdrachtelijke woorden gebaseerd op de letterlijke, fysieke betekenissen.

 

 

ex … parte

parte < pars, hier zijde, kant: aan de ene kant, aan de andere kant

 

 

sint

een coniunctivus; een bijzin bij een zin met een coniunctivus (hier: ut … malint) heeft ook een coniunctivus, tenzij de schrijver een voor hem duidelijk feit wil aangeven

 

non multoBW illa4p n lijd malintconi pr pv?

bijzin  2 vervolg

 

 

 

multo

bijwoord: veel; combineren met malint; malo (malle), liever willen > multo malo, veel liever willen

 

 

illa

< ille = daar = ver weg = eerstgenoemd (in tegenstellinig tot hic = hier = dichtbij = laatstgenoemd)

 

 

 

 

 

Imbecilla enim est natura ad contemnendam potentiam; quam etiamsi neglecta amicitia consecuti sint, obscuratum iri arbitrantur, quia non sine magna causa sit neglecta amicitia.

 

Onze natuur is immers te zwak om macht af te wijzen; ook als ze die door het zich niet bekommeren om vriendschap hebben bereikt, menen ze dat dit in de vergetelheid zal zijn geraakt, omdat de vriendschap niet zonder een belangrijke reden is verwaarloosd.

 

 

 

 

 

Imbecilla predn enim estpv natura1s  ond ad contemnendamgdivum ●● potentiam4s f ●●;

hoofdzin

 

 

imbecilla

< imbecillus, zwak; een bijvoeglijk naamwoord in de stellende trap (positivus); in het Nederlands moet je, als je met zwak vertaalt, door de combinatie met “om te …” (ad …), er een vergrotende trap (comparativus) van maken: te zwak[97].

 

ad …

gerundivum constructie: om te …; het gerundivum dominant vertalen: letterlijk “om de macht afgewezen moetende worden” =  om de macht af te wijzen (dan wordt macht dus het object van afwijzen in plaats van het gerundivum bijvoeglijk te vertalen bij macht)

 

quam4s ●● lijd etiamsi neglecta5s f AA amicitia5s f AA consecuti1p sintconi pr pv,

bijzin

vooropgeplaatste concessieve bijwoordelijke bijzin met etiamsi (ook als, hoewel) [82];

·     maar wel met een “voorwaardelijke bijsmaak” (als = in het geval dat); daarmee wordt de hoofdzin hierna een “conclusie”, in de trant van “zelfs als … dan (toch) …”.

·     merk op dat er in deze bijzin een coniunctivus is gebruikt (sint), maar een gewoon praesens in de hoofdzin (arbitrantur); we hebben hier dus geen irrealis

·     De coniunctivus sint is misschien een potentialis, of vanwege de indirecte rede (arbitrantur). Geen van de geraadpleegde vertalingen vertaalt de coniunctivus.

 

 

quam

relatieve aansluiting en lijdend voorwerp in de bijzin; slaat terug op potentiam (macht)

·     quam niet als betrekkelijk voornaamwoord (“de macht, die”) vertalen; dan kun je etiamsi niet meer plaatsen,

·     ook niet bij obscuratum trekken (“welke [macht] … zij menen verborgen te zullen zijn”, want quam en obscuratum congrueren niet

 

 

neglecta

< neglectus, ppp van neglego (neglegere), verwaarlozen, zich niet bekommeren om;

 

 

neglecta amicitia

Je kan deze woordgroep op twee manier lezen[98]:

·     als ablativus absolutus
omdat de vriendschap is verwaarloosd

·     als “gewone” ablativus waarbij het participium dominant is: “door een verwaarloosde vriendschap” = “door het verwaarlozen van vriendschap

 

(obscuratum4s n ppp iri)inf ACI arbitranturindi pr pv,

hoofdzin

“conclusie” bij de voorwaardelijke bijzin

 

 

obscuratum [iri]

de vorm obscuratum is geen ppp maar het zogenaamde supinum (geen examenstof); in de infinitivus futuri passivi[99] (obscuratum iri) is het onpersoonlijk gebruikt[100]. Iri is de passieve infinitivus van eo (ire), gaan.

obscuratum iri = aan de vergetelheid prijsgegeven te zullen zijn (geworden) = vergeten zal zijn

 

quia non sine magna causa5s f  sitconi pr pv neglecta predn amicitia1s f  ond.

bijzin

bij de hoofdzin (arbitrantur); causale bijwoordelijk bijzin met quia en een coniunctivus [62];

 

 

sit

de coniunctivus geeft aan dat de reden (quia …) geen feit (in de ogen van Cicero) maar de mening van een ander is; niet van Cicero dus maar van de mensen die op die manier over vriendschap denken; coniunctivus obliquus; je mag dat in de vertaling tot uitdrukking laten komen (zou of volgens hen)

 

 

neglecta

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde); dus niet bijvoeglijk proberen te maken (“verwaarloosde vriendschap”)

 

 

 

 

 

 

 

 

64

Itaque verae amicitiae difficillime reperiuntur in eis, qui in honoribus reque publica versantur; ubi enim istum invenias, qui honorem amici anteponat suo?

 

Dus worden echte vriendschappen zeer lastig aangetroffen bij hen die zich op hoge posities of in een publieke functie bevinden; waar immers kun je iemand vinden die de reputatie van zijn vriend boven zijn eigen stelt?

 

 

 

 

 

Itaque verae amicitiae1p  ond difficillimeBW reperiunturpv in eis5s,

hoofdzin

 

 

amicitiae reperiuntur

letterlijk “vriendschappen worden gevonden

 

qui1p ond in honoribus5p re5sque publica5s versanturindi pv;

bijzin

feitelijke betrekkelijke bijzin met een indicativus ([1] variant [13])

 

 

versantur

< versor (versari), een deponens; met in + ablativus: zich bezighouden met 

 

ubi enim istum4s lijd inveniasconi pv,

hoofdzin

directe vraag; een hoofdzin met een coniunctivus potentialis van het heden (kan)

 

 

istum

< iste, die, hem; het is een aanwijzend voornaamwoord; in het Nederlands kun je geen lijdend voorwerp op deze plek met een aanwijzend voornaamwoord maken; met hem vertalen is ook niet fraai; beter is “[waar kun je] zo’n man [vinden]”, of gewoon vertalen met iemand.

 

qui1s ond honorem4s lijd amici2s anteponatconi pv suo3s?

bijzin

definiërende bijzin bij het onbepaalde istum ([23] variant [13])

 

 

anteponat

< antepono, stellen boven; regeert een dativus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quid? Haec ut omittam[101], quam graves, quam difficiles plerisque videntur calamitatum societates?

 

Wat verder? Afgezien van deze zaken, hoe zwaar, hoe moeilijk vinden de meesten (het niet) om in (de) tegenslagen (van een ander) te delen.

 

 

 

 

 

Quid1s n?

hoofdzin

verkorte hoofdzin

 

 

quid

denk er bijvoorbeeld bij cogitas; wat denk je?

 

Haec4p n ut omittam,

bijzin

meer een standaard frase als tussenzin, dan een volwaardige bijzin; maar als je ‘m wilt benoemen is het een finale bijzin met een coniunctivus (ut finalis = opdat, om te) [51 ]

 

 

haec ut omittam

letterlijk: “opdat ik deze zaken oversla” = afgezien van deze zaken, of afgezien daarvan

 

quamBW graves, quamBW difficiles plerisque3p videnturpr pv calamitatum2p f societates1p  ond?

hoofdzin

directe vraag; in de vertaling is “het niet” als versterking toegevoegd alleen om de zin in het Nederlands beter te laten lopen.

 

 

quam

hoe?

 

 

societates

< societas, deelneming; voor dit meervoud (“de deelnemingen”) gebruiken we in het Nederlands een onpersoonlijk enkelvoud: (het) deelnemen.

onderwerp bij videntur: “de deelnemingen schijnen

 

 

calamitatum

genitivus objectivus; het woordenboek geeft een aantal voorbeelden van dit soort genitivi bij societas; hier “deelnemingen in tegenslagen” = delen in de tegenslagen; je zou ook kunnen vertalen: meeleven met de tegenslagen[102]

 

 

graves, difficiles

predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde) bij videntur: [kameraadschappen] schijnen zwaar/moeilijk; en dat dan vragend: hoe zwaar/moeilijk schijnen …

 

 

plerisque

dativus bij videntur: “aan de meesten schijnen …” = de meesten vinden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ad quas non est facile inventu qui descendant.

 

Het is niet makkelijk mensen te vinden die zich daartoe verwaardigen.

 

 

 

 

 

Ad quas4p non estpv facile1s n inventu

hoofdzin

 

 

 

ad quas

relatieve aansluiting; quas slaat terug op societates, het deelgenoot willen zijn aan tegenslagen van een vriend; in het Nederlands kun je de combinatie van het voorzetsel ad (tot/naar) en het betrekkelijk voornaamwoord quas (die) niet als zodanig vertalen (“tot/naar die”), maar wordt het daartoe/ daarnaar;

de woordgroep hoort inhoudelijk in de bijzin (“die daarnaar willen afdalen”), maar is uit de bijzin helemaal naar voren getrokken

 

 

est

onpersoonlijk: het is[103]

 

 

facile

< facilis, het bijvoeglijke naamwoord gebruikt als predicaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde); onzijdig vanwege het onpersoonlijke gebruik: het is …

 

 

inventu

supinum type II: om te …[104]; wordt met name in combinatie met bijvoeglijke naamwoorden gebruikt; de woordgroep hier is daarmee facile inventu, makkelijk om te vinden

 

qui1p ond descendantconi pv.

bijzin

definiërende betrekkelijke bijzin met een coniunctivus: “mensen met zo’n karakter dat …” [23]

 

 

descendant

< descendere; + ad: afdalen naar, zich verwaardigen om

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Quamquam Ennius recte ‘Amicus certus in re incerta cernitur’, tamen haec duo levitatis et infirmitatis plerosque convincunt, aut si in bonis rebus contemnunt, aut in malis deserunt.

 

Ofschoon Ennius terecht zegt “Een wisse vriend doet zich kennen in ongewisse tijden”, toch verklaren de volgende twee zaken de meeste mensen schuldig aan wispelturigheid en onstandvastigheid: of ze verachten je, als het hun goed gaat, of, als het jou niet goed gaat, verlaten ze je.

 

 

 

 

 

Quamquam Enniusond recteBW ‘[…]’,

bijzin

vooropgeplaatste concessieve bijwoordelijke bijzin met quamquam (hoewel, ofschoon) en een indicativus (die je hier niet ziet want de persoonsvorm is weggelaten) [83]; denk erbij bijvoorbeeld dicit, hij zegt

 

‘Amicus certus in re incerta cernitur’

hoofdzin directe rede

een hoofdzin in de directe rede; fungeert als lijdend voorwerp in de bijzin

Het is spelen met woorden om er een beetje nette vertaling[105] van de maken. Letterlijk staat er “Een zekere vriend wordt onderscheiden in een onzekere situatie.” Met onderscheiden als “is te herkennen”.

 

 

cernitur

< cerno (cernere), zien, onderscheiden; hier passief:

·     vertaling met zien: “[een vriend] wordt gezien” = [een vriend] toont zich als[106]/doet zich kennen; je maakt de vertaling actief

·     vertaling met onderscheiden: “[een vriend] wordt onderscheiden” = [een vriend] wordt herkend; je houdt de vertaling passief

 

 

certus, incerta

stijlfiguren: antithese, alliteratie (van de c en e)

 

tamen haec1p n ond duo levitatis2s et infirmitatis2s plerosque4p lijd convincuntindi pr pv, aut si in bonis rebus5p  contemnuntindi pr pv, aut in malis5p deseruntindi pr pv.

hoofdzin

Wat de structuur betreft kun je “si” op twee manieren interpreteren[107]:

·     bij contemnunt/deserunt: als ze [je] verachten/verlaten
In dit geval hebben we een voorwaardelijke zin, áls (si) ze je verachten, dan is dat het bewijs van wispelturigheid en zwakte. Het aut/aut deel is in dit geval een dubbele nevengeschikte bijzin.

·     bij in bonis rebus: als [ze] in goede situaties zijn (= als het hen goed gaat)
Nu is het aut/aut deel een bijstelling in de vorm van een zelfstandige zin bij haec en is het geen voorwaarde (waar nog iets van onzekerheid in zit) maar een stelling. De voorwaarde (si) verschuift naar wat er precies gebeurt: ze verachten je als ze in goede doen zijn en ze verlaten je als …

In deze aantekeningen is voor de laatste interpretatie gekozen.

 

 

duo

bij haec; is onverbuigbaar, dus het begrip “congruentie” is zinloos

 

 

haec

twee zaken; welke twee zaken staat verderop: aut … aut …

 

 

convincunt

< convincere; met een accusativus en een genitivus: iemand/iets (=acc; lijdend voorwerp) schuldig verklaren aan iets (=gen)

 

 

haec convincerent

“dingen verklaren schuldig”: personificatie

 

 

si in bonis rebus contemnunt

si is een voegwoord, dus grammaticaal hebben we hier een verkorte voorwaardelijke bijzin waarbij de persoonsvorm, sunt, is weggelaten. Je leest dan: “[aut] contemnunt, si in bonus sunt, …” De als-zin is dan de voorwaarde, contemnunt is de persoonsvorm van de hoofdzin, die hier op z’n beurt een bijstelling bij haec vormt

 

 

aut in malis deserunt

Het eerste deel (aut … contemnunt) was al verkort en dit deel is nog verder verkort. Je kunt lezen””aut deserunt, si in malis rebus sunt”.

 

 

in bonus, in malis

In de vertaling zie dat “in bonus” wordt betrokken op diegenen die verachten en “in malis” wordt betrokken op diegenen die verlaten worden. Het perspectief verandert dus binnen de zin. Als ik zélf in goeden doen ben, veracht ik jou – ik heb je immers niet nodig want ik ben (invloed)rijk genoeg – en als jíj er slecht voor staat, wil ik niets met je te maken hebben. De vraag is of je deze perspectiefverandering volledig uit de context moet afleiden, of dat die aangevoeld moet worden omdat si en rebus niet herhaald zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qui igitur utraque in re gravem, constantem, stabilem se in amicitia praestiterit, hunc ex maxime raro genere hominum iudicare debemus et paene divino.

 

Wie zich in vriendschap daarom in beide gevallen zal hebben betoond als serieus, standvastig, en evenwichtig, moeten we als iemand beschouwen die tot een uiterst zeldzame en haast goddelijke soort van mensen behoort.

 

 

 

 

 

Qui1s ond igitur utraque in re5s  gravem4s, constantem4s, stabilem4s se in amicitia5s praestiteritfex pv,

bijzin

vooropgeplaatste feitelijke betrekkelijke bijzin met een futurum exactum (zie ook hieronder bij “praestiterit) ([2] variant [13])

 

 

qui

antecedent is het onbepaalde hunc in de hoofdzin (een man, die)

 

 

in utraque re

in ieder geval” (re is enkelvoud) in de betekenis van “in ieder van de twee gevallen”; in het Nederlands gebruiken we het meervoud gevallen

 

 

gravem, constantem, stabilem

asyndeton

 

 

praestiterit

·     < praesto (praestare); dat werkwoord kan twee betekenissen hebben: I zich onderscheiden, overtreffen, en II verlenen, aan de dag leggen, tonen; hier is het de tweede betekenis: tonen

·     de vorm komt dus niet van praestituo (praestituere), voorschrijven; dan zou er praestituerit hebben gestaan

·     de vorm op -erit kan twee vervoegingen aangeven:

o   een indicativus futuri exacti: hij zal hebben getoond

o   een coniunctivus perfecti: dat hij heeft getoond

·     Als je een futurum leest, krijgt de bijzin een ook een voorwaardelijk karakter: qui praestiterit = si quis praestiterit (“als iemand getoond zal hebben”).

·     Als je een coniunctivus leest, moet je denken aan een definiërende bijjzin (“iemand met zo’n karakter dat …”). Het onbepaalde karakter van hunc ondersteunt dat: “een man, die”; maar het hebben van een bepaald karakter wringt met een perfectum: heeft hij zo’n karakter gehad, maar nu niet meer? Bij een definiërende bijzin, had er misschien gewoon een coniunctivus praesentis gestaan.

 

hunc4s ex maximeBW raro genere5s  hominum2p iudicareinf debemuspr pv et paeneBW divino.

hoofdzin

 

 

hunc

tweede object bij iudicare debemus; antecedent van qui: hij, die; dus hunc iudicare niet als een ACI lezen; hunc is geen subjectsaccusativus: hij oordeelt niet, wij oordelen

 

 

iudicare

aanvullingsinfinitivus bij debemus

iudicare, beoordelen, vinden; met een dubbele accusativus beschouwen als; de bijzin is het eerste object (lijdend voorwerp) en hunc is het tweede: “wie … moeten wij beschouwen als iemand [uit …]

 

 

ex

de woordgroep is “hunc ex …”, een man (=iemand) uit …; ex niet met iudicare verbinden (iudicare ex = beoordelen op grond van)

 

 

maxime

een bijwoord; geen verbuiging van maximus; geen congruentie dus met raro of genere

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

2.2.2         Epistulae ad Atticum Liber 12 Epistula 14 – nog niet beschikbaar

 

 


 

2.2.3         Epistulae ad familiares – 5.7 – nog niet beschikbaar

 

 


 

2.2.4         Epistulae ad familiares – 16.4 – nog niet beschikbaar

 


 

 

 

3         Bijlages

3.1        Soorten bijzinnen

Op de volgende pagina’s staat een overzicht van soorten bijzinnen. Elk type bijzin is genummerd.

In de annotaties wordt naar deze soorten verwezen met behulp van hun nummer. Voorbeeld: [35] verwijst naar nummer 35 in de lijst op de volgende pagina’s.

 

Aan de leerling: het overzicht is massief. Als je er alleen maar door in verwarring wordt gebracht, stop dan met het lezen van dit overzicht en ga naar je docent.

 

Let op:

·         De indeling is zoals we in het Nederlands bijzinnen benoemen.

·         In een enkel geval hangt het soort bijzin af van de manier van vertalen.

·         De tabellen zijn overzichten. Er is minimale uitleg. Voor meer informatie wordt verwezen naar de geraadpleegde literatuur. Leerlingen: ga naar je docent.

·         Aan het eind van dit hoofdstuk is een uitgebreide verantwoording van de classificatie. Daar is ook een lijstje met geraadpleegde litteratuur.

·         Het is vrijwel nooit nodig de classificatie te kennen, te begrijpen of te raadplegen om een zin te vertalen. Dat komt omdat in de meeste gevallen de structuur van de zin in het Nederlands gelijk is aan de structuur van de Latijnse zin.

 

De hoofdindeling is als volgt:

·         Betrekkelijke bijzinnen[108]               bladzij 97

·         Bijwoordelijke bijzinnen                 bladzij 100

·         Lijdendvoorwerpszinnen                bladzij 105

·         Onderwerpszinnen                           bladzij 107

·         Voorwaardelijke zinnen                  bladzij 109

Deze indeling wordt verder niet uitgelegd.

 

Verdere opmerkingen

·         Soms valt een bijzin onder twee groepen, zoals een betrekkelijke bijzin die als lijdend voorwerp van de hoofdzin fungeert.

·         Voorwaardelijke zinnen (als-dan zinnen) zijn in die zin bijzonder dat de hoofdzin (de dan-zin) niet zonder de bijzin (de als-zin) kan. Dat is de reden dat we dit soort zinnen tot een aparte groep hebben gemaakt. De bijzin is grammaticaal een bijwoordelijke bijzin.

·         In de meeste gevallen wordt bij een bepaald type bijzin of de indicativus of de coniunctivus gebruikt. In een aantal gevallen kun je beide tegenkomen, maar dan wel met een verschil van betekenis.

·         Aangezien dit een overzicht van bijzinnen is, wordt er geen aandacht besteed aan andere constructies zoals de ACI, NCI en ablativus absolutus, ook al vertalen we die meestal wel met een bijzin. Ook de vormen van hoofdzinnen met een coniunctivus komen niet aan de orde.

 

 

Dis is versie 1 van het overzicht. Fouten graag doorgeven.

 

 

 


 

 

 

 

 

betrekkelijke bijzinnen

 

 

 

 

 

Voor betrekkelijke bijzinnen als onder­werps­zin of lijdendvoorwerpszin: zie aldaar. Voor betrekkelijke bijzinnen die deel uitmaken van een voorwaardelijke zin, zie aldaar ([172])

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

feitelijke betrekkelijke bijzinnen

met indicativus; zowel met betrekkelijke voornaamwoorden (die, dat) als met betrekkelijk gebruikte bijwoorden (zoals: waar, wanneer)

 

Literatuur

 

 

feitelijke betrekkelijke bijzinnen

1

met uitgedrukt antecedent (type: “de bakker, die”)

Yse § 62.1

A&G § 307

bz23

 

2

vooropgestelde met uitgedrukt (antecedent na de bijzin) (type: “quos punire debet, eis parcit”)

S § 62.3

bz91

 

3

met ingesloten antecedent

Als lijdend voorwerp (variant [16] hieronder) kan de bijzin tegelijkertijd ook een lijdendvoorwerpszin zijn (type: “hij doet wat hij wil”) (zie [112]).

Als onderwerp (variant [13] hieronder) kan de bijzin tegelijkertijd ook een onderwerpszin zijn (type: “wie het weet, mag het zeggen”) (zie [119]).

Yse § 62.2

A&G § 307.c

bz27

 

4

vooropgestelde met ingesloten antecedent

 

bz163

 

5

met antecedent in de bijzin (type: “in qua urbe natus erat, obiit”)

Yse § 62.4

A&G § 307.b

bz92

 

 

 

 

 

 

 

andere situaties

 

 

 

 

 

 

 

 

6

met relatieve aansluiting[109] en ut – combinatie van een consecutieve ut-zin als lijdendvoorwerpszin; type “maken dat …” Zie ook [109]

A&G § 568 voorbeeld 4

bz115

 

7

met woordgroep of zin als antecedent (type: “hij deed, wat ik fijn vond, zijn best”) (met: quod, id quod, quae res = wat)

A&G § 307.d

ANS 5.8.5.5.i sub 2

bz93

 

8

met een appositie als antecent in de bijzin (type: “goede vrienden, van welke soort er te weinig zijn, …”

A&G § 307.e

bz94

 

9

met predicatief antecedent in de bijzin (type:  ”vasa ea quae pulcherrima apud eum viderat…”)

A&G § 307.f

bz95

 

10

met correlativa tantus … quantus …

Type: amicitia tantas opportunitates habet, quantas vix queo dicere (vriendschap heeft zo veel voordelen, als ik nauwelijks kan noemen)

In het Latijn is tantus een bijvoeglijk naamwoord. Quantus is dat ook en is als relativum gebruikt. In het Nederlands echter zijn zo en veel bijwoorden en is als een voegwoord. De betrekkelijke bijzin in het Latijn wordt dan een bijwoordelijk bijzin van vergelijking in het Nederlands.

 

bz149

 

11

met quisquis (al wat, al wie).

Quisquis wordt in het Latijn als een zelfstandig naamwoord beschouwd. In het Nederlands zijn het twee woorden: “al wat”. “Al” (= alles) is een telwoord en deel van de hoofdzin en “wat” of “wie” is het betrekkelijke voornaamwoord dat de bijzin inleidt.

 

bz168

 

12

als onderdeel van een indirecte rede (ACI, bijzin)

Har § 3.4-I.c

bz137

 

 

 

 

 

 

 

 

 

varianten voor het relativum

 

 

 

 

varianten

13

met relativum in de nominativus (als onderwerp)

 

bz32

 

14

met relativum in de genitivus

 

bz96

 

15

met relativum in de dativus

(type: “quibuscumque signis occurrebant se adgregabant”)

 

bz97

 

16

met relativum in de accusativus (als lijdend voorwerp, na een voorzetsel of geregeerd door een werkwoord)

 

bz3

 

17

met relativum in de ablativus (als bepaling die een ablativus vraagt, na een voorzetsel of geregeerd door een werkwoord)

 

bz112

 

18

met relativum als deel van een ACI

Yse § 62.7

bz98

 

19

met relativum als deel van een NCI

Yse § 62.7

bz99

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

finale betrekkelijke bijzin (+ coniunctivus)

De betrekkelijke bijzin is qua vorm zuiver betrekkelijk en voegt informatie toe aan het antecedent, maar heeft qua betekenis ook een bijwoordelijk aspect omdat ook de handeling (het werkwoord in de hoofdzin) wordt genuanceerd.

 

 

 

finale betrekkelijke bijzinnen

20

met betrekkelijk voornaamwoord (quis/quae/quod of verbuigingen van die woorden) (die moet); er is een antecedent of het antecedent is weggelaten in de hoofdzin, maar wel te veronderstellen; type: misit legatos qui pacem peterent (hij zond gezanten die vrede moesten vragen);

qui = ut is; in het voorbeeld: ut ei (hij zond soldaten, opdat die vrede vroegen)

A&G § 531.2

Harr p. 32 K.1

bz53

 

21

met een betrekkelijk gebruikt bijwoord zoals ubi (waar), quo (waarheen), unde (vanwaar) (moet); er is een antecedent of het antecedent is weggelaten in de hoofdzin, maar wel te veronderstellen; type: non habebam quo confugerem (ik heb [geen plek] waarheen ik kan vluchten)

A&G § 531.2

Harr p. 32 K.1

bz54

 

22

ontkennend (ne quis, ne ullus, necubi, enz.) (niet iemand = niemand, niet enige = geen enkel, enz.)

In het Nederlands wordt moeten dan niet kunnen of niet zouden.

A&G § 538

bz55

 

 

 

 

Voor quo gebruikt als voegwoord (opdat), zonder antecedent en dus zuiver bijwoordelijk, zie bij de bijwoordelijke bijzinnen ([58] en [59])

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

definiërende betrekkelijke bijzin (meestal met een coniunctivus)

 

 

 

definiërende betr. bijzinnen

23

met onbepaald antecent – type: sunt, qui (er zijn er die); meestal coniunctivus, soms indicativus

A&G § 535.a

bz100

 

24

als boven – ontkennend – types nemo est, qui (er is niemand, die) en nihil est quod (er is niets dat); meestal met coniunctivus

A&G § 535.a noot 1

bz101

 

25

met gedeeltelijk bepaald antecendent – type: multa …, quae … (er is veel …, dat …)

Met coniunctivus (zouden, kunnen, moeten) of indicativus[110]

A&G § 535 noot 2

bz102

 

26

met quin (die/dat niet) (quin = qui non). Type: nemo nostrum est, quin … (er is niemand van ons, die niet …). Niet te verwarren met [34].

A&G § 535.2

bz39

 

27

na een comparativus en met quam, quam ut of quam qui (dan)

A&G § 535.c

bz159

 

 

 

 

 

 

 

 

 

causale betrekkelijke bijzin (met coniunctivus)

 

 

 

causaal

28

met feitelijke reden (omdat, aangezien) + coniunctivus (relativum vaak voorafgegaan door ut, utpote, quippe)

A&G § 535.e

bz138

 

29

met subjectieve reden (coniunctivus obliquus) (omdat .. zou)

Yse §§ 62.11, 192

bz139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

concessieve betrekkelijke bijzin (met coniunctivus)

 

 

 

conces.

30

concessieve betrekkelijke bijzin (alhoewel) + coniunctivus

A&G § 535.e

Yse § 62.9

bz140

 

 

 

 

 

 

 

 

 

consecutieve betrekkelijke bijzin (met coniunctivus)

 

 

 

consecutief

31

met een voornaamwoord (qui) (qui = ut is)

A&G § 537.2

Yse § 62.10

bz141

 

32

met een bijwoord (ubi, unde, …) (ubi = ut ibi, enz.)

A&G § 537.2

 

bz142

 

33

variant op de bovenstaande, met ontkenning (qui non) (gebruikelijk)

A&G § 537.a

bz143

 

34

met quin[111] (dat, om niet te) + coniunctivus (quin = qui non) – type: nemo est tam fortis, quin … (er is niemand zo dapper, dat hij niet …).

Niet te verwarren met [26].

A&G § 559.1

bz40

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bijwoordelijke bijzinnen

 

 

 

 

 

Voor bijwoordelijke bijzinnen (meestal met ut of ne) als onder­werps­zinnen of lijdendvoorwerpszinnen: zie aldaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

temporele bijwoordelijke bijzin

 

 

 

temporele bijwoordelijke bijzinnen

35

met cum (toen, wanneer; cum temporale) en een indicativus

A&G § 545, 547

bz33

 

36

met cum en indicativus met de hoofdboodschap in de bijzin (toen; cum inversum)

A&G § 546.a

bz85

 

37

met cum (toen, nadat; cum historicum, cum narrativum) en een coniunctivus (imperfectum of plusquamperfectum)

A&G § 546

bz34

 

38

met herhalende actie (ubi, ut, cum, quando: telkens wanneer) (cum: cum iterativum); in principe met een indicativus; de voegwoorden hebben zowel een temporeel (wanneer = op het moment dat) aspect als een voorwaardelijk aspect (wanneer = alleen als).

A&G § 542

bz76

 

39

met ubi (primum), ut (primum), simul (atque/ac), cum primum … (zodra, zodra als) en indicativus, gewoonlijk met perfectum of praesens historicum; met een voorwaardelijke smaak (“als”)

A&G § 543

bz35

 

40

als [39] maar met imperfectum of plusquamperfectum

A&G § 543.a

bz36

 

41

met postquam, posteaquam (nadat) en indicativus, gewoonlijk met perfectum of praesens historicum

A&G § 543

bz37

 

42

als [41] maar met imperfectum of plusquamperfectum

A&G § 543.a

bz38

 

43

met antequam antequam, priusquam (voordat) en indicativus

A&G § 550.a, c

bz86

 

44

met antequam, priusquam (voordat, om te voorkomen dat) en coniunctivus (meestal imperfectum); geeft een doel of verwachting aan, of dat de handeling niet plaatsvond (type “voordat hij iets kon zeggen”)

A&G § 550.b

bz87

 

45

met dum, quoad met coniunctivus (zolang totdat intussen, zolang opdat intussen) – bedoeling of verwachting (“finale bijsmaak”; met coniunctivus praesens en imperfectum)

A&G § 553

bz8

 

46

met dum, donec (zolang totdat, totdat) – zuiver temporeel, met indicativus, praesens of futurum exactum; zelden met perfectum

A&G § 553 noot 2

bz88

 

47

met donec, quoad, dum (totdat); geeft een feit in het verleden aan (indicativus perfecti)

A&G § 554

A&G § 554 noot

bz89

 

48

met dum, quoad, donec, quam diu met indicativus (alle tijden) (zolang, zolang als)

A&G § 555

A&G § 555 noot 2

bz7

 

49

met dum met indicativus (latere schrijvers ook met coniunctivus) (terwijl) – doorlopende handeling die in het verleden is begonnen; met praesens

A&G § 556

A&G § 556 noot

bz90

 

 

50

temporeel met quotiens (steeds wanneer) en een indicativus, met of zonder totiens in de hoofdzin

De temporele bijwoordelijke bijzin van vergelijking met quotiens (zo vaak als) staat genoemd bij [91].

 

bz148

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

finale bijwoordelijke bijzin (+ coniunctivus)

 

 

 

finale bijwoordelijke bijzinnen

51

met ut (opdat, om te)

A&G § 531.1

bz5

 

52

met ut en correlatief in de hoofdzin, zoals ideo … ut … (daarom … opdat …)

A&G § 531.1 Noot 1

bz16

 

53

met ut (om) of nedum (laat staan dat/om) zonder een hoofdzin (ellepsis) waar het finale aspect betrekking op heeft; type “Maar om terug te keren naar de hoofdzaak, …”

A&G § 532

bz59

 

54

ontkennend met ne (opdat niet, om niet te)

A&G § 531

bz6

 

55

ontkennend met non

non hoort of bij een woord in de zin of ontkent de hele bijzin

A&G § 531.1 Noot 2

bz60

 

56

met ut of ne zonder hoofdzin

A&G § 532

bz61

 

57

met quin + werkwoorden van verhindering, twijfel, weigering, verzuim etc in een ontkennende hoofdzin (om te, opdat); type “het is niet toegegestaan om …”

A&G § 558

bz62

 

58

met quo + comparativus in bijzin (opdat des te) (quo = ut eo = opdat meer dan dat = opdat des te); ook na een woord zoals magis

A&G § 531.2a

bz56

 

59

met quo zonder comparativus in bijzin (opdat, met de bedoeling om, waardoor … moest)

A&G § 531.2a noot

bz57

 

60

met ne (dat, om te) en een coniunctivus en na een hoofdzin van verhindering of weigering die niet ontkennend is. Type: me impediunt, ne … (zij verhinderden mij om …)

A&G § 558.b

bz63

 

 

 

zie ook 74 hieronder voor een consecutieve lijdendvoorwerpszin in appositie met een finale bijsmaak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

causale bijwoordelijke bijzinnen

 

 

 

causale bijwoordelijke bijzinnen

61

met quia, quod met indicativus (omdat)

A&G § 540.1

bz68

 

62

met quia, quod met coniunctivus (omdat volgens iemand; omdat + zou/zouden)

A&G § 540.2

bz69

 

63

ontkennend: non quod, non quo, non quia (niet omdat) en coniunctivus (meestal). Hier wordt de oorzaak ontkend (type “Hij deed dat niet omdat … maar omdat …”.

A&G § 540 noot 3

bz72

 

64

ontkennend: non quod (niet omdat) en indicativus (soms). Ook hier wordt de oorzaak ontkend, maar die is op zich wel waar.

A&G § 540 noot 3

bz73

 

65

met een vergelijking quam quod, quam quo (dan omdat) met coniunctivus (type: “Ik deed dit meer vanwege …, dan omdat …)

A&G § 540 noot 3

bz74

 

66

met quoniam, quando + indicativus (omdat, aangezien)

A&G § 540.a

bz17

 

67

met dum (omdat) en een indicativus

 

bz175

 

68

met cum (cum causale: omdat, aangezien) en coniunctivus

A&G § 549

bz70

 

69

met cum (cum explicativum: doordat) en indicativus (vergelijkbaar met quod in een voorwerpszin [135])

A&G § 549.a

bz71

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

consecutieve bijwoordelijke bijzinnen

 

 

 

consecutieve bijwoordelijke bijzinnen

70

met ut (zodat)

A&G § 537

bz10

 

71

ontkennend met ut non (zodat niet) Non is de gebruikelijke ontkenning.

A&G § 537.a

A&G § 538

bz64

 

72

ontkennend met ut ne (zodat niet) Ne wordt gebruikt als met het resultaat ook een bedoeling in de bijzin wordt uitgedrukt.

A&G § 537.a noot

bz65

 

73

in appositie - met ut (dat, namelijk dat, zodat) waarbij de bijzin een bijstelling (appositie) is bij een woord in de hoofdzin; de bijzondere gevallen dat de bijzin een bijstelling is bij het lijdend voorwerp of bij het onderwerp zijn hieronder apart genoemd (respectievelijk [74] en [115], en [75]).

A&G § 570

bz25

 

74

als lijdendvoorwerpszin in appositie – consecutief met ut (dat) als appositie bij een voorlopig lijdend voorwerp, vaak een onzijdig voornaamwoord, van de hoofdzin; type “illud restiterat, ut …” (dit blijft over, namelijk dat …); zo’n bijzin kan een finale bijsmaak hebben waarbij de bijzin meer een doel dan een gevolg aangeeft

A&G § 570

bz123

 

75

als onderwerpszin in appositie – consecutief met ut (dat) als appositie bij een voorlopig onderwerp, vaak een onzijdig voornaamwoord, van de hoofdzin; type “illud restiterat, ut …” (dit blijft over, namelijk dat …)

A&G § 570

bz124

 

76

met quin en na een ontkennende hoofdzin (dat niet, zodat niet. zonder dat, zonder te) (quin = ut non)

A&G § 559 noot

bz66

 

77

met beperkende strekking: ita … ut … (slechts in die zin … dat). Er kan dan een aspect van een voorbehoud zijn (de proviso bijzin).

A&G § 537.b

bz67

 

78

in de vaste combinatie met comparativus + quam + ut + coniunctivus – type: “Hij zag dit niet anders dan dat ieder ander het zou zien.”

 

bz165

 

 

 

 

 

 

 

 

 

concessieve bijwoordelijke bijzin

 

 

 

concessieve bijwoordelijke bijzinnen

79

met quamvis, ut (hoewel) + coniunctivus

(zie voor ut enim ook [167])

A&G § 527.a

bz19

 

80

met licet (ofschoon) + coniunctivus (pr/pf)

A&G § 527.b

bz1

 

81

met etsi, etiam si, tametsi (hoewel, ofschoon, ook al) meestal met een indicativus

(zie ook [82] hieronder)

 

bz82

 

82

“als”-zinnen: met etsi, etiam si, tametsi (zelfs als) maar met een meer voorwaardeljke betekenis dan een concessieve; meestal met een indicativus

A&G § 527.c

bz52

 

83

met quamquam (alhoewel) + indicativus (let op quamquam aan het begin van een hoofdzin: trouwens)

A&G § 527.d

bz77

 

84

met quamquam, quamvis (= etsi: zelfs als) + indicativus of coniunctivus

A&G § 527.e

bz78

 

85

met ut … sic … (weliswaar … maar …) + indicativus

A&G § 527.f

bz79

 

86

met cum (hoewel, terwijl) + coniunctivus

A&G § 549

bz80

 

87

met cum … tum … (terwijl … toch …) + coniunctivus (met een indicativus is het zowel … als …)

A&G § 549.b

bz81

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bijwoordelijke bijzinnen van voorbehoud (de proviso)

 

 

 

 

88

bijzinnen van voorbehoud – met dum, modo, dummodo, tantum ut (zolang als, mits, slechts als) + coniunctivus

A&G § 528

bz83

 

89

bijzinnen van voorbehoud – met ita … ut … (alleen … als …) (ita in de hoofdzin in de beperkende betekenis)

A&G § 528.b

bz84

 

 

 

 

 

 

 

 

 

comparatieve bijwoordelijke bijzinnen (bijzinnen van vergelijking)

 

 

 

 

90

gewone vergelijking - ut, sicut, quomodo, quemadmodum, … (zoals), prout (al naar gelang) in een feitelijke bijwoordelijke bijzin met een indicativus

Ut is een voegwoordelijk gebruikt bijwoord. In het Nederlands is als een voegwoord.

A&G § 323.g

A&G § 224 Subordinate b

ANS 10.3.14.2

bz24

 

 

Let op

Als woorden zoals quomodo en quemadmodum vertaald worden met op welke manier of de manier waarop, dan is het resultaat in het Nederlands een betrekkelijke bijzin ([5] respectievelijk [1]). Vertaal je zoals, dan is de bijzin in het Nederlands een bijwoordelijke bijzin.

 

 

 

 

Let op

Als een betrekkelijke bijzin met een tantus/quantus constructie ([10]) vertaald wordt met zo … als …, dan is die vertaling een bijwoordelijke bijzin van type [90].

 

 

 

 

91

vergelijkend met quotiens (zo vaak als) en een indicativus, met of zonder totiens in de hoofdzin

Zie ook [50] voor quotiens in de temporele betekenis steeds wanneer.

 

bz153

 

 

92

ut (zoals) in een parenthese (een zin “tussen haakjes”), met een indicativus en zonder correlatief– type “ut dixi”

Overigens wordt een parenthese vaak niet als een bijzin beschouwd maar als een tussenzinnetje. In het Nederlands is het beter zo’n zoals-zin tussen komma’s te plaatsen en als een uitbreidende bijwoordelijke bijzin van vergelijking te beschouwen.

In het Latijn is ut een bijwoord; in het Nederlands is zoals een voegwoord.

 

bz156

 

93

ut causaal epexegetisch (aangezien, zoals te verwachten was), met een indicativus; ut is een voegwoordelijk gebruikt bijwoord

Type: “De man, aangezien hij woedend was, antwoordde heftig” (homo, ut erat furiosus, atrociter respondit). Als je vertaalt: “De man, woedend als hij was, antwoordde heftig” is het in het Nederlands een causale voegwoordelijke constituent en geen bijzin. 

 

bz49

 

94

met een coniunctivus (hypothetisch) – type: alsof (tamquam, tamquam si, quasi, as si, ut si, velut si, velut, ceu: alsof; quam si: dan als)

A&G § 524

ANS 10.3.14.1

bz21

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nederlandse varianten - gewone vergelijking (zoals)

Voor de termen beperkend en uitbreidend: zie de ANS.

 

 

 

varianten

95

beperkend / volledige bijzin / zonder correlatief

Type “Ik doe het zoals je hebt gezegd.” (= op de manier die je hebt aangegeven)

 

bz157

 

96

beperkend / volledige bijzin / met correlatief

Type “Ik doe het zo zoals je hebt bevolen.”

 

bz170

 

97

beperkend / geen bijzin / zonder correlatief

Type “Een ezel is een soort dier zoals een paard.”

 

bz171

 

98

beperkend / geen bijzin / met correlatief

Type “Een bison is net zo’n beest als een buffel.”

 

bz172

 

99

uitbreidend / volledige bijzin

Type “Ik doe het meteen, zoals je hebt bevolen.” (= je hebt me bevolen om het meteen te doen en nu doe ik het) en “Feci ut mihi imperavisti.”

ANS 10.3.14.2

bz46

 

100

uitbreidend / onvolledige bijzin

Type “Ik doe het meteen, zoals bevolen.”

 

bz173

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

lijdendvoorwerpszin

 

 

 

 

 

Zodra er in de hoofdzin een lijdend voorwerp (zoals illud, dit) of bepaling (zoals ita, zo) staat, zijn de onderstaande finale en consecutieve situaties met ut geen lijdendvoorwerpszinnen meer, maar gewone bijwoordelijke bijzinnen.

 

 

 

 

lijdendvoorwerpszinnen

101

finaal met ut (dat, om te); type “te rogo ut …” (ik vraag je om)

A&G § 563

A&G § 563.b, c, d, e

bz103

 

102

finaal ontkennend met ne (dat niet, om niet te); type “imperavit ne …” (hij beval mij om niet …)

A&G § 563

bz104

 

103

finaal bij werkwoorden van vrees met ne (dat); type “vereor ne illud fecerit” (ik vrees dat hij dat gedaan heeft)

A&G § 564

bz105

 

104

finaal bij werkwoorden van vrees, ontkennend met ne non, ut (dat niet); type “vereor ut illud possim” (ik vrees dat ik dat niet kan)

A&G § 564

bz106

 

105

finaal met volo (willen), dic (zeg) en fac (doe) – zonder ut; types “volo exeas” (ik wil dat je weggaat) en “dic exeat” (zeg dat hij weggaat) — let op: geen indirecte rede

A&G § 565, vb. 1-3, 6, 7

bz107

 

106

finaal met andere aansporende werkwoorden en zonder ut; types “rogat finem faciat” (hij vraagt hem te stoppen) – deze constructies zijn indirecte rede

A&G § 565 a

A&G § 450

bz108

 

107

in combinatie met velim of vellem (en overeenkomstige vormen van malo en nolo) in de hoofdzin; de combinatie fungeert als een optativus; type: “velim me scribas” (ik zou willen dat je mij schrijft)

A&G § 442.b

bz50

 

108

consecutief met ut (zodat) of ut non (zodat niet) bij werkwoorden die een inspanning aangeven (zoals facio); type “maken dat”: “efficiam ut intellegatis” (ik zal zorgen dat je het snapt)

A&G § 568

bz114

 

109

combinatie van [108] hierboven en de relatieve aansluiting van [6]

quae libertas ut laetior esset regis superbia fecerat (“de hoogmoed van de koning zorgde ervoor dat deze vrijheid nog aangenamer was”)

A&G § 568 voorbeeld 4

bz116

 

110

met een indirecte vraag als lijdend voorwerp (gebruikt een coniunctivus) – type “hij vroeg wat ik bedoelde” (rogat quid sentiam)[112]; of met an (of)

A&G § 573 vb. 1

bz18

 

111

met quando (wanneer) (als voorbeeld van [110]); type “Hij vroeg wanneer ik zou komen.”. Quando is hier een bijwoord gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord (correlativum adverbiale). Zie ook quando (aangezien) als voegwoord in een causale bijwoordelijke bijzin ([66]). En quando (telkens wanneer) in een temporele bijwoordelijke bijzin ([38]).

 

bz75

 

112

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecent als lijdendvoorwerpszin – type “je begrijpt niet wat ik wil”; zie ook [3]

A&G § 307

(ANS 20.3.3.3.ii voorbeeld 7)

bz110

 

113

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecent als object – als de vorige maar de bijzin is object bij een infiniet werkwoord (infinitief, participium); zie ook [3]

 

bz158

 

114

een lijdendvoorwerpszin in appositie bij een voorlopig lijdend voorwerp of object in de hoofdzin; voor een bijzin die met ut begint: zie [74]

 

bz127

 

 

115

een voorwaardelijke lijdendvoorwerpszin in appositie – de voorwaardelijke bijzin (de als-zin) is in appositie bij een voorlopig lijdend voorwerp in de hoofdzin; type “ik zou het betreuren als je weg ging”

ANS 20.3.3.3.ii voorbeeld 4

bz122

 

 

116

een voorwaardelijke lijdendvoorwerpszin bij werkwoorden met een dubbele accusativus (als eerste of tweede object); type “wie dapper is, beschouw ik als een held”.

 

bz128

 

 

117

indirecte vraag met dubito an (“ik twijfel of …”)

Niet te verwarren met non dubito quin (“ik twijfel niet dat …”)

A&G § 558.1 noot 1

bz134

 

 

118

directe rede als lijdendvoorwerpszin; type hij zei: “…”

 

bz155

 

 

 

 

 

 

 

 

 

onderwerpszin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

onderwerpszinnen

119

betrekkelijke bijzin met ingesloten antecent als onderwerpszin – type “wat ik bedoel is duidelijk” ; zie ook [3] en voetnoot 112 bij [110]

A&G § 307

 

bz111

 

120

betrekkelijke bijzin met afhankelijke vraag als onderwerpszin – type “wie het weet mag het zeggen” ; zie ook [3] en voetnoot 112 bij [110]

 

bz151

 

121

finaal met licet (mogen) en oportet (behoren) – zonder ut; types “queramur licet” (wij mogen klagen)

A&G § 565, vb. 4 en 5

bz113

 

122

finale onderwerpszin met ut (dat, om te), ne (om niet te, dat niet) in een passieve zin; in de actieve versie van zo’n zin zou de bijzin een lijdendvoorwerpszin zijn

A&G § 566

bz109

 

123

consecutief met ut (dat) en passief werkwoord; type “ita efficitur ut …” (zo werd bereikt dat …)

A&G § 569.1

bz117

 

124

consecutief met ut (dat) en onpersoonlijke constructies (type: “het gebeurt dat” of “daar kwam bij”)

A&G § 569.2

bz118

 

125

consecutief zonder ut (dat) en de onpersoonlijke constructie met necesse est; type “… concedas necesse est” (je moet … toestaan)

A&G § 569.2 noot 2

bz119

 

126

consecutief met ut (dat) en est (“het is een feit”)

A&G § 569.3

bz120

 

127

consecutief met ut (dat) en fore of futurum esse (te zullen zijn); type “video fore ut non possim” (letterlijk: ik zie ik-kan-het-niet te zullen zijn = ik zie dat ik het niet zal kunnen)

A&G § 569.3a

bz121

 

128

predicatief (als naamwoordelijk deel van het gezegde van de hoofdzin) met ut (dat, om); type “mos est ut …” (het is de gewoonte om …)

A&G § 571

bz125

 

129

predicatief (als [128]) met quam ut of alleen quam (dan dat, dan om te); type “potius moritur quam capiatur” (hij sterft liever dan gevangen genomen te worden)

A&G § 571.a

bz129

 

130

predicatief met een afhankelijke vraag – type “quid est quare …”

 

bz176

 

131

de dubbele ut-constructie met tantum abest

Type: tantum abest ut A ut B (letterlijk: het is zover weg, [namelijk] om A [te doen], dat B [gebeurt])

De eerste ut is de onderwerpszin. De tweede ut is een consecutieve bijwoordelijke bijzin bij tantum

A&G § 571.b

bz130

 

132

een afhankelijke vraag in appositie bij een voorlopig onderwerp in de hoofdzin

 

bz126

 

133

een afhankelijke vraag waarbij het onderwerp als voorlopig lijdend voorwerp in een actieve hoofdzin is getrokken

A&G § 576

bz28

 

134

een afhankelijke vraag waarbij het onderwerp als voorlopig onderwerp in een passieve hoofdzin is getrokken

A&G § 576 noot

bz4

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor een onderwerpszin met ut in appositie bij een voorlopig onderwerp in de hoofdzin: zie  [74]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere vormen van voorwerpszinnen

 

 

 

 

 

135

voorwerpszin – met quod (dat, het feit dat) en indicativus

De bijzin kan een onderwerpszin, lijdendvoorwerpszin, of in appositie staan met een woord in de hoofdzin.

A&G § 572

bz26

 

 

136

voorwerpszin – met quod, synecdotisch gebruikt (wat betreft het feit dat) en een indicativus; type: “Wat betreft het feit dat je er niet was, ik heb het boek aan een ander gegeven.”

A&G § 572.a, 397.b

bz41

 

 

137

voorwerpszin – in de vorm van een indirecte vraag in appositie met een bepaling in de hoofdzin (type: Agitur de hoc, an …) met een coniunctivus

De bijzin is dan geen onderwerpszin of lijdendvoorwerpszin.

 

bz150

 

 

138

bijzinnen als zinsdelen binnen de indirecte rede – met een coniunctivus (gebruikelijk)

A&G § 580

bz131

 

 

139

bijzinnen als zinsdelen binnen de indirecte rede – met een indicativus (bij feiten en algemene waarheden)

A&G § 583

bz132

 

 

140

bijzin als object in een ACI constructie van de hoofdzin (voor zelfstandige werkwoorden die een lijdend voorwerp kunnen hebben) – type “Ik zie dat hij wat daar lag, in zijn hand heeft.” In de directe vorm zou de bijzin een lijdendvoorwerpszin zijn (“Wat daar lag, heeft hij in zijn hand.”)

 

bz177

 

 

141

vergelijkbaar met de vorige – bijzin als subjectsaccusativus in een ACI constructie van de hoofdzin (voor werkwoorden met een naamwoordelijk deel van het gezegde) – type “Ik denk dat wat jij zei, onjuist is”. In de directe vorm zou de bijzin een onderwerpszin zijn (“wat jij zei, is onjuist”)

 

bz178

 

 

142

bijzinnen als voorwaarde (protasis) in een voorwaardelijke zin, waarbij die laatste in de indirecte rede staat (gebruiken een coniunctivus)

A&G § 589

bz133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwaardelijke zinnen

 

 

 

 

 

hoofdzin = conclusie (“dan”; apodosis); bijzin = voorwaarde (“als”; protasis)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

basisvormen

 

 

 

 

143

realis van het heden – feitelijk – geen aanname over de uitkomst van de voorwaarde – indicativus praesentis in voorwaarde en conclusie

A&G § 515

A&G § 514.A.1

Kr p.117 / vb 60

bz44

 

 

144

realis van de toekomst – feitelijk – geen aanname over de uitkomst van de voorwaarde – indicativus futuri in beide delen

A&G § 516.a

A&G § 514.B.1.a

bz47

 

 

145

potentialis van het heden – (niet feitelijk) – coniunctivus praesentis in voorwaarde en conclusie

A&G § 516.b

A&G § 514.B.2.a

Kr p.117 / vb 61

bz48

 

 

146

irrealis van het heden – (tegen-feitelijk) – coniunctivus imperfecti in voorwaarde en conclusie

A&G § 514.C.1

A&G § 517

Kr p.117 / vb 62

bz14

 

 

147

irrealis van het verleden – (tegen-feitelijk) – coniunctivus plusquamperfecti in voorwaarde en conclusie

A&G § 514.C.2

A&G § 517

Kr p.117 / vb 63

bz15

 

 

 

 

 

 

 

 

 

varianten op de realis

 

 

 

tijden

148

realis van het verleden met imperfectum (indicativus) in voorwaarde en conclusie

A&G § 515

A&G § 514.A.2

bz45

 

149

realis van het verleden met perfectum (indicativus) in voorwaarde en conclusie

A&G § 515

A&G § 514.A.2

bz166

 

150

realis van de toekomst – voorwaarde afgerond voordat de conclusie begint – futurum exactum in de voorwaarde, futurum in de conclusie

A&G § 516.c

A&G § 514.B.1.b

bz20

 

151

realis van de toekomst – een imperativus in de conclusie i.p.v. een futurum

A&G § 516.d voorbeeld 2

bz145

 

152

realis van de toekomst – een toekomstig participium in de conclusie i.p.v. een futurum: gerundivum of participium futuri activi (pfa)

A&G § 516.d voorbeelden 1 en 3

bz146

 

153

realis van de toekomst – een werkwoord dat het begrip toekomst omvat (zoals possum) in de conclusie i.p.v. een futurum

A&G § 516.d voorbeeld 4

bz147

 

154

andere mengvorm: voorwaarde in het verleden en conclusie in het heden

A&G § 515 voorbeeld 5

bz42

 

155

andere mengvorm: voorwaarde in het heden en conclusie in de toekomst

A&G § 515

voorbeeld 6

bz43

 

conclusie

156

realis van het heden – met een imperativus in plaats van indicativus in de conclusie

A&G § 515.a voorbeeld 2

bz29

 

157

realis van het heden – met een coniunctivus adhortativus in plaats van indicativus in de conclusie

A&G § 515.a voorbeeld 1

bz30

 

158

realis van het heden – met een coniunctivus potentialis van bescheidenheid in plaats van indicativus in de conclusie

A&G § 515.a voorbeeld 3

A&G § 447.1

bz31

 

 

 

 

 

 

 

 

 

varianten op de potentialis

 

 

 

 

159

voorwaarde afgerond voordat de conclusie begint – coniunctivus perfecti in de voorwaarde en coniunctivus praesentis in de conclusie

A&G § 516.c

A&G § 514.B.2.b

bz144

 

 

160

een mededelende zin versterkt door een voorwaarde – type “Het is goed, vooral als …” – met een praesens of futurum in de conclusie en een coniunctivus praesentis in de voorwaarde

A&G § 516.b noot

bz169

 

 

161

een coniunctivus perfectum in de voorwaarde en conclusie, met dezelfde betekenis als een praesens

Kr p.117 / vb 61

bz174

 

 

 

 

 

 

 

 

 

varianten op de irrealis

 

 

 

 

162

een futurum in de conclusie i.p.v. een coniunctivus

A&G § 516.b noot

bz152

 

 

163

in het verleden (had/was) bij een doorlopende actie in de voorwaarde)

(coniunctivus imperfecti in plaats van plusquamperfectum in de voorwaarde; coniunctivus perfecti in de conclusie; vergelijk [146] hierboven)

A&G § 517.a

bz02

 

 

164

voorwaardelijke zin irrealis – specifiek – in het verleden – bij een bedoeling, waarschijnlijke handeling of een handeling die al begonnen is (willen, bezig zijn) (indicativus imperfecti en perfecti of plusquamperfecti)

A&G § 517.b

bz09

 

 

 

 

 

 

 

 

 

andere situaties

 

 

 

 

165

voorwaardelijke zin – conclusie voltooid (retorische opmerking) type: als ik het goed zie, heb je het begrepen

(indicativus perfecti in de conclusie, praesens, futurum of futurum exacti in de voorwaarde)

A&G § 516.e

bz135

 

 

166

voorwaardelijke zin – voorwaarde teruggeworpen in de tijd (afgedwongen door de context; geen irrealis)

A&G § 516.e

bz22

 

 

167

coniunctivus concessivus in de betekenis van een voorwaarde – type ut enim, zelfs als in plaats van hoewel immers (zie ook [79])

A&G § 521.b noot

bz51

 

 

168

met nisi (tenzij) als ontkennende voorwaarde;

niet te verwarren met een de proviso bijwoordelijk bijzin met tenzij (zie boven)

A&G § 521.a1

bz179

 

 

169

met si non (als niet) als ontkennende voorwaarde;

A&G § 521.a2

bz180

 

 

170

si quandoals ooit

(A&G § 540 noot)

bz136

 

 

171

algemene voorwaardelijk zin met een irrealis in de 2e persoon enkelvoud (jij = men) – type: “je zou winnen, als je …” waarbij “je” de betekenis van iemand of men heeft

A&G § 518.a

bz160

 

 

172

een betrekkelijke bijzin die fungeert als voorwaarde

A&G § 519

bz161

 

 

173

met een verborgen voorwaarde, dat wil zeggen zonder het gebruikelijke “si”

A&G § 521

bz162

 

 

174

de conclusie is zelf een bijwoordelijk bijzin

 

bz164

 

 

175

de conclusie is zelf een betrekkelijke bijzin

 

bz167

 

 

176

de conclusie is zelf een lijdendvoorwerpszin

 

bz58

 

 

177

een vraag als conclusie – type: “hoe zou het zijn als …?”

 

bz154


 

Geraadpleegde literatuur

 

Voor het bovenstaande overzicht zijn de volgende bronnen geraadpleegd.

 

A&G

J. H. Allen and J. B. Greenough, New Latin Grammar, Dover Publications, 2006, ISBN 978 0 486 44806 0; deze uitgave is een kopie van de oorspronkelijke uitgave uit 1903 (“Allen and Greenough’s New Latin Grammar for Schools and Colleges”; de tekst van het boek is ook op het internet te vinden

ANS

Instituut voor de Nederlandse Taal, Algemene Spraakkunst Nederlands, de webversie (hier[113]); geraadpleegd is versie 3

Har

J. M. Harrington, Synopsis of Ancient Latin Grammar, Tufts University, 2016

Kr

C. Kroon, Inleiding tot de Latijnse syntaxis, Amsterdam University Press, 2007, ISBN 978 90 5356 950 4

Yse

J. Ysebaert, Latijnse grammatica, 6e druk, Uitgeverij Schenk

 

 

Verantwoording

 

·         In het algemeen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij voorbeelden en grammaticale structuren in het Nederlands. Dit is gedaan uit didactisch oogpunt, zodat de leerling houvast heeft aan wat hij of zij al uit de lessen Nederlands kent of zou kunnen kennen.

·         Dat betekent ook dat de classificatie eigenlijk een indeling is volgens de Nederlandse grammatica. Er is geen poging gedaan om een aansluiting te vinden bij de manier waarop Romeinen hun bijzinnen indeelden. Zie bijvoorbeeld bij Ruijsendaal, Letterkonst (1991, hier).

·         Het gebruikte woordenboek is “Woordenboek Latijn/Nederlands” van Harm Pinkster, 5e druk, 2009.

·         Voor de Nederlandse grammaticale structuren is de website Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) (https://e-ans.ivdnt.org/) geraadpleegd, en wel de 3e versie (ANS3, 2021).

·         Voor het merendeel is de indeling van A&G gevolgd. A&G is niet gevolgd in de volgende gevallen.

o   A&G beschouwt de bijwoordelijke bijzin van vergelijking als een bijzondere voorwaardelijke zin. Deze zienswijze is hier niet gevolgd en de vergelijkende bijzin (met ut, tamquam, quasi enz.) is als aparte groep aangegeven binnen de bijwoordelijke bijzinnen.

o   A&G besteedt drie paragrafen, § 521-523, aan de voorwaardelijke zin waar de voorwaarde (protasis) als bijzin is weggelaten. Voornamelijk omdat deze samenvatting juist gaat over bijzinnen, zijn alle voorbeelden in die paragrafen behalve een niet meegenomen. De uitzondering is de constructie met ut enim in de betekenis van zelfs als. Merk ook op dat andere grammatica’s een apodosis zonder protasis, zoals A&G in deze paragrafen behandelt, als een irrealis in de hoofdzin behandelen. Zo ook de schijnbare irrealis (type: melius fuit …)

o   A&G beschouwt samenstellingen als tamquam, priusquam en andere als een samenstelling van een bijwoord (tam, prius, …) en een relativum (quam) (zie A&G § 434 en § 550). Bijgevolg classificeert A&G de bijzin na quam als een relatieve bijzin. Als het woordenboek zo’n woord, zoals bijvoorbeeld in het geval van priusquam, classificeert als voegwoord, dan wordt de bijzin in ons overzicht als bijwoordelijk opgevat. In voorkomende gevallen is ook de ANS geraadpleegd. In het Nederlands is een voordat-zin meestal een bijwoordelijke bijzin (zie ANS 10.3.3.1).

o   A&G behandelt betrekkelijke bijzinnen (“relative clauses”) niet op zichzelf maar noemt een en ander bij de betrekkelijke voornaamwoorden. De onderverdeling in deze samenvatting van de betrekkelijke bijzinnen naar de manier waarop het antecedent is behandeld, komt uit de grammatica van Ysebaert, 6e druk.

o   Cum causale en cum concessivum (zie A&G § 541) zijn niet bij de temporele bijzinnen ondergebracht maar bij de causale en concessieve bijzinnen.

o   Het gebruik van quin en quominus in afhankelijke zinnen is ondergebracht bij de finale bijwoordelijke bijzinnen. A&G behandelt ze apart (A&G § 557 ff).

o   Merk op dat, gezien het feit dat deze samenvatting over bijzinnen gaat, in het gedeelte over de voorwerpszinnen (“substantive clauses”), alleen die vormen met een bijzin (zoals met ut, ne of ut non) worden opgesomd en niet de andere twee vormen (ACI, infinitief).

o   De definiërende betrekkelijke bijzin heet bij A&G de relative clause of characteristic. Niet helemaal duidelijk is of A&G zo’n bijzin met een indicativus ook als een clause of characteristic beschouwt, of alleen die zinnen met een coniunctivus. Hier beschouwen we die wél als een definiërende bijzin als het antecedent onbepaald of gedeeltelijk bepaald is.

o   Een zinsdeel dat met een vorm van quisquis begint, is beschouwd als een betrekkelijke bijzin vanwege vertaling met “al(les) wat” waarbij “wat” in het Nederlands een betrekkelijke bijzin inleidt. Quisquis is echter in het Latijn één woord en het woordenboek geeft quisquis als een zelfstandig naamwoord, waardoor het quisquis-zinsdeel misschien beter als een appositie kan worden gezien als er elders een ander naamwoord, bijvoorbeeld id, staat.

·         De hoofdverdeling van de betrekkelijke bijzinnen in drie soorten is van Harrington.

·         Voor vergelijkende bijzinnen, ingeleid door voegwoorden en voegwoordelijk gebruikte adjectieven en bijwoorden zoals ut, tamquam en quomodo (zoals) is in de literatuur geen goede beschrijving gevonden. .

·         De finale en consecutieve betrekkelijke bijzinnen met qui/quae/quod of een correlativum zoals ubi, quo of unde in combinatie met een coniunctivus zijn op basis van hun vorm als betrekkelijke bijzin in het schema opgenomen hoewel ze ook een bijwoordeljk aspect hebben. Harrington deelt ze wel in bij de bijwoordelijke bijzinnen, A&G noemt het gewoon relative clauses en het woordenboek zwijgt bijvoorbeeld over de woordsoort van “quo + coniunctivus”. Harrington noemt ze “adverbial relative clauses”. Dat woordgebruik is niet overgenomen.

·         Zinsdelen in de directe rede na woorden als inquit of dixit worden niet als nieuwe hoofdzinnen beschouwd, maar als een lijdendvoorwerpszin bij deze woorden.

 

 



[1] In dit geval zou er ook een coniunctivus hebben gestaan als bijzin 1 een hoofdzin zou zijn geweest: “non omnia communio […], quia non soleas id facere” (ik deel niet alles omdat jij dat (naar je eigen zeggen) niet gewoon bent te doen”. Er is nog een interpretatie mogelijk: attractie. Dan zie je zijn gewoonte (soleas) als inhoudelijke nauw verbonden met bespreken (communicem). Dan heeft soleas om die reden een coniunctivus en vertaal je die niet. Zie A&G § 593. Als bijzin 1 een hoofdzin was geweest, heb je geen coniunctivus in de bijzin en wordt die als feit gezien. Dat is hier niet vreemd, want Seneca kent Lucilius en kan best als feit presenteren dat hij niet alles met iedereen bespreekt: “non omnia communio […], quia non soles id facere” (ik deel niet alles omdat jij dat niet gewoon bent te doen”. 

[2] Zie A&G § 327.1

[3] Eisma vat het op deze manier op.

[4] Dit is hoe Eisma het opvat.

[5] Dit is hoe Hermaion het opvat.

[6] De vraag is of er nu veel verschil in betekenis zit tussen “wanneer je zult hebben besloten” en “nadat je hebt besloten”. En net zo of een Romein bij het lezen zich dan afvroeg wat Seneca nu precies bedoelde. Gummere vertaalt er een beetje tussen in door het futurum weg te laten maar wel met “wanneer” te vertalen: “but when you have decided to admit him [, welcome him with all your heart and soul.]”

[7] Zie Kroon, p. 111

[8] Het probleem zit ‘m in de betekenis van “jezelf iets toevertrouwen”. Bedoelt dat te zeggen dat je jezelf ook mogelijk niet vertrouwt met dat “iets”? Is dat iets dan die nieuwe vriend? Waarom zou je jezelf niet vertrouwen met die vriend? En is het wel ok als jij dat iets of die vriend toe kunt vertrouwen aan een vijand? Wat is dat, een vriend toevertrouwen aan je vijand? Mijn oplossing is om tibi committere niet als jezelf toevertrouwen te interpreteren, maar als verbinden met (zie woordenboek). “Nihil tibi committas” wordt dan “niets met jezelf te verbinden”, of, andersom gezegd “jezelf met niets in te laten”. Het tweede committere (na quod) kun je dan wel vertalen met toevertrouwen.  

Bijnsdorp vertaalt het ook in deze trant: “Werkelijk, jij moet zó leven, dat je je nergens mee inlaat wat je niet ook aan je vijand kunt blootgeven.

En Graver vertaalt: “Live in such a way that anything you would admit to yourself could be admitted even to an enemy.” Graver verwoordt dan “met jezelf verbinden” als “tot jezelf toelaten”.

[9] Zo had nisi wel gebruikt kunnen worden, maar niet in combinatie met quod. Dan had er iets gestaan als “vertrouw niets als je het niet ook aan je vijand kan toevertrouwen”. Of met “tenzij” in plaats van “als … niet”. En dan was de bijzin een bijwoordelijk bijzin geweest en de hele zin een voorwaardelijke zin met de bijzin als de voorwaarde (in een ontkennende vorm) ([145]).

[10] Merk op dat een potentialis een mogelijkheid aangeeft en dat je dat met “kunnen” vertaalt. Maar het aspect “kunnen” zit al in het werkwoord possum (wat immers juist kunnen betekent) zelf.  

[11] Zie A&G, § 473a

[12] Hermaion vat het temporeel op (terwijl), Eisma causaal (omdat).

[13] In de directe rede (“Waarom zou ik enig woord … “) zou er ook een coniunctivus gebruikt zijn: een coniunctivus dubitativus (twijfel).

[14] Zie A&G § 447, Kr. p. 97

[15] In het Latijn kan uterque zowel in het enkelvoud voorkomen (uterque consul = beide consuls) als in het meervoud (utraque castra = beide legerkampen). In het Nederlands is “beide” een telwoord en kent geen enkelvoud of meervoud.

[16] Een Nederlandse vertaling zoals “Zo moet je beide afkeuren […]” wringt. En een vertaling als “Zo moet je beiden afkeuren […]” is geen correcte vertaling. “Beiden” (met een “n”) kan alleen over twee personen gaan. Dat is hier niet de strekking: het gaat niet over twee personen, maar over twee soorten mensen. Voor zaken, dus ook voor twee soorten, gebruik je “beide” (zonder “n”).  Hier in het Latijn is eos meervoud, net als de persoonsvorm van de bijzin, en uterque richt zich daarna. Eos slaat op de mensen in de ene, en verderop, in de andere groep. Terwijl “beide” niet op de mensen in de groep maar op de groep slaat. Dus voor een nette bijstelling in het Nederlands moet je de bedoeling hier eigenlijk verwoorden met iets als “Zo moet je de mensen in beide groepen afkeuren, zowel hen die […] als hen die […]”. Of andersom gladstrijken met “Zo moet je beide soorten mensen afkeuren, zowel die met mensen die […] als die met mensen die […]”.

[17] Graver interpreteert het ook zo.

[18] Zo vertaalt Gummere in turbido ook, maar hij geeft toch een andere wending aan de zin: “Some men shrink into dark corners, to such a degree that they see darkly by day." Oftewel: “dat ze alles overdag donker inzien”.

[19] Je zou de bijzin kunnen vervangen door een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld “een zichtbare zaak”, dat dan de subjectsaccusativus (“A”) van esse (“I”) wordt: “… zodat zij denken dat een zichtbare zaak in onrust is” (ut putent (rem4s spectabilem4s)ACI in turbido esseACI).

[20] Cum is temporeel (wanneer), maar duidt geen specifiek moment in de tijd aan die de actie in de hoofdzin ergens op de tijdlijn plaatst, maar een algemeen geldende voorwaarde: “(Telkens) als (op een moment) dit of dat gebeurt, dan …“ In het Nederlands heeft wanneer dan ook een voorwaardelijke betekenis (als). Zie ook A&G § 542.

[21] Een gerundium (cupiendi; een als zelfstandig naamwoord gebruikt werkwoord) met een object (honesta) komt minder vaak voor. Gebruikelijker is dan een gerundivum (een als bijvoeglijk naamwoord gebruikt werkwoord) met een object: in societatem honesta cupiendum

[22] Graver verwoordt het als volgt: “[where] equal willingness draws minds into a companionship of honorable intentions.”

[23] De deliberativus ligt dicht bij de potentialis. Bij de eerste vraag je jezelf iets af en verwacht je niet echt een antwoord. Hier ook: het zinnetje verwacht geen antwoord van iemand anders dan van de schrijver zelf. Het is dus meer een overweging, vandaar de naam. Bij een potentialis is het een echte vraag en kan er gewoon ja of nee als antwoord gegevens worden. Zie ook A&G § 443/4.

[24] Zo doet Hermaion het.

[25] Als adversum, tegenslag, was bedoeld, had er iets als maiores adversa, grotere tegenslagen, gestaan. Met maiores de comparativus van het bijvoeglijke naamwoord magnus. Magis is het bijwoord van magnus.

[26] Eisma doet het zo.

[27] Zie A&G § 282.a: de Engelse term is “partitive apposition”. Zie ook ANS 14.5.3.2 hier.

[28] Om te kijken of er nu echt sprake is van een indirecte vraag, kun je de zin wat aanpassen. Maak er eens van: “Ik zie hoeveel brood de bakker bakt.” De bijzin is geen vraag. Je kunt de vorm van de zin aanpassen, zonder de betekenis te veranderen, naar “Ik zie de hoeveelheid brood, die de bakker bakt.” Als het een indirecte vraag was geweest, had je die direct kunnen maken. Maar “Ik zie: ‘Hoeveel brood bakt de bakker?’ slaat nergens op. Het zou wél een indirecte vraag geweest zijn als de zin de volgende was geweest: “Ik vraag hoeveel brood de bakker bakt.” Dan is de directe vorm: “Ik vraag: ‘Hoeveel brood bakt de bakker?’

[29] A&G § 531.1 noot 1

[30] Als het geen vraag in de indirecte rede was geweest, maar een mededeling, was een ACI gebruikt. Bijvoorbeeld: “Cleanthes observavit illum ex formula sua vivere” (“Cleanthes nam waar dat hij volgens zijn eigen regels leefde.”)

[31] A&G § 580.a

[32] Zie ook A&G § 458

[33] Preciezer: een bijvoeglijk gebruikt onbepaald hoofdtelwoord

[34] Tamquam kan aan elkaar (… tamquam …) of los (tam … quam …) gebruikt worden. In het Nederlands kun je dat overnemen (zo … als … of … zoals …). Als tamquam gebruikt wordt als voegwoord van vergelijking (zoals), is dat in combinatie met een indicativus (zie A&G § 323.a). Het “tam”-gedeelte is de hoofdzin; het “quam”-gedeelte is de bijzin.

Tamquam kan ook alsof betekenen. Dan wordt het gebruikt met een coniunctivus (zie A&G § 524). In dat geval hebben we formeel een voorwaardeljike zin. Daarbij kan ook weer tamquam aan elkaar geschreven staan of los. In “Hij stampte op de vloer alsof hij een olifant was.” is het eerste deel de hoofdzin met de  “conclusie” en leidt alsof de bijzin in met de “hypothetische voorwaarde”.

[35] In het Nederlands wordt “zodanig” als een aanwijzend voornaamwoord beschouwd.

[36] De constructie “futurus sit” heet een perifrastisch futurum (een “omschreven futurum”) en wordt gebruikt omdat de coniunctivus als werkwoordsvorm geen futurum heeft. De bedoeling van facturus is hier dus een gewone toekomstige tijd en niet een bedoeling (“van plan zijn te …”). Zie Kroon, p. 91, 92: het perifrastisch futurum wordt gebruikt als de afhankelijke bijzin natijdig is (consecutio temporum). En zie A&G § 575

[37] In het Nederlands kun je precies dezelfde volgorde aanhouden: “Leidt echter niet alleen de beóefening van een vriendschap, oud en betrouwbaar, tot een groot genoegen, het leidt ook tot het begin en het krijgen van een nieuwe.

[38] Begin voor een goed begrip met de volgende zin: Attalus dicitpv viremACI bonum esseACI. Dat is: Attalus zegt dat de man goed is. Die zin heeft een ACI van de indirecte rede. Bonum is predicaatsnomen en vanwege de ACI ook in de accusativus. Virem is subjectsaccusativus, dus onderwerp van esse. In de directe rede zou het zijn: Attalus dicit: “Vir bonus est.” Aan de woorden in dit voorbeeld met de indirecte rede kun je zien dat virem zowel als bonum accusativi zijn. In de zin van Seneca is de woordgroep facere/habere het onderwerp van de ACI (de subjectaccusativus). Dat zijn werkwoorden die als zelfstandig naamwoord worden gebruikt (zie A&G § 452). Die worden niet verbogen, dus ze hebben geen “accusativus vorm”. In de zin van Seneca heeft iucundius de functie van bonum in het voorbeeld. Iucundius lijkt misschien een nominativus maar het is een onzijdige accusativus, die congrueert met facere/habere. En het lijkt misschien een “gewoon” bijvoeglijk naamwoord (dat volgens bonus verbogen wordt), maar het is een comparativus (dus niet aangenaam, maar aangenamer) en wordt verbogen volgens lex en corpus van de 3e groep. Een werkwoord gebruikt als zelfstandig naamwoord wordt als onzijdig beschouwd. Iucundius congrueert met die werkwoorden en is de onzijdige vorm van iucundior, aangenamer.

[39] A&G § 456

[40] Als je de hele zin van de indirecte rede omzet naar de directe rede, krijg je de volgende, iets versimpelde zin. Attalus dicebat: “Iucundius est amicum facere quam habere, quomodo artifici iucundius pingere est quam pinxisse.” Dat is: “Attalus zegt: ‘Het is aangenamer een vriend te maken dan er een te hebben, zoals het voor de schilder aangenamer is te schilderen dan geschilderd te hebben.’” Dus wat er in de zin in de tekst gebeurt, is dat Seneca een deel van de uitspraak van Attalus als directe rede in zijn eigen zin neerschrijft. Het stuk quomodo … pinxisse is dus geen deel meer van de indirecte rede (“iucundius … habere”). Het is daarmee een gewone bijwoordelijke bijzin bij het hele voorstuk “Attalus … habere”.

Nu kun je je nog wat anders voorstellen. Het internet zegt (hier) dat niets van het werk van Attalus is overgeleverd. Het zou dan kunnen zijn dat de vergelijking met de schilder niet bedoeld is als van Attalus, maar dat Seneca die zelf toevoegt. Dán staan in de Nederlandse tekst de aanhalingstekens – die er in het Latijn nooit gestaan hebben want de Romeinen kenden geen interpunctie – er onterecht. Ook dan is het quomodo-stuk gewoon een bijzin.

[41] A&G § 452.1

[42] Grammaticaal kun je het de voorwaarde noemen (denk er dan est bij: “si nihil aliud est, …”) van een verder niet uitgewerkte voorwaardelijke zin. Zoiets als “Als het om niets anders was, dan was het toch om de vriendschap te beoefenen”.

[43] Volgens A&G. Of necesse est altijd een bijzin van gevolg heeft, weet ik niet. Maar de context hier onderschrijft het in dit geval wel. De bijzin is een onderwerpszin, dus versimpeld staat er “Het samenvallen van begin en eind is nodig.” Daar is geen finaal aspect mee bedoeld. Het is een constatering. Dus de vraag is of je wel moet vertalen met “nodig zijn”, of dat een vertaling met “noodzakelijkerwijze” of “het is onvermijdelijk” niet beter is. Necesse komt immers van ne (niet) en cedo (wijken).

[44] nihil magis = niets meer; niets meer kan ook opgevat worden als in “Ik ben klaar. Ik heb niets meer te doen.”

[45] In het Nederlands zouden we het onderwerp “hij” van de hoofdzin, dat in het Latijn impliciet in potest zit, een voorlopig onderwerp noemen. In het Latijn zeggen we dat er in de hoofdzin (potest …) geen onderwerp staat, “niet is uitgedrukt”. Bijgevolg zeggen we dat het onderwerp in de bijzin is “ingesloten”.

[46] Of dit een hoofdzin of bijzin is, wordt grammaticaal muggenziften. Als je vindt dat een bijzin per definitie niet zonder hoofdzin kan, is het dus een hoofdzin. Als je vindt dat een bijzin waarvan de hoofdzin weggelaten is, nog steeds een bijzin is, noem je het een bijzin. Gelukkig is het begrip relatieve aansluiting in het Latijn een gewone zaak, dus hier noemen we het een hoofdzin met een relatieve aansluiting. Wij doen in het Nederlands hetzelfde: “Hoe je dit doet? Nou, zoals altijd!” Dan heet het tweede deel een onvolledige zin. Je kunt ‘m volledig maken, bijvoorbeeld als “Nou, [ik doe het] zoals [ik het] altijd [doe]. Dan is het zoals-deel een beperkende bijwoordelijke bijzin van vergelijking.

[47] Deze vorm van een toekomende tijd gevormd door een pfa met een vorm van esse heet eerste periphrastische conjugatie (zie A&G § 194).

[48] In het Latijn is ut, zoals het hier is gebruikt, een bijwoord, en geen voegwoord (ut als opdat, zodat). In het Nederlands is zoals, de vertaling van ut hier, wel een voegwoord.

[49] Grieks: πολιορκέω, belegeren, van πόλις (stad) +‎ ἕρκος (omheining)

[50] Je zou kunnen denken aan een ACI om twee redenen. Ten eerste is illum inderdaad de handelende persoon voor de infinitivus dubitare: “illum” twijfelt. Het onderwerp van coegit is niet degeen die twijfelt. In het verlengde en ten tweede is het onderwerp van coegit dus niet dezelfde als dat van dubitare. Bij een aanvullingsinfinitivus is dat nu juist meestal wel het geval. De infinitivus is dan een extra handeling naast de handeling uitgedrukt door de persoonsvorm die door dezelfde persoon wordt uitgevoerd. De reden dat het geen ACI is, is dat het geheel “illum dubitare” niet als lijdend voorwerp (object) fungeert van coegit. Je kunt het geheel niet vervangen door bijvoorbeeld “dit”. “Hij dwong dit” is geen volledige zin. In een zin als “video eum venire” kan dat wel: “ik zag dat”. Zie ook A&G § 456, 457 en 459.

[51] Zoals de tekst is afgedrukt, met een vraagteken aan het eind, is er volgens de Nederlands interpuntieregels een directe vraag van gemaakt: “Zie je […]?”. Daarbinnen is de quanto-zin dan een afhankelijke vraag. Bedoeld is misschien niet “zie je […]?”, maar “je ziet, […]”. Vides is dan een mededeling en de quanto-zin een afhankelijke vraag. In het Nederlands staat er achter zo’n zin géén vraagteken. De brontekst heeft ook een vraagteken, staat in een Engels boek en het Engels volgt deze regel ook (zie bijvoorbeeld hier). Graver vertaalt echter “You see how much eaasier …” en geen vraag.

[52] In het Nederlands is hoeveel een onbepaald hoofdtelwoord.

[53] Of als uitroep: Hoezeer heb jij je [wel niet] overtroffen[, zeg]!

[54] In deze zin zien we een aanvullingsinfinitivus als 3e object. Zie Kroon § 3.2.3, p. 54: de aanvullingsinfinitivus bij een drieplaatsig werkwoord. Het eerste object is het onderwerp (jij), Het tweede is het lijdend voorwerp (quid, wat). En evenire (overkomen) is het derde object. Het kenmerk van deze constructie is dat het tweede object het onderwerp is van het werkwoord: dat wat jij gelooft overkomt hun. Hier is dus geen sprake van en ACI. Als je het zinnetje als een ACI leest, betekent het wat anders. Als ACI is is quid wel het onderwerp (subjects accusativus) van evenire, maar niet van credis. Dan bedoel je “geloof jij wat hun overkomt?”. Hoewel een Romein deze bedoeling waarschijnlijk met een bijzin met een afhankelijke vraag en coniunctivus zou hebben geformuleerd: “credis quid eis eveniat?”

[55] Waarom de accusativus “bonum”? Je had misschien hier een nominativus verwacht (“velle fieri bonus”) omdat de hele constructie predicaatsnomen is bij est. Maar bonum is predicatief bij [velle] fieri. En een bijvoeglijk naamwoord dat predicatief bij een zelfstandig gebruikt werkwoord, zoals hier velle fieri, wordt gebruikt, staat altijd in de accusativus. Zie A&G § 452 noot 2.

[56] Dat is niet helemaal wat er in het Latijn staat. Er staat dat Seneca en Lucilius eenzelfde soort geest (één geest) hebben. “Eén in geest” zegt dat Seneca en Lucilius hetzelfde zijn (één zijn) wat betreft hun geest. 

[57] Er zijn nogal wat verschillende situaties wanneer een Romein bij een opsomming een enkel- of juist een meervoud gebruikte. Een opsomming met “et” heeft in de regel een meervoudsvorm van het werkwoord, maar meestal niet als het abstracte begrippen zijn (dus niet telbaar). Zie A&G § 317.b, met name de noot.

[58] Zie Kr p. 160, noot 41, A&G § 593

[59] Zie Kr p. 160, noot 41, A&G § 593

[60] In de Nederlandse grammatica kan “zoals” een bijzin inleiden (“Reken maar uit zoals je op school hebt geleerd.”) of een bijwoordelijke bepaling (“constituent”) in de zin zelf (“Hij is timmerman zoals zijn vader.”). De voorbeelden komen uit de ANS (hier). In het Nederlands is “zoals” altijd een voegwoord. In het Latijn is ut (zoals) in een vergelijking een bijwoord dat voegwoordelijk, zoals hier, gebruikt kan worden.

[61] Een misschien wat verwarrende bijkomstigheid is hier dat de definiërende coniunctivus voortkomt uit het invullen van het karakter van “die iemand”, maar dat dat beschreven wordt door een werkwoord waar “die iemand” niet de handelende persoon is. Vaak heeft zo’n bijzin de vorm van “iemand, die (qui) … is” en dan is qui het onderwerp in de bijzin.

[62] De algemene terminologie van voorwaarde (het als-deel van een voorwaardelijke zin) en conclusie (het dan-deel van een voorwaardelijke zin) is hier verwarrend omdat de “voorwaarde” ontkennend is (tenzij) én de conclusie geen mededeling maar juist een vraag (hoe?)

[63]Hoe groot zou het genoegen zijn?” is “Quantus fructus esset?”

[64] Hermaion kiest voor deze interpretatie.

[65] Eisma kiest voor deze interpretatie.

[66] De combinatie van de ontkenning “geen” en de vergelijking “bij meer … dan” levert eigenlijk geen goede Nederlandse zin op. Beter is het om de redenering om te draaien en te zeggen: “Dus gebruiken we vriendschap bij meer gelegenheden dan vuur en water…”

[67] Je kan grammaticaal muggenziften over de vraag of er nu wel een antecent is, omdat de bijvoeglijke naamwoorden vulgari en mediocri zelfstandig gebruikt zijn (de gewone, de middelmatige), of niet, omdat amicitia weggelaten is.

[68] En je kan (vergelijk de vorige voetnoot) ook van mening verschillen of er dan twee zinnen zijn (omdat er twee persoonsvormen zijn) of dat één zin meerdere nevengeschikte persoonsvormen kan hebben.

[69] Zie A&G §§ 307.e én 307.f; vraag blijft hier maar even onbeantwoord of er in het Nederlands verschil is tussen “van die weinigen” en “die als weinigen”…

[70] Hermaion vertaalt noemen, Eisma roemen

[71] De toevoeging van het woordje “dat” in dit voorbeeld is een puur Nederlands iets. Zie de ANS hier bij voorbeeld 10.

[72] De boeken van Eisma en Hermaion doen dit, evenals Falconer en Freeman.

[73] Zie voor een discussie ook hier.

[74] Als je de vraag direct maakt, wordt het: “Amicitia propter imbecillitatem atque inopiam desiderata est, ut, quod quis non posset, id acciperet et redderet?” De coniunctivus “sit” wordt een indicativus (“est”) en “desiderata est” is een verleden tijd (een perfectum; een perfectum verwijst naar iets dat in het verleden is gebeurd). De tijden van een bijzin richten zich dan naar de tijd van het hoofdwerkwoord in de hoofdzin, desiderata est, volgens de consecutio temporum (zie A&G § 482ff). Die schrijft een voltooid of onvoltooide verleden tijd voor. Dat wordt hier voor acciperet en redderet een imperfectum vanwege het duratief aspect (voortdurende handeling). Posset volgt dat: je accepteert en geeft steeds wat je zelf steeds maar niet voor elkaar krijgt.

[75] Er zijn een aantal puzzels bij dit tweede gedeelte. Dat tweede gedeelte bestaat weer uit twee delen. Het eerste van die twee is het quidem-deel: “esset […] amicitiae”. Het tweede is het sed-deel: “sed […] causa”.

·          Is het quidem-deel met esset krom Latijn?
“Esset” hoort ontegenzeggelijk bij het quidem-deel. Je kan dit quidem-deel vertalen in de vragende vorm. Zowel de werkvertalingen van Eisma als Hermaion doen dit. Dat wordt dan iets als “of dit weliswaar eigen aan vriendschap is”, waarbij “dit” terugslaat op het utrum-deel van de zin en de zin afgemaakt wordt met het sed-deel: “of dat …”. Nu ontstaat er in het Nederlands in dat eerste deel een inhoudelijk vreemde zin. Je vraagt je iets af waarvan je in de vraag al stelt dat het waar is. De bedoeling is natuurlijk om te stellen dat het ervoor genoemde eigen is aan vriendschap en je af te vragen, in het sed-deel, of er een diepere oorzaak is. De feitelijke vraag betreft dus alleen het sed-deel. Daarmee is de Nederlandse vertaling krom, maar de interessantere vraag is of de Latijnse tekst ook krom is.
Als we kijken naar twee Engelse vertalingen dan zie je dat beide vertalers het probleem herkennen. Falconer lost het op door van het quidem-deel een bijzin te maken met hoewel: “[…] or, although this mutual interchange is really inseparable from friendship, whether there is not another cause, older, more beautiful, and emanating more directly from Nature herself.” (p. 136). En Freeman maakt een aparte zin van het tweede gedeelte en, net als Falconer, formuleert het quidem-deel als een mededeling, niet als een vraag: “This is undeniably a part of being a friend, but I wonder if there isn’t a deeper and more beautiful reason for friendship than this, something that comes to us from nature herself.” Beiden vertalen het quidem-deel dus niet als deel van de vraag maar als een stellende zin. Impliciet corrigeren ze dus het Latijn. Overigens is “krom” niet “fout”. Een taal is geen wiskunde, en als dit de manier was in het Latijn om zo’n weliswaar-maar vraag te formuleren, dan is dat zo. In het Nederlands is het naar mijn bescheiden mening niet correct.

·          Hoort “esset” ook bij het sed-deel?
In de aantekeningen van de Hermaion uitgave wordt aangegeven om bij alia causa “sit” te denken. Dat is consistent met de eerste afhankelijke vraag van de zin: “utrum [propter …] desiderata sit amicitia” (of vriendschap gewenst is [vanwege …]). Eisma daarentegen geeft aan een tweede “esset” te denken bij profecta – dus niet bij causa. Moet je die “esset” dan ook niet bij antiquior en puchrior denken?

·          Koppel- of zelfstandig werkwoord?
Met “sit” bij causa (zie de opmerking hierboven) kun je dat werkwoord op twee manieren lezen: als een koppelwerkwoord of als zelfstandig werkwoord. Als koppelwerkwoord vertaal je iets als “[of] een andere oorzaak ouder/mooier/natuurlijker is”. Zie ook A&G § 284.b. De tricolon ouder/mooier/natuurlijker is predicaatsnomen. Je vraagt je niet af of er een andere oorzaak is, maar hoe die is. Als zelfstandig werkwoord (zijn = bestaan) wordt het iets als “[of] (er) een andere oorzaak is, ouder/mooier/natuurlijker”. Nu vraag je je af of er een andere oorzaak is. De tricolon wordt een bijstelling bij causa. Falconer en Freeman vertalen het zo. Merk op dat Freeman “alia” weglaat. Hermaion vertaalt ook “sit” als zelfstandig werkwoord, maar de tricolon niet als bijstelling: [er moet overdacht worden] “of dat dit weliswaar eigen was aan vriendschap, maar (dat) er een oudere […], mooiere en meer uit de natuur afkomstige andere oorzaak is”. Met “esset” bij profecta (en antiquior en pulchrior) kan je “esset” alleen als koppelwerkwoord lezen. Eisma vertaalt dan: [er moet overdacht worden] “of dit weliswaar karakteristiek voor vriendschap is, maar een andere oorzaak belangrijker en voortreffelijker en meer van de natuur zelf afgeleid is.” Met het gebruik van “een” wordt dan vervolgens niet afgevraagd of er een andere oorzaak is, maar wordt dat aangenomen, en alleen afgevraagd hoe die is.

·          Waarom is esset een imperfectum?
En niet, zoals sit in het utrum-deel, een praesens? Als je “sit” bij causa denkt, helpt de consecutio temporum (zie voetnoot 74) misschien. Dan is er een verleden tijd om dezelfde reden als bij acciperet, redderet en posset. Als je een tweede “esset” (en geen “sit”) denkt in het sed-deel, is het lastiger dat imperfectum te begrijpen.

 

[76] Quidquid is de accusativus van quisquis en dat betekent alles wat, wat ook. In het Latijn is quisquis één woord en het wordt als een zelfstandig naamwoord gezien (zie ook hier). Het is hier het onderwerp van est en est is hier geen koppelwerkwoord (copula) maar een zelfstandig werkwoord met de betekenis bestaan. Quisquis is opgebouwd uit twee keer quis. Daar gaan we hier aan voorbij, maar je ziet het wel terug in de Nederlandse vertaling: alles wat, of al wat. In het Nederlands dus twee woorden en wat is een betrekkelijk voornaamwoord. “Alles wat bestaat …” is dus een hele korte, maar onvolledige, hoofdzin (“alles”), en een bijzin (“wat bestaat”). In het Nederlands wordt die hoofdzin afgemaakt met “is echt”: “Alles [wat bestaat,] is echt.” In het Nederlands dus een keurige hoofdzin (alles is echt) en een bijzin (wat bestaat). Niet in het Latijn. “Quidquid est” is een hoofdzin die niet af is en als een zelfstandig naamwoord fungeert en dat dan als onderwerp van het tweede est: “Al-wat-bestaat is echt. Dat tweede est is wel een copula. Dus “id est …” is géén bijzin. Het is ook een hoofdzin en begint met een aanwijzend voornaamwoord. Dat eerste woord, id, herhaalt als het ware de tekst “quidquid est”. Wij kunnen dat in het Nederlands ook: “Alles wat bestaat, dat is echt.” Het is dezelfde constructie als “Een bakker, die bakt brood.” In een bijzin zou er staan “De bakker, die brood bakt,  …”.

[77] Het grondwoord is potis, machtig, kundig, een bijvoeglijk naamwoord. Dat heeft geen bijwoord en het wordt niet verbogen. Alleen het neutrum wordt gebruikt: pote. De comparativus is potior, machtiger, en die heeft wél een bijwoord: potius, machtiger. Dat woord staat hier in de tekst. De superlativus is dan potissimus (bijv. nw.) en potissimum (bijwoord), machtigst.

[78] applicatio = aansluiting, het aansluiten; applicatio animi = het (willen) aansluiten van de geest; daarmee wordt kennelijk bedoeld: de neiging om (Eng: inclination to). De Engelse vertaling verwoordt het als “an inclination of the soul”.  Zie ook het woordenboek van Lewis & Short hier.

[79] Zoals “Het brood werd gebakken door de bakker, een harde werker.” Zie ook A&G § 282.c.

[80] In principe volgt een afhankelijke vraag qua tijd het werkwoord in de hoofdzin. Dat is videtur, en dat is een praesens (tegenwoordige tijd). Volgens de consecutio temporis (A&G § 483) heeft de bijzin dan ook gewoon een tegenwoordige tijd. Toch staat hier een imperfectum. Dat komt omdat de bijzin (quantum  … esset) afhankelijk is van “orta esse”: “… is ontstaan … uit de vraag hoeveel …”. Orta esse is een infinitivus perfecti, een perfectum dus. Een coniunctivus in de indirecte rede volgt een infinitivus perfecti waar deze van afhankelijk is, en niet het hoofdwerkwoord dat de indirecte rede inleidde (zie  A&G § 585.a). Volgens de consecutio temporis volgt een bijzin een verleden tijd met een perfectum (of plusquamperfectum): esset habitura is een coniunctivus perfecti passivi.

[81] Dus als zelfstandige voorwaardelijke zin zou het zijn “Similis sensus amoris exsistit, si aliquem nanciscimur, quae […]” (“Er bestaat een gelijk gevoel van liefde, als wij iemand ontmoeten, die […]”). De zin wordt, door het gebruik van het perfectum, zoals dat heet, teruggeworpen in de tijd.

[82] Afhankelijk van je woordenboek kun je nog een transitieve betekenis van exsto (exstare), bestaan, aantreffen. Exstitit kan grammaticaal ook daarvan het perfectum zijn. Alleen past dat dan hier niet in de context en met de combinatie met cum, wanneer.

[83] “qui …” kan ook als consecutieve betrekkelijke bijzin opgevat worden ([31]). A&G legt uit dat de consecutieve en definiërende bijzinnen dicht bij elkaar liggen, en dat bij twijfel het best voor de definiërende kan worden gekozen.

[84] zoals bij werkwoorden als beschermen voor/tegen en afhouden van

[85] Van oorsprong is quod een betrekkelijk voornaamwoord (< quis), maar het is verworden tot het voegwoordelijk gebruikt bijwoord “dat”. In het Nederlands is dat precies zo, en “dat” wordt dan een “grammatisch verbindend voegwoord” genoemd. Dat is vakjargon voor het feit dat “dat” zelf niets aan de zin toevoegt of betrekking heeft op een ander woord in de zin. Zie hier. De bijzin is wel een lijdendvoorwerpszin.

[86] A&G § 343.b

[87] A&G § 313.a

[88] We kijken naar de structuur van de zin. Of beide manieren van lezen misschien qua betekenis van de zin op hetzelfde neerkomen, laten we maar even in het midden.

[89] Hermaion leest het zo: “dat zij konden zeggen hoeveel geiten en schapen ieder had

[90] Eisma, Falconer en Freeman lezen het zo:

Eisma: “dat een ieder kon zeggen hoeveel geiten en schapen hij had

Falconer: “that everybody could tell how many goats and sheep he had”

Freeman: “[He said] that everyone is able to tell you how many goats and sheep they have”

[91] De voorwaarde (als) en conclusie (dan) worden dan zoiets als “als ze tekens hadden die duiden op geschiktheid, dan konden ze hen beoordelen”. Zie A&G § 521.

[92] Bijvoorbeeld iets als: “Non habebant signa, quibus eos, qui ad amicitiam essent idonei, iudicarent.” (Zij hebben geen tekens, waarmee zij hen, die geschikt waren voor een vriendschap, kunnen beoordelen.)

[93] Wat is “goed”? Is dat verschil in getal een reden om de zin af te keuren? In mijn oren klinkt het niet goed, maar het is wel duidelijk wat er bedoeld wordt.

[94] Eisma en Harmaion doen het op de eerste manier. Falconer en Freeman doen het op de tweede manier. Overigens zit er nog wat vreemds in de redenering. “Expertum” in de “Et iudicare …” zin slaat beslist niet op amicitia, de vriendschap. Maar het is wel de vriendschap die beproefd moet worden, niet het beoordelen. Net zo in het tweede gedeelte: experiendum kan niet op amicitia slaan. Zowel Falconer als Freeman is dit opgevallen want zij vertalen respectievelijk “[… it is very hard to come to a decision without a trial,] while such trial can only be make in actual friendship.” en “[… it’s difficult to determine who has the desirable qualities of a friend without trying them out— and] the only way to try them out is by being their friend”.

[95] Zie A&G § 576 Note, waar deze zin als voorbeeld wordt gebruikt.

[96] A&G § 393

[97] Maar er staat dus geen comparativus. Er staat “zwak om macht af te wijzen”. Als je imbecillus vertaalt met “niet goed in staat”, hoef je niet “te” toe te voegen.

[98] Er zit geen tegenstrijdigheid in de manieren van lezen: in beide gevallen ligt de nadruk op de handeling (het werkwoord) en in beide gevallen geeft de ablativus een oorzaak aan (ablativus causativus). Een ablabs kan gebruikt worden om iets te beschrijven dat los staat van de handeling van de pesoonsvorm. De mate waarin hier “zich niet bekommeren om” los staat van “bereiken” is aan de lezer om aan te voelen, zowel de vertaler anno 2025 als de oorspronkelijke Romeinse lezer.

[99] De infinitivi zijn: actief: obscurare = te verbergen, obscuravisse = te hebben verborgen, obscuraturus esse = te zullen verbergen; passief: obscurari = verborgen te worden, obscuratus esse = verborgen te zijn (geworden), obscuratum iri = verborgen te zullen zijn (geworden); de laatste, die hier is gebruikt, is geen examenstof; de andere wel.

[100] A&G § 193

[101] Sommige edities schrijven: “Quid, haec ut omittam, …”.

[102] Een vertaling als “bij tegenslagen” is niet zuiver. Het gaat erom dat jij een deel van de ellende van je vriend op je neemt. Falconer vertaalt “association in another’s misfortune”; Freeman: “to share in the misfortunes of others”.

[103] Als je est als onpersoonlijke vorm (het is) leest, wordt het ingesloten antecedent van qui het object van inventu: [het is moeilijk] om mensen te vinden. Een supinum II wordt echter nooit met een expliciet object aangetroffen (zie A&G § 510, voetnoot). De vraag is dus hoe de Romeinse lezer het aanvoelde. Je kunt je andersom ook afvragen waarom er “est” staat en geen “sunt”: “[mensen] zijn moeilijk te vinden, die …”. Dan wordt de qui-bijzin een onderwerpszin.

[104] Het supinum is geen examenstof.

[105] Wat is een “nette” vertaling? Je kan ervoor kiezen zo dicht mogelijk bij het Latijn te blijven (doen op een examen!). Dan vertaal je letterlijk. Dan kun je nog steeds certus en incerta met verschillende woorden vertalen, omdat dat in het Nederlands beter is, zodat de stijlfiguur verdwijnt: een betrouwbare vriend en een onzekere situatie. Of je kan twee dezelfde woorden gebruiken, een zekere vriend, ook al zeggen we dat niet zo in het Nederlands, en een onzekere situatie. In de vertaling in deze tekst zijn de misschien wat ouderwetse woorden wis en ongewis gebruikt, waarmee we geprobeerd hebben de alliteratie te behouden en toch een goede Nederlandse zin te maken. Of je kan de uitdrukking zoals we die in het Nederlands gebruiken opschrijven (niet op een examen!): “In nood leert men zijn vrienden kennen.” Hoe mooi is de Engelse uitdrukking in de vertaling van William Armistead Falconer: “When Fortune's fickle the faithful friend is found”.

[106] niet gewoon “toont zich”, als in “komt tevoorschijn”; dus als je met zich tonen wilt vertalen, moet je certus predicatief maken: “een vriend toont zich (als) betrouwbaar

[107] De beide schoolboekuitgevers, Eisma en Hermaion, doen het op de eerste manier. Peters en Falconer doen het op de tweede manier. Peters: “… [er] zijn twee gevallen waar vrienden als ontrouw en zwak ontmaskerd worden: als het hun goed gaat, kijken ze niet naar je om, gaat het jou slecht, dan blijven ze ver uit je buurt.

[108] In dit overzicht is de term “betrekkelijke bijzin” als een synoniem beschouwd van “bijvoeglijke bijzin”.

[109] De gewone relatieve aansluiting is niet in deze lijst opgenomen want die leidt een hoofdzin in.

[110] Voor een betrekkelijke bijzin met een indicativus: zie de inleiding in A&G § 534

[111] Het woordenboek benoemt quin als voegwoord, maar we volgen hier A&G die dit een betrekkelijke bijzin noemt.

[112] Of een zinsdeel dat met quid begint een indirecte vraag is, wordt door de context bepaald. In “Ik zette neer wat ik in mijn handen had.” hoeft geen sprake van een vraag. Quid is hier een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent. Ik droeg iets en dat zette ik neer. Je kunt een antecedent toevoegen: ik zette dat neer wat ik droeg. In “Hij vroeg wat ik bedoelde.” is er waarschijnlijk wel sprake van een vraag (direct: “Wat bedoel jij?”). In het Nederlands is “wat” dan, zowel in de directe als in de indirecte vraag een vragend voornaamwoord (Van Dale 13e uitgave, 1999; ANS 5.7.1). Als je in het laatste voorbeeld een antecedent toevoegt, beschrijf je iemand die gedachten kan lezen: hij vroeg dat wat ik bedoelde. Dat zal niet de strekking van de zin geweest zijn.

Bij een zin als “Ik leg uit wat ik bedoel.” (Quid ipse sentiam exponam; A&G § 574 voorbeeld 1) kun je betwijfelen of er sprake is van een vraag, zoals A&G stelt, of dat het een mededeling is.

[113] https://e-ans.ivdnt.org/